vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/687753 / HA ZA 24-896 Vonnis van 6 augustus 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser, advocaat mr. A.J. van der Duyn Schouten te Dordrecht, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde, advocaat mr. N.T. Vogelaar te Maasdijk. Partijen zullen, omdat de achternamen niet onderscheidend zijn, hierna vader en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 11 oktober 2024, met producties 1 tot en met 14; - de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 5; - de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties 15 en 16 van vader; - de ten behoeve van de mondelinge behandeling overgelegde producties 6 tot en met 8 van [gedaagde] ; - de akte indienen producties van vader van 16 april 2025, met productie 17; - de akte na comparitie van partijen van [gedaagde] . 1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 2 april 2025. Aanwezig waren namens vader: zijn advocaat, zoon [persoon A] (hierna: [persoon A] ) en dochter [persoon B] (hierna: [persoon B] ). [gedaagde] was eveneens aanwezig, vergezeld van zijn advocaat. 1.3. Op 25 juni 2025 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden. Aanwezig waren vader, vergezeld van zijn advocaat en [persoon A] , en [gedaagde] , vergezeld van zijn advocaat. 2Het geschil 2.1. De vordering van vader strekt tot veroordeling, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde] tot betaling aan vader van € 113.331,21, met nader gespecificeerde wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure. Vader stelt daartoe, kort samengevat, primair dat [gedaagde] gelden heeft gestolen of verduisterd en aldus onrechtmatig heeft gehandeld, en subsidiair dat sprake is van onverschuldigde betalingen. 2.2. Vader was in gemeenschap van goederen gehuwd met [persoon C] (hierna: moeder), tot haar overlijden op 1 juli 2024. Zij had geen testament opgemaakt en na haar overlijden heeft vader daarom op grond van artikel 4:13 BW al haar goederen verkregen. Zij hebben samen drie kinderen: [persoon A] , [persoon B] en [gedaagde] . Vanaf 2015 is [gedaagde] zijn ouders gaan helpen met de dagelijkse boodschappen. Begin 2020 is bij moeder Alzheimer vastgesteld. Volgens vader is haar gezondheid in de loop van 2020 zodanig verslechterd, dat intensieve zorg was vereist. Medio 2020 heeft [gedaagde] met instemming van alle betrokkenen een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) aangevraagd om zelf voor moeder te zorgen. In 2021 is de verhouding tussen vader en [gedaagde] verslechterd. [gedaagde] heeft van maart 2020 tot 1 december 2023 de beschikking gehad over de ABN AMRO-bankrekening op naam van moeder (hierna: de bankrekening), waarvan het saldo echter aan moeder én vader toebehoorde. Op laatstgenoemde datum is de bankrekening door de bank geblokkeerd wegens een vermoeden van fraude, naar aanleiding van een melding van mogelijk misbruik van de bankpas van moeder. Sinds 3 mei 2024 zijn de goederen van moeder onder bewind gesteld, met [persoon A] als bewindvoerder. 2.3. Vader stelt dat [persoon A] , toen hij bewindvoerder was geworden, heeft geconstateerd dat meer dan € 100.000,- aan de genoemde bankrekening is onttrokken. Aan [gedaagde] is vervolgens door vaders advocaat, onder overlegging van een Excelbestand van alle onduidelijke posten, diverse malen om opheldering gevraagd, die echter niet is gekomen. Vader stelt dat moeder en hij nooit toestemming hebben gegeven voor de hierna te bespreken overboekingen, betalingen en contante opnames en dat die nooit aan hen ten goede zijn gekomen. Vanaf 14 maart 2020 had vader geen werkende bankpas meer van de bankrekening en zijn alle betalingen en overboekingen vanaf die rekening door [gedaagde] gedaan. Behoudens kleine bedragen bij verjaardagen hebben vader en moeder ook nooit schenkingen aan [gedaagde] en zijn kinderen gedaan. In 2019 zijn twee overboekingen aan de kinderen van [gedaagde] gedaan, totaal € 5.000,-. Vader stelt dat daarover geen overleg met hem of moeder is geweest en betwist dat hij of moeder deze of andere schenkingen aan [gedaagde] of zijn kinderen heeft gedaan. De kinderen van [persoon A] hebben niets ontvangen, terwijl vader en moeder alle kleinkinderen gelijk wilden behandelen. In de loop van 2020 is het uitgavenpatroon vanaf de bankrekening veranderd en gingen de specificaties ontbreken, aldus nog steeds vader. Ook werden gelden overgemaakt naar de kinderen van [gedaagde] en werden aankopen gedaan bij webshops en winkels waar vader en moeder niets hebben gekocht (zoals Coolblue, Gamma, Hornbach, Vuijk Scooters, grote maten winkel Ulla Popken en Houthandel Van Gelder). Vader en moeder hebben hun huis niet laten verbouwen, rijden geen scooter, hebben (anders dan de echtgenote van [gedaagde] ) geen grote maat en zijn al langere tijd niet in het buitenland geweest, waar is gepind. In de jaren 2021, 2022 