RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/679677 / HA ZA 24-457 Vonnis van 22 oktober 2025 in de zaak van DWHR HOLDING B.V., gevestigd in Werkendam, eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, advocaat mr. M.M.N.C. Schellekens, tegen 1 [gedaagde 1], wonende in Hoogvliet Rotterdam,2. de rechtspersoon naar buitenlands recht [gedaagde 2] , gevestigd in Plovdiv, Bulgarije,3. [gedaagde 3], gevestigd in Den Haag,4. [gedaagde 4], gevestigd in Den Haag,5. [gedaagde 5], gevestigd in Den Haag, gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie, advocaat mr. J. du Bois. Eiseres wordt nog steeds aangeduid als DWHR en gedaagden gezamenlijk als [gedaagden] Afzonderlijk worden gedaagden aangeduid als [gedaagde 1] (gedaagde 1), [gedaagde 2] (gedaagde 2), [gedaagde 3] (gedaagde 3), [gedaagde 4] (gedaagde 4) en [gedaagde 5] (gedaagde 5). 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 9 juli 2025 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken; - de akte uitlaten na tussenvonnis van DWHR; - de antwoordakte van [gedaagden]; - het B16-formulier waarbij DWHR bezwaar maakt tegen de inhoud van de antwoordakte van [gedaagden] 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie Het tussenvonnis van 9 juli 2025 2.1. In het tussenvonnis van 9 juli 2025 (hierna: het tussenvonnis) is DWHR in de gelegenheid gesteld inzichtelijk te maken dat de schade die zij door de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van drie schriftelijke geldleningovereenkomsten met [gedaagde 4] lijdt, gelijk is aan de bedragen van die geldleningen van tezamen € 525.000,00 (vermeerderd met de rente die DWHR bij dagvaarding over dat bedrag vorderde). De achtergrond daarvan is dat deze geldleningen op drie verschillende, in de toekomst gelegen data opeisbaar zijn en dat toewijzing van de vordering tot vervangende schadevergoeding tot voornoemd bedrag, zou betekenen dat DWHR nu al over de bedragen van die geldleningen kan beschikken, terwijl zij anders pas in de toekomst over die bedragen zou beschikken. 2.2. Daarnaast diende DWHR op grond van het tussenvonnis kort en bondig inzichtelijk te maken welke beslagkosten op welke gedaagden betrekking hebben, onder verwijzing naar de relevante, reeds overgelegde producties. 2.3. Hierna zal eerst worden ingegaan op de omvang van de hiervoor bedoelde vervangende schadevergoeding. Schade door toerekenbaar tekortschieten in schriftelijke geldleningsovereenkomsten 2.4. In haar akte uitlaten na tussenvonnis merkt DWHR allereerst op dat het op basis van de geldleningsovereenkomst van 13 oktober 2021 uitgeleende bedrag niet € 50.000,00 maar € 60.000,00 is. [gedaagden] zijn hier in hun antwoordakte niet op ingegaan. De rechtbank heeft in het tussenvonnis (zie 2.13) onder de vaststaande feiten in dit kader een bedrag van € 50.000,00 vermeld. DWHR heeft het in de dagvaarding evenwel over een bedrag van € 60.000,00 en dat is ook het bedrag dat in de als productie 21 overgelegde geldleningsovereenkomst staat. Er is hier dan ook sprake van een kennelijke vergissing van de rechtbank. Dat volgt ook daaruit dat de rechtbank wel is uitgegaan van het juiste totaalbedrag van de drie schriftelijke geldleningsovereenkomsten (€ 525.000,00). Waar in 2.13 van het tussenvonnis € 50.000,00 staat, moet daarvoor dan ook € 60.000,00 gelezen worden. 2.5. Ten aanzien van de onder 2.1 bedoelde schadevergoeding heeft DWHR gesteld dat deze gelijk is aan de bedragen van de geldleningen, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4% over de volledige looptijd van vijf jaar van elk van die geldleningsovereenkomsten. Dat leidt volgens DWHR tot een schadebedrag voor de drie geldleningen tezamen van € 632.128,87. 