vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/681340 / HA ZA 24-550 Vonnis van 15 oktober 2025 in de zaak van [persoon A] , handelend onder de naam [handelsnaam A] , gevestigd en kantoorhoudend in [plaats A] ( [land A] ), eiser in conventie, verweerder in reconventie, advocaat mr. L.I. Velthuijsen te Amsterdam, tegen 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf B 1] , gevestigd in [vestigingsplaats B] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, 2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf B 2] , gevestigd in [vestigingsplaats B] , gedaagde in conventie, 3. [persoon B], wonend in [woonplaats B] , gedaagde in conventie, advocaat mr. J.H. Hommel te Rotterdam. Partijen worden hierna [persoon A] en [persoon B] c.s. genoemd. Gedaagden worden afzonderlijk [bedrijf B 1] , [bedrijf B 2] en [persoon B] genoemd. 1De zaak in het kort In deze procedure vordert [persoon A] van [bedrijf B 1] betaling van facturen voor een bedrag van in totaal € 214.857,07 voor door hem verrichte werkzaamheden. Van [bedrijf B 2] en [persoon B] vordert [persoon A] hetzelfde bedrag bij wijze van schadevergoeding, omdat [persoon A] meent dat hen als (indirect) bestuurder van [bedrijf B 1] een persoonlijk ernstig verwijt valt te maken. [bedrijf B 1] heeft de vordering voor een gedeelte betwist en een beroep gedaan op verrekening. De rechtbank acht de vorderingen tegenover [bedrijf B 1] grotendeels toewijsbaar. De vorderingen tegenover [bedrijf B 2] en [persoon B] vindt de rechtbank voor een deel toewijsbaar. Voor het overige deel is het debat nog niet voldoende gevoerd, zodat [bedrijf B 2] en [persoon B] in de gelegenheid worden gesteld nog een akte te nemen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 23 februari 2024, met producties 1 tot en met 14; het vonnis in incident van 22 mei 2024, waarin de rechtbank Amsterdam zich onbevoegd heeft verklaard, met de daarin genoemde stukken; het exploot tot oproeping na verwijzing van 7 juni 2024; het herstelvonnis in het incident van 19 juni 2024; de conclusie van antwoord in conventie tevens voorwaardelijke conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 10; de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie tevens houdende akte overlegging producties 15 tot en met 31d; de brief van 30 november 2024 van [persoon B] c.s. met aanvullende producties 11 tot en met 17; de oproepingsbrief van 14 maart 2025 van de rechtbank voor de mondelinge behandeling op 15 juli 2025; de e-mail van 9 juli 2025 van [persoon B] c.s. met een beter leesbaar exemplaar van de eerder ingediende productie 16; de spreekaantekeningen van partijen voor de mondelinge behandeling; de mondelinge behandeling van 15 juli 2025, waarbij [persoon B] via een Teams verbinding aanwezig was. 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank een datum bepaald waarop er zo mogelijk vonnis wordt gewezen. 3De feiten 3.1. [bedrijf B 1] houdt zich onder meer bezig met het plaatsen en demonteren van keukens en [bedrijf B 1] , vooral showrooms. Enig aandeelhoudster en bestuurder van [bedrijf B 1] is [bedrijf B 2] . Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B 2] is [persoon B] . 3.2. [persoon A] exploiteert een interieurdecoratiebedrijf. 3.3. Vanaf 2020 schakelde [bedrijf B 1] [persoon A] in bij de uitvoering van door [bedrijf B 1] verworven opdrachten. [persoon A] factureerde hiervoor aan [V.O.F. B] . (hierna: de vof). 3.4. Vanaf 2020 tot en met het eerste kwartaal van 2023 betaalde [persoon A] aan de vof 4% over de omzet die [persoon A] genereerde met de van [bedrijf B 1] gekregen opdrachten. 3.5. In februari 2023 heeft [persoon C] , de zoon van [persoon B] , het volgende Whatsapp bericht gestuurd aan (onder meer) [persoon A] : “goedemorgen alle, vanaf deze vrijdag graag facturen sturen naar onze BV en niet meer naar de VOF [persoon D] zet straks de gegeven hierop alvast bedankt” 3.6. [persoon A] heeft hierna de facturen niet meer naar de vof gestuurd, maar naar [bedrijf B 1] , zoals verzocht. 3.7. De grootste opdrachtgever van [bedrijf B 1] was Mandemakers Groep. 3.8. Halverwege 2023 heeft [bedrijf B 1] een deel van haar activiteiten overgedragen aan Mandemakers Groep en haar overige activiteiten aan een andere derde. 3.9. De facturen van [persoon A] met betrekking tot de werkzaamheden die zij verrichtte in opdracht van [bedrijf B 1] tussen augustus 2022 en augustus 2023 zijn voor een gedeelte van in totaal € 214.857,07 onbetaald gebleven. 