en 2023 blijft het uitgavenpatroon anders en zijn er diverse grote overboekingen naar de betaalrekening van [gedaagde] , zoals op 11 mei 2021 een bedrag van € 6.604,- met omschrijving “Vrijstelling 2021” en op 4 januari 2022 een bedrag van € 5.677,- met omschrijving “Schenking 2022”. Vader betwist ook dat deze bedragen zijn geschonken. Vader heeft een overzicht gemaakt van onverklaarbare uitgaven, geldopnames en overboekingen over de jaren 2015 tot en met 2023, optellend tot € 118.331,21. Omdat [gedaagde] vanaf maart 2020 – toen hij de overboekingen niet meer specificeerde – regelmatig voor zijn ouders kookte, gaat vader ervan uit dat dit ongeveer € 1.250,- per jaar heeft gekost, gedurende vier jaar, totaal € 5.000,-. Hij vordert daarom € 113.331,21, met rente over de diverse per jaar gestolen of verduisterde bedragen. 2.4. [gedaagde] heeft de vorderingen betwist. Op hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd, wordt hierna bij de beoordeling ingegaan. 3De beoordeling 3.1. [gedaagde] heeft allereerst ter discussie gesteld of [persoon A] aan het levenstestament van vader de bevoegdheid ontleent om de onderhavige procedure te voeren. Die vraag behoeft echter niet beantwoord te worden, aangezien niet [persoon A] , maar vader de eisende partij is en vaders advocaat expliciet verklaard heeft dat vader hem verteld heeft dat hij – zij het met pijn in het hart – deze procedure wil voeren. Een advocaat die verklaart voor iemand op te treden, pleegt daarbij op zijn woord te worden geloofd. Dit zou anders kunnen zijn indien er omstandigheden zijn die gerede twijfel aan die verklaring oproepen, maar daarvan is niet gebleken. In het bijzonder is niet gebleken dat vader zijn wil niet of niet in vrijheid heeft kunnen bepalen. Dat volgt ook niet uit de omstandigheid dat hij 96 jaar is, het emotioneel vindt om naar de zitting te komen en – partijen verschillen daarover van mening – mogelijk hardhorend is. Evenmin volgt het uit de door [gedaagde] nog overgelegde verklaring van zijn dochter [persoon D] : “Opa heeft ook gezegd dat hij allemaal handtekening [sic, toevoeging rechtbank] moest zetten, het ging over geld, daar was mijn oom [persoon A] mee bezig. Hij zei dat hij niet wist wat er allemaal speelde, dat liet hij ook aan mij blijken, maar het had voornamelijk met geld te maken.” Nadat ter zitting van 2 april 2025 door de advocaat van [gedaagde] de – volgens vader digitaal op een apparaat geplaatste – handtekening van vader onder de door vader overgelegde verklaring van 25 maart 2025 ter discussie was gesteld, heeft vader een naar aanleiding van de zitting aangepaste en – naar zijn advocaat verklaarde: in het bijzijn van de advocaat – ondertekende verklaring van 4 april 2025 overgelegd. Daarin heeft hij onder meer verklaard dat het onzin is dat hij de zaak niet wil en niet goed zou begrijpen wat er aan de hand is. Vaders advocaat heeft daarbij nog toegelicht dat uit onderdelen van het overleg met vader zou kunnen worden afgeleid dat vader de zaak niet wil, maar dat op basis van het volledige overleg het de advocaat helder is dat vader goed beseft wat er speelt en nog steeds achter zijn beslissing staat om de procedure te starten, al zou hij willen dat deze zaak, die zeer zwaar drukt op vader, niet nodig was geweest. Nadat bij akte na comparitie door [gedaagde] na en op grond van een persoonlijk gesprek van hem met vader opnieuw twijfel was geuit aan de wens van vader om deze procedure te voeren, is een nadere zitting bepaald, waarvoor vader is opgeroepen. Tijdens die zitting van 25 juni 2025, waarbij vader in persoon aanwezig was, heeft vader naar waarneming van de rechtbank duidelijk en herhaaldelijk verklaard dat hij wil dat [gedaagde] – die zijn zoon blijft en tegen wie hij verder niets heeft – het geld terugstort, zodat het na vaders overlijden eerlijk kan worden gedeeld en alle drie de kinderen hetzelfde krijgen. Hij heeft ook verklaard dat hij wil dat de rechtbank daar een beslissing over neemt, omdat hij het zelf niet kan regelen. De verweren die de wilsvorming of de instemming van vader met deze procedure in twijfel trekken, worden daarom verworpen. 3.2. [gedaagde] heeft vervolgens ter discussie gesteld of hij jegens moeder een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording heeft gehad en zo ja, of die verplichting ook jegens vader als erfgenaam bestaat. