Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 83.066039.23 Datum uitspraak: 14 oktober 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] op [geboortedatum] 1983, zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] te [woonplaats] , [land] , raadsman mr. M.L. van Gessel, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 juli 2024 en 30 september 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. van der Zwan heeft gevorderd: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen met dien verstande dat de tenlastegelegde periode dient te worden beperkt tot de periode van 19 maart 2020 tot en met 26 november 2021; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 60 maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een geldboete van € 100.000,-. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt verdediging Het ten laste gelegde medeplegen van gewoontewitwassen kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. De feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om daaruit een gerechtvaardigd vermoeden te kunnen ontlenen dat de voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. De werkwijze van de verdachte kan ook worden verklaard als ondergronds bankieren. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken. Subsidiair dient de verdachte (partieel) te worden vrijgesproken ten aanzien van de transacties zoals die volgen uit de chatberichten die niet worden ondersteund door enig ander bewijsmiddel in het dossier, zoals bevestigende foto’s. Wanneer het bewijs voor een concrete transactie enkel wordt gebaseerd op de inhoud van de chatberichten is er sprake van slechts één bron en daarmee onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. 4.1.2. Beoordeling Met de verdediging en het Openbaar Ministerie is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte de gebruiker was van de Encrochat-accounts [accountnaam 1] en [accountnaam 2] en (later) van de Sky-ECC accounts [accountnaam 3] , [accountnaam 4] en [accountnaam 5] . Verder volgt uit de berichtgeving via deze accounts dat zij zich bezighield met een vorm van ondergronds bankieren. Daarbij ging het om overdrachten van contant geld ter hoogte van in totaal ongeveer € 2.826.044 en (vervolgens) van cryptovaluta ter hoogte van ongeveer 216,23 BTC (hierna: ‘de voorwerpen’). De communicatie daarover liep via anonieme, versleutelde communicatienetwerken; eerst via Encrochat en later via Sky-ECC. De eerste chatberichten zijn verstuurd op 19 maart 2020 en de laatste op 8 maart 2021. Uit de berichten volgen geen, althans onvoldoende, aanwijzingen voor een concreet gronddelict. Criminele herkomst Dat er sprake is geweest van een vorm van ondergronds bankieren is op zichzelf onvoldoende om te oordelen dat er sprake is geweest van een criminele herkomst van de voorwerpen (ECLI:NL:HR:2014:3044). Daarvoor is meer nodig. De vraag is of er in het onderhavige geval voldoende indicatoren zijn om een vermoeden te rechtvaardigen dat er sprake is van een criminele herkomst van de voorwerpen. In de praktijk is er een vorm van ondergronds bankieren ontwikkeld die niet (noodzakelijkerwijs) de overdracht van criminele gelden betreft, veelal aangeduid als ‘hawala-bankieren’. Ook bij hawala-bankieren wordt geld buiten het gereguleerde circuit van financiële instellingen om overgedragen, om moverende redenen van de gebruikers, zoals bijvoorbeeld een gebrek aan vertrouwen in financiële instellingen, lagere commissies, de onmogelijkheid van overdracht van gelden tussen twee landen (bijvoorbeeld in verband met sancties), etc. Dit kunnen ook legaal verdiende gelden voor een legaal doeleind betreffen, zoals zogeheten remittances. Om die reden is het feit dat er sprake is van ondergronds bankieren op zichzelf onvoldoende bewijs om aan te nemen dat er sprake is van een criminele herkomst van de gelden, maar, anders dan de verdediging stelt, is het wel (ook) een indicator waarop het vermoeden van een criminele herkomst van de voorwerpen mede kan worden gebaseerd. Immers, het is een feit van algemene bekendheid is dat het ondergronds bankieren ook wijdverspreid is in de criminele wereld en daar gebruikt wordt om geldtransacties te onttrekken aan het zicht van toezichthoudende instanties. In de onderhavige zaak volgen meer indicatoren voor de criminele herkomst van de genoemde voorwerpen. Veel van de overdrachten van de contante gelden vonden plaats op wisselende openbare plekken, door de verdachte zelf, of door een geldkoerier. Dergelijke geldoverdrachten in het openbaar van grote contante geldbedragen brengt grote veiligheidsrisico’s met zich en zijn overigens niet noodzakelijk voor ondergronds bankieren van legale gelden. Het gebruik van tokens bij de overdracht van gelden, zoals blijkt uit de chats, evenmin. Beiden zijn indicatoren van een criminele herkomst van de gelden. Ook het gebruik van versluierd taalgebruik in de chats en bitcoins, in combinatie met het gebruik van de versleutelde communicatienetwerken Encrochat en Sky-ECC (waarvan inmiddels vaststaat dat beiden met name op grote schaal in de criminele wereld gebruikt werden) zijn aanwijzingen dat men een grote mate van verhulling en anonimiteit zocht bij de overdracht van de voorwerpen. Ook dat is niet kenmerkend voor het ondergronds bankieren van legale gelden en is een indicator van een criminele herkomst van de voorwerpen. Voor de conclusie dat er sprake was van een vorm van ondergronds bankieren van legale gelden (hawala-bankieren) biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt, noch voor de legale herkomst van de voorwerpen. Al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat er een gerechtvaardigd vermoeden bestaat dat de voorwerpen een criminele herkomst hadden. Daar tegenover heeft de verdachte in het geheel geen verklaring afgelegd. Bij gebrek aan een concrete, verifieerbare verklaring van de verdachte omtrent de legale herkomst van de voorwerpen was nader onderzoek door het Openbaar Ministerie niet mogelijk en niet nodig. Daarmee kan met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Transacties op zichzelf bekeken Anders dan de verdediging heeft betoogd is het niet nodig om elke transactie op zichzelf te bekijken en te onderbouwen met twee of meer bewijsmiddelen. Slechts de tenlastelegging als geheel moet ondersteund worden door twee of meer bewijsmiddelen. Nog daargelaten dat de bitcoin-transacties worden ondersteund door de blockchainanalyses en dat er voor wat betreft de contante overdrachten sprake is van een duidelijke, zelfde modus operandi van de verdachte bij alle transacties. Ten laste gelegde periode Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank aanleiding om de bewezenverklaarde periode te beperken tot de periode van de chatberichten voornoemd. Er is weliswaar aanleiding om te veronderstellen dat de ontvanger van de voorwerpen het witwassen heeft voortgezet – de officier van justitie verwees naar het voortdurende karakter van witwassen – maar de rol van de verdachte was bij het door haar uitgevoerde ondergrondse bankieren eindig op het moment van de betreffende overdrachten, zodat niet geoordeeld kan worden dat zij nadien alleen, dan wel in vereniging, het witwassen van de voorwerpen heeft voortgezet. Voor zover het witwassen is voortgezet had zij daarbij geen rol, althans daarvoor is geen wettig en overtuigend bewijs. 4.1.3. Conclusie De verweren worden verworpen en de ten laste gelegde periode wordt beperkt van 19 maart 2020 tot en met 8 maart 2021. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: zij in of omstreeks de periode van 19 maart 2020 tot en met 8 maart 2021 te Amstelveen en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen althans eenmaal (van) een voorwerp (en), te weten in totaal (ongeveer) 216,23 bitcoins (ter waarde van in totaal ongeveer 2.000.000 euro), althans een grote hoeveelheid bitcoins en/of (een) contant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.