3.10. Op 6 oktober 2023 heeft de advocaat van [persoon A] een sommatiebrief gezonden aan [bedrijf B 1] in verband met de openstaande facturen. De advocaat van [bedrijf B 1] heeft op 9 november 2023 namens [bedrijf B 1] een gedeelte van € 51.187,17 van die facturen betwist. 3.11. Bij brief van 13 december 2023 heeft [persoon A] inhoudelijk gereageerd op de bezwaren van [bedrijf B 1] en heeft zij [bedrijf B 1] nogmaals primair een termijn gesteld om over te gaan tot betaling van de uitstaande facturen en subsidiair de kans gegeven om binnen die termijn met een betalingsvoorstel te komen. 3.12. Bij brief van 3 januari 2024 is [bedrijf B 1] bij haar standpunt, dat het door [persoon A] gevorderde bedrag moet worden verminderd met € 51.187,17, gebleven. 3.13. [persoon A] heeft ter verzekering van haar vordering verlof voor beslaglegging gekregen van de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam voor het onbetwiste deel van de vordering. Op 9 februari 2024 heeft [persoon A] ten laste van [bedrijf B 1] conservatoir derdenbeslag laten leggen. 4Het geschil in conventie 4.1. [persoon A] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: primair [persoon B] c.s. hoofdelijk en subsidiair alleen [bedrijf B 1] : I. veroordeelt tot betaling van € 214.857,07, althans van € 163.669,90 of een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente vanaf de datum van de vervaltermijn; II. veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.923,57, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag; III. veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis. 4.2. [persoon A] baseert zijn vorderingen tegen [bedrijf B 1] op nakoming van de betalingsverplichting wegens verrichte werkzaamheden uit hoofde van de samenwerkingsovereenkomst tussen [bedrijf B 1] en [persoon A] . De vorderingen jegens [bedrijf B 2] en [persoon B] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad, meer in het bijzonder bestuurdersaansprakelijkheid. 4.3. [persoon B] c.s. voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon A] in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon A] in de kosten van de procedure. 4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover van belang voor de beslissingen op de vorderingen. in voorwaardelijke reconventie 4.5. [bedrijf B 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: [persoon A] veroordeelt tot betaling aan [bedrijf B 1] van € 21.910,27, te vermeerderen met wettelijke handelsrente, althans wettelijke rente, primair vanaf 30 juli 2024, subsidiair vanaf 7 augustus 2024; [persoon A] veroordeelt tot betaling aan [bedrijf B 1] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 994,10 of een door de rechtbank te bepalen bedrag; [persoon A] veroordeelt in de proceskosten. 4.6. [bedrijf B 1] baseert deze vordering, die zij gecedeerd heeft gekregen van de vof, voor een deel op nakoming van de tussen de vof en [persoon A] overeengekomen bonusregeling en voor het overige gedeelte op nakoming van de betalingsverplichting van een factuur voor kosten die de vof heeft voorgeschoten voor [persoon A] . 4.7. [persoon A] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf B 1] in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf B 1] in de procedure. 4.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan voor zover van belang voor de beslissingen op de vorderingen. 5De beoordeling in conventie Bevoegdheid en toepasselijk recht 5.1. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat [persoon A] in Duitsland is gevestigd en [persoon B] c.s. zijn gevestigd respectievelijk woonplaats hebben in Nederland. De rechtbank moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is kennis te nemen van het geschil van partijen en zo ja, welk recht van toepassing is. 5.2. In dit geval heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht op grond van artikel 4 lid 1 Brussel I bis-Vo (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, is tussen partijen overigens ook niet in geschil. In het vonnis in het incident van 22 mei 2024 is al geoordeeld dat de rechtbank Rotterdam bevoegd is om over het geschil te oordelen. 5.3. Ten aanzien van de vraag naar het toepasselijke recht met betrekking tot de vorderingen tegen [bedrijf B 1] is de Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing op verbintenissen uit overeenkomst in burgerlijke en handelszaken (Rome I-Vo) van toepassing. Op grond van artikel 4 lid 1 onder a Rome I-Vo is Nederlands recht van toepassing. 