Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2025:12331
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/7251 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 oktober 2025 in de zaak tussen [verzoeker] - [bedrijf 1], uit Rotterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. E. van Brandwijk), en de burgemeester van Rotterdam, de burgemeester (gemachtigde: mr. A. Wintjes).
Samenvatting 1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een vergunning voor het bedrijf van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De burgemeester heeft de vergunning mogen afwijzen in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten, en in verband met een negatieve beïnvloeding van de leefbaarheid in het gebeid. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2.
2.1.
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een vergunning op grond van artikel 2:36 van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) voor zijn bedrijf. De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 19 augustus 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De burgemeester heeft nadere stukken en een verweerschrift ingediend.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 2 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van de burgemeester, mr. Y.S. Man en [naam] namens de burgemeester.
Beoordeling door de voorzieningenrechter Wat is er gebeurd?
Waar gaat het in deze zaak om?
Standpunt verzoeker 5. Verzoeker voert allereerst aan dat het aanwijzingsbesluit van 3 juli 2023 onvoldoende is gemotiveerd. De vergunningplicht is niet noodzakelijk, evenwichtig of evenredig. Verzoeker erkent dat hij het DOR niet altijd heeft bijgehouden, maar dat er nooit sprake is geweest van gestolen goederen. De vergunningaanvraag ziet alleen maar op [bedrijf 1]. De burgemeester heeft daarbij onvoldoende aangetoond dat de aangetroffen auto’s in de openbare ruimte aan verzoeker en zijn bedrijf kunnen worden toegeschreven. Uit de constateringen blijkt verder onvoldoende dat sprake is van een vrees voor verstoring van de openbare orde en de veiligheid. De kans op herhaling van de constateringen is klein. De overtredingen van [bedrijf 2] zijn ten onrechte in de besluitvorming meegenomen. Het inmiddels opgeheven [bedrijf 2] deed namelijk in- en verkoop, en het bedrijf van verzoeker doet APK, reparatie en onderhoud. Ook is ten onrechte een overtreding van de Wet milieubeheer uit 2020 meegenomen in de besluitvorming. De belangenafweging is onvolledig. Er is geen koppeling gemaakt met de gestelde overlast en de vrees voor de openbare orde. Verzoeker is volledig afhankelijk van de inkomsten uit zijn bedrijf. Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat de begunstigingstermijn onredelijk is. De burgemeester heeft geen onderzoek gedaan naar welke termijn voor verzoeker reëel zou zijn om zijn bedrijfsactiviteiten bijvoorbeeld te verplaatsen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af 6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopige karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
Wat zijn de toepasselijke regels?
Wat vindt de voorzieningenrechter inhoudelijk van de zaak?
12.1.
Verzoeker heeft de aanvraag, zoals blijkt uit het aanvraagformulier, ingediend voor het bedrijf [bedrijf 1] gevestigd aan de [adres 1].
12.2.
Uit het dossier blijkt dat verzoeker meermaals door de burgemeester is gewezen op zijn verplichting om het DOR bij te houden. De burgemeester heeft op 15 januari 2021 het bedrijf van verzoeker voor de duur van twee weken gesloten en op 7 oktober 2024 en 27 mei 2025 een bestuurlijke waarschuwing opgelegd in verband met het niet naleven van de verplichting tot het bijhouden van het DOR. Verzoeker erkent dat hij het DOR niet altijd juist of volledig heeft bijgehouden, maar dat er nooit sprake is geweest van gestolen goederen. Op dit moment houdt hij de DOR wel bij. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgmeester de sluiting van het pand en de bestuurlijke waarschuwingen bij de besluitvorming mogen betrekken. Gelet op artikel 2:67 van de APV is verzoeker verplicht het DOR bij te houden. Het doel van het DOR is juist om diefstal en heling te bestrijden. Door niet alle goederen te registeren kan niet aan dit doel worden voldaan. Verzoeker is meerdere malen gewaarschuwd, ook begin dit jaar nog, om zich aan deze verplichting te houden.
12.3.