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank voorop dat volgens vaste rechtspraak een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige rechtsverhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1848). De (financiële) rechtsverhouding tussen moeder en [gedaagde] kenmerkte zich door de door moeder aan [gedaagde] in de vorm van een verstrekte bankpas, al of niet stilzwijgend verleende volmacht om ten laste van de bankrekening geld op te nemen en betalingen te doen. Aanwijzingen voor het bestaan van een (voor [gedaagde] minder gunstig) alternatief scenario dat slechts sprake was van bijvoorbeeld lastgeving, waarbij slechts bepaalde uitgaven mochten worden gedaan, ontbreken. Uit vaste rechtspraak (arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4167) volgt dat er geen rekening en verantwoording aan de erfgenamen afgelegd behoeft te worden als niet is komen vast te staan dat de erflater ten tijde van de volmachtverlening en het gebruik van de volmacht niet in staat was zijn of haar wil te bepalen, de erflater tevens bij leven geen aanleiding heeft gezien om de gevolmachtigde ter verantwoording te roepen en niet is gesteld dat sprake is van misbruik van omstandigheden. In het onderhavige geval doen de genoemde omstandigheden waaronder er geen verantwoording aan erfgenamen behoeft te worden afgelegd, zich niet voor, althans niet over de gehele periode van 2015 tot en met 2023. Al in 2019 is [gedaagde] naar eigen zeggen in zijn conclusie van antwoord voor het eerst met moeder naar de huisarts geweest om te onderzoeken of er sprake was van dementie. Ter zitting heeft hij verklaard de reden niet meer te weten, maar dat de huisarts een test adviseerde om te kijken of moeder vasculaire dementie had. Kennelijk was er daarvoor dus reden. Volgens [gedaagde] is toen geconstateerd dat sprake was van vasculaire dementie in een beginstadium, dat nog geheel niet ernstig was. Begin 2020 is, naar vader onweersproken heeft aangevoerd en kennelijk nadat er opnieuw reden voor onderzoek was, de diagnose Alzheimer gesteld. Na een val in januari 2020 heeft moeder, aldus [gedaagde] , voor de derde maal die winter een longontsteking gehad en is er in overleg met de longarts en de geriater besloten om niet verder te behandelen en is moeder naar huis gegaan om te overlijden. Toen zij toch weer opgeknapt was – en er gesprekken waren geweest met een casemanager ouderenzorg voor plaatsing in een verzorgingstehuis – raakte moeder in paniek als zij alleen gelaten werd en moest er 24 uur per dag iemand aanwezig zijn. Medio juli 2020 was er, naar [gedaagde] heeft verklaard, plaats in een verzorgingstehuis voor demente ouderen. Bij de bestaande wachtlijsten in de gezondheidszorg acht de rechtbank het een feit van algemene bekendheid dat een dergelijke opname pas plaatsvindt als dat echt nodig is. Hoewel achteraf uiteraard niet van moment tot moment of zelfs maar van maand tot maand kan worden vastgesteld hoe helder moeder was en in welke mate zij interesse kon opbrengen en opbracht voor haar bankafschriften, acht de rechtbank het geschetste totaalbeeld zodanig duidelijk, dat het – bij gebreke van voldoende concrete aanwijzingen voor het tegendeel – voor gehouden moet worden dat er vanaf begin 2020 substantiële twijfel over moet zijn geweest of moeder in verband met het gebruik van de bankpas door [gedaagde] in staat was haar wil te bepalen, de uitgaven te controleren en [gedaagde] eventueel ter verantwoording te roepen. De stellingen van [gedaagde] dat moeder in de loop der jaren nauwelijks achteruit is gegaan en tot het laatst in staat was de handelingen van [gedaagde] te overzien, moet tegenover de beschikbare informatie en het geschetste totaalbeeld als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Terzijde tekent de rechtbank hierbij aan dat de hiervoor gemaakte cesuur tussen 2019 en 2020 in die zin ook van proceseconomische aard is, dat de door vader betwiste uitgaven in 2019 slechts € 3,- beliepen, zodat het niet reëel is nader onderzoek te doen naar de toestand van moeder gedurende 2019, waarin voor het eerst een concrete aanwijzing voor mogelijke dementie is gebleken, namelijk het bezoek door [gedaagde] met moeder aan de huisarts voor onderzoek naar dementie. De rechtbank is daarom van oordeel dat wat betreft de jaren vóór 2020 er onvoldoende aanwijzingen zijn dat moeder haar wil niet kon bepalen en niet zelf de uitgaven – waaronder de bedragen die volgens [gedaagde] aan zijn kinderen geschonken zijn – heeft kunnen controleren, terwijl niet is gebleken dat zij daar toen vragen over heeft gesteld en er evenmin aanwijzingen zijn voor misbruik van omstandigheden. Onder deze omstandigheden moet het ervoor gehouden worden dat moeder met de overboekingen en geldopnames in die eerdere jaren heeft ingestemd en bestaat er onvoldoende aanleiding om [gedaagde] gehouden te achten nu alsnog over die eerdere jaren verantwoording af te leggen aan de erfgenaam van moeder, vader. Dit betekent dat de over de jaren vóór 2020 wegens niet verantwoorde opnames of betalingen gevorderde schadevergoeding van € 5.949,06 moet worden afgewezen. 3.3. Dit ligt anders voor de jaren 2020 en later. De Hoge Raad heeft in zijn hiervoor genoemde arrest uit 2021 ook overwogen dat het antwoord op de vraag of een verantwoording over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer geboden is, sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.