5.4. Ten aanzien van de vraag naar het toepasselijke recht met betrekking tot de vorderingen tegen [bedrijf B 2] en [persoon B] is de Rome II-Vo van toepassing (Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 inzake het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen). [bedrijf B 2] en [persoon B] gaan uit van de toepasselijkheid van Nederlands recht op hun rechtsrelatie. Zij hebben hun standpunten naar Nederlands recht bepleit. Nederlands recht is daarom van toepassing (artikel 14 Rome II-Vo). De vorderingen op [bedrijf B 1] 5.5. [persoon A] legt aan zijn vordering op [bedrijf B 1] de volgende stellingen ten grondslag. [persoon A] heeft diensten verricht in opdracht van [bedrijf B 1] . De facturen met betrekking tot de geleverde diensten in de periode tussen augustus 2022 en augustus 2023 zijn (geheel of gedeeltelijk) onbetaald gebleven. 5.6. [bedrijf B 1] heeft de vorderingen voor een gedeelte van € 163.669,90 erkend. Dit gedeelte van de vordering is dan ook toewijsbaar. 5.7. Tegen het overige gedeelte van de vordering, te weten € 51.187,17, heeft [bedrijf B 1] verweer gevoerd: Voor een gedeelte van € 20.000,00 heeft zij een beroep gedaan op verrekening, in verband met volgens haar door [persoon A] veroorzaakte schade aan een plafond. Een gedeelte van € 26.897,47 heeft [bedrijf B 1] betwist, omdat zij de verschuldigdheid van de laatste drie door [persoon A] gezonden facturen van in totaal € 26.897,47 betwist, aangezien [persoon A] in de desbetreffende periode niet voor [bedrijf B 1] zou hebben gewerkt. Voor het restant, van in totaal € 4.289,70, heeft [bedrijf B 1] deels een beroep gedaan op verrekening en deels in rekening gebrachte bedragen betwist. 5.8. Tot slot heeft [bedrijf B 1] nog een beroep gedaan op verrekening van het erkende bedrag van € 163.669,90 met een bedrag van in totaal € 21.910,27. Dit bedrag ziet op twee vorderingen die zij gecedeerd heeft gekregen van de vof. Hierop ziet ook de tegenvordering van [bedrijf B 1] . 5.9. De rechtbank gaat hierna per onderdeel in op de betwistingen en verweren van [bedrijf B 1] . Verrekening schade plafond 5.10. [bedrijf B 1] heeft aangevoerd dat zij een bedrag van € 20.000,00 op de factuur met nummer 10/2023 onbetaald heeft gelaten, omdat [persoon A] haar dit verschuldigd was. [persoon A] had een door hem beschadigd systeemplafond moeten herstellen en heeft dat nagelaten. [bedrijf B 1] heeft daarom de herstelwerkzaamheden zelf uitgevoerd en [persoon A] hiervoor een factuur van € 20.000,00 gezonden. [persoon A] heeft ingestemd met verrekening van deze factuur, aldus [bedrijf B 1] . 5.11. [persoon A] erkent dat er schade is opgetreden aan het desbetreffende plafond, maar betwist de hoogte van de kosten van de herstelwerkzaamheden. Hij voert ook aan dat hij niet in de gelegenheid is gesteld de herstelwerkzaamheden uit te voeren en dat [persoon B] niet heeft laten zien wat de derde, die de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, in rekening heeft gebracht bij [persoon B] . Er is dus geen sprake van een rechtsgeldige verrekening. 5.12. Het beroep op verrekening is een bevrijdend verweer, waarvan de stelplicht en (in voorkomend geval) bewijslast op [bedrijf B 1] rusten. De rechtbank oordeelt dat [bedrijf B 1] haar stelling dat zij € 20.000,00 schade heeft geleden onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. De enkele factuur van haarzelf aan [persoon A] (zie productie 16 van [bedrijf B 1] ) is, gelet op de betwisting van [persoon A] , onvoldoende. De zoon van [persoon A] heeft ter zitting namens zijn vader aangevoerd dat hij zelf naar de bouwmarkt is gegaan en dat hij daar aan materiaal en uren voor het herstel aan het plafond zou zijn uitgekomen op een bedrag van € 3.000,00. Omdat de rechtbank geen andere aanknopingspunten heeft, schat zij de kosten voor het herstel van de schade aan het plafond op € 3.000,00. Voor dit bedrag is het beroep van [bedrijf B 1] op verrekening dus geslaagd en de vordering van [persoon A] is voor dit gedeelte dan ook niet toewijsbaar, voor het overige (€ 17.000,00) wel. De laatste drie facturen 5.13. [bedrijf B 1] heeft betwist dat zij de laatste drie door [persoon A] gefactureerde bedragen met factuurnummers 34/2023, 35/2023 en 36/2023 verschuldigd is, omdat [persoon A] in de periode waarop deze facturen zien niet voor [bedrijf B 1] heeft gewerkt. Volgens [bedrijf B 1] had zij toen haar activiteiten al beëindigd, namelijk per 30 juni 2023. 