Daarnaast zijn er meerdere rapportages opgemaakt door onder andere toezichthouders en de wijkagent in verband met de overlast die wordt ervaren van de in de openbare ruimte geparkeerde auto’s. In een aantal van deze rapportages worden de aangetroffen auto’s in verband gebracht met [bedrijf 2] en [bedrijf 1]. De wijkagent schrijft in zijn mutatierapport van 25 maart 2025 bijvoorbeeld dat hij de afgelopen jaren meerdere klachten van ondernemers rondom de [adres 1] heeft ontvangen over de in de openbare ruimte geparkeerde auto’s die op de bedrijfsvoorraad van de twee bedrijven staan. De wijkagent somt vervolgens een aantal auto’s uit de bedrijfsvoorraad van een van de bedrijven op die op 18 maart 2025 binnen een straal van 50 tot 100 meter van de betrokken bedrijven stonden. Hoewel niet in alle rapportages van de toezichthouders het verband tussen de aangetroffen auto’s en de twee bedrijven concreet wordt gemaakt, gebeurt dit in een aantal rapportages wel. De voorzieningenrechter ziet daarom voldoende verband tussen de bedrijven en de aangetroffen auto’s. Verzoeker kan daarbij niet gevolgd worden in zijn standpunt dat de gemeente hem onvoldoende heeft aangesproken op de geparkeerde auto’s. Uit het dossier blijkt namelijk dat verzoeker in ieder geval in persoon is aangesproken door de toezichthouder over de ervaren overlast.
12.4.
De voorzieningenrechter ziet geen reden om te oordelen dat de constateringen ten aanzien van [bedrijf 2] niet meegenomen mochten worden gelet op de omstandigheid dat het bedrijf inmiddels is opgeheven. [bedrijf 2] was gevestigd op het adres [adres 2]. In het dossier zitten huurovereenkomsten waarbij verzoeker, handelend onder de naam [bedrijf 1], zowel [adres 2] als [adres 3] sinds 2016 en 2020 huurt. Verzoeker heeft de vergunning bovendien aangevraagd voor beide adressen. Daar komt bij dat verzoeker vennoot was van [bedrijf 2], dat hij samen met zijn broer runde. Gelet op deze verwevenheid tussen de twee bedrijven en de betrokkenheid van verzoeker bij deze twee bedrijven, mocht de burgemeester de constateringen ten aanzien van [bedrijf 2] meewegen bij de vergunningaanvraag van verzoeker. Dat de bedrijven zich zouden richtten op verschillende werkzaamheden maakt dit niet anders, aangezien alsnog auto’s van de bedrijfsvoorraad van [bedrijf 2] zijn aangetroffen in de openbare ruimte.
12.5.
Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester heeft kunnen bepalen dat de vergunning in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten, en in verband met een negatieve beïnvloeding van de leefbaarheid in het gebied, moet worden afgewezen. Dat verzoeker niet direct in verband wordt gebracht met criminele activiteiten die aan de vergunningplicht ten grondslag liggen, maakt dat niet anders. De burgemeester kan een vergunning namelijk afwijzen op grond van de in de APV opgenomen grondslagen, in dit geval artikel 2:36, vierde lid, onder a en b, van de APV.
12.6.
Ook het standpunt van verzoeker dat stukken omtrent de overtreding van verzoeker van Wet milieubeheer niet in het dossier zijn gevoegd maken het bovenstaande niet anders. Hoewel deze stukken inderdaad in het dossier ontbreken, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet naleven van de verplichting van het bijhouden van het DOR en de geconstateerde overlast van de geparkeerde auto’s voldoende is om aan (een van de) weigeringsgronden ten grondslag te leggen.
Conclusie en gevolgen 15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de afwijzing van de vergunningaanvraag door de burgemeester vooralsnog in stand blijft. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.D.F. Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2025.
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke regelgeving Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde; b. in het belang van de openbare veiligheid; c. in het belang van de volksgezondheid; d. in het belang van de bescherming van het milieu; e. indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
Artikel 2:36 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat […] 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; […] Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.
Zie artikel 5:2 van de APV voor nadere regels over het parkeren van voertuigen van een bedrijf op de weg.