5.14. [persoon A] heeft ter onderbouwing van zijn vordering een aantal Whatsapp-berichten overgelegd, waaruit zou blijken dat hij ook na 30 juni 2023 nog werkzaamheden verrichtte voor [bedrijf B 1] . Ter zitting heeft de zoon van [persoon A] namens zijn vader verklaard dat deze facturen zagen op het afronden van een opdracht tot het bouwen van een complete meubelzaak. Volgens [persoon A] was dat project op 30 juni 2023 nog niet af en moest hij van [bedrijf B 1] het project afmaken. [bedrijf B 1] heeft bij conclusie van antwoord aangevoerd dat voor zover [persoon A] werkzaamheden heeft verricht in de desbetreffende periode, hij deze in rekening moet brengen bij de Mandemakers Groep, omdat deze die activiteiten heeft overgenomen. 5.15. De advocaat van [bedrijf B 1] heeft ter zitting verklaard dat er na 30 juni 2023 nog wel “kruimelwerk” door [persoon A] werd verricht, maar dat [bedrijf B 1] na die tijd geen nieuwe opdrachten aan [persoon A] heeft verstrekt. Op de vraag van de rechtbank wat onder “kruimelwerk” moest worden verstaan, antwoordde [persoon B] : “Wij wilden netjes afhandelen wat er nog gaande was ten opzichte van onze klanten.” De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf B 1] hiermee onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij de desbetreffende facturen verschuldigd is. 5.16. De werkzaamheden zijn verricht binnen een door [bedrijf B 1] gegeven project. Dat [persoon A] een factuur aan [bedrijf B 1] heeft gezonden voor die werkzaamheden is daarom begrijpelijk. [persoon A] heeft er naar redelijkheid op mogen vertrouwen dat dat onder de lopende opdracht viel en dat [bedrijf B 1] in dat kader als contractpartij van [persoon A] heeft te gelden. [bedrijf B 1] heeft [persoon A] er blijkbaar niet (tijdig) op gewezen dat hij betaling zou moeten vragen aan Mandemakers Groep. In deze procedure blijft in het midden of [bedrijf B 1] op haar beurt betaling van Mandemakers Groep zou kunnen verlangen. 5.17. De conclusie is dus dat dit gedeelte van de vordering, te weten € 26.897,47, toewijsbaar is. Restant 5.18. [persoon B] c.s. heeft hierover het volgende aangevoerd. - Ten aanzien van factuur 38/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 180,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] teveel reistijd in rekening heeft gebracht. Daarover is met [persoon A] op 22 oktober 2022 in Waalwijk bij Piet Klerkx gesproken. [persoon A] stemde in met creditering van dit bedrag. - Ten aanzien van factuur 49/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 423,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] dat bedrag aan [bedrijf B 1] was verschuldigd voor de koop van gereedschap voor zichzelf ten laste van de rekening van [bedrijf B 1] . Met instemming van [persoon A] heeft [bedrijf B 1] dit bedrag verrekend met factuur 49/2022. - Ten aanzien van factuur 54/2022 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 352,00 niet heeft betaald, omdat [persoon A] ten onrechte personeel op zaterdag tegen een tarief van 150% heeft laten werken zonder toestemming van [bedrijf B 1] . Daar is [persoon A] op aangesproken en hij stemde ermee in dat [bedrijf B 1] een tarief van 100% zou betalen. - Ten aanzien van factuur 21/2023 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 734,70 niet heeft betaald, omdat een deel van de gefactureerde werkzaamheden niet goed was uitgevoerd, zoals door [persoon A] erkend. Toen [persoon A] desondanks de herstelwerkzaamheden wel factureerde, heeft [bedrijf B 1] [persoon A] gebeld, waarna [persoon A] erkende dat hij vergeten was zijn administratie op de hoogte te brengen en ermee instemde dat de factuur met € 734,70 zou worden verminderd. - Ten aanzien van factuur 23/2023 geldt dat [bedrijf B 1] een bedrag van € 2.600,00 niet heeft betaald, omdat met deze factuur ten onrechte uren voor de inzet van personeel in rekening zijn gebracht, omdat daar geen toestemming voor was gegeven. Verder zijn met deze factuur uren in rekening gebracht samenhangende met het vergeten van gereedschap en materiaal. [bedrijf B 1] heeft daar niet mee ingestemd, waardoor zij het gedeelte van € 2.600,00 niet heeft betaald. 5.19. [persoon A] betwist dat hij heeft ingestemd met de door [bedrijf B 1] aangevoerde crediteringen en verrekeningen, zoals weergegeven in 5.18. Omdat niets is vastgelegd, is het het woord van [bedrijf B 1] tegenover het woord van [persoon A] . De rechtbank ziet evenwel meer steun voor de stellingen van [bedrijf B 1] dan voor die van [persoon A] . [persoon A] heeft niet betwist dat over voornoemde discussiepunten is gesproken en dat [bedrijf B 1] de desbetreffende facturen voor het overige wel heeft voldaan. [persoon A] heeft nog aangevoerd dat [bedrijf B 1] op 22 augustus 2023 heeft erkend dat alle facturen zouden worden voldaan, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat dat ook zag op de (delen van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.