2.6. [gedaagden] hebben in hun antwoordakte wel een aantal (nieuwe) verweren tegen het bestaan van de hier bedoelde vorderingen uit hoofde van geldlening en de in dat kader verschuldigde rente naar voren gebracht, maar zijn niet ingegaan op de berekening die DWHR in haar akte heeft gemaakt van de omvang van de schade. 2.7. Tegen de achtergrond van rechtsoverweging 5.19 van haar tussenvonnis, begrijpt de rechtbank de berekening van DWHR zo dat volgens haar de vervangende schadevergoeding gelijk is aan het bedrag dat DWHR zou hebben kunnen vorderen na afloop van de looptijd van vijf jaar van de onderscheidenlijke, drie schriftelijke geldleningsovereenkomsten, zonder tussentijdse aflossingen. Dat is het totaal van de hoofdsommen van elk van die geldleningen, vermeerderd met de in de overeenkomsten opgenomen rente van 4% per jaar over de volledige looptijd van vijf jaar, resulterend in een bedrag van in totaal € 632.128,87. 2.8. Die berekening van de schade komt de rechtbank niet onjuist voor. In de geldleningsovereenkomsten zijn geen afspraken gemaakt over tussentijdse aflossing of tussentijdse afrekening van rente. Kennelijk zijn er ook nooit tussentijdse aflossingen of rentebetalingen gedaan. De veronderstelling dat DWHR aan het einde van de looptijd van de geldleningsovereenkomsten, nog recht zou hebben op de volledige hoofdsom inclusief rente over de volledige looptijd van de geldleningsovereenkomsten, komt de rechtbank dan ook juist voor. Als het daarmee gemoeide bedrag van € 632.128,87 nu als vervangende schadevergoeding zouden worden toegewezen, betekent dit wel dat DWHR nu al over dat bedrag kan beschikken. De vraag die daarbij rijst is of en in hoeverre DWHR voordeel heeft van het eerder kunnen beschikken over die bedragen. Van belang bij beantwoording van die vraag is dat de geldleningsovereenkomsten binnen één tot tweeëneenhalf jaar na heden opeisbaar zouden zijn geworden. Het komt de rechtbank aannemelijk voor dat de eventuele opbrengsten die DWHR in die periode met de bedragen van de geldleningen zou kunnen genereren, gecorrigeerd voor inflatie, per saldo nihil zijn. Er moet immers rekening worden gehouden met zowel de rente als de inflatie. Gelet op de relatief lage rentestand voor korte periodes als hiervoor bedoeld voor tegoeden op bedrijfsmatige bankrekeningen, in verhouding tot de huidige inflatie, zijn die opbrengsten naar inschatting van de rechtbank te verwaarlozen. Nu [gedaagden] hiertegen in hun akte overigens ook geen verweer hebben gevoerd, gaat de rechtbank er van uit dat het bedrag van € 632.128,87 de schade is waar DWHR in dit kader aanspraak op heeft. Dat bedrag zal dus worden toegewezen. De hierover door DWHR gevorderde wettelijke rente (ex art. 6:119 BW) vanaf de dag van dagvaarding zal worden toegewezen nu deze opeisbaar is en hiertegen door [gedaagden] geen verweer is gevoerd. 2.9. Hetgeen door [gedaagden] in hun antwoordakte verder naar voren is gebracht, staat nu niet meer ter beoordeling. [gedaagden] brengen (nieuwe) verweren naar voren over het al of niet bestaan van de geldleningen en de verschuldigdheid van rente. Dat is evenwel een gepasseerd station. Deze verweren van [gedaagden] zijn al beoordeeld in het tussenvonnis. De overeengekomen contractuele rente, als onderdeel van de vervangende schadevergoeding, is hiervoor onder 2.7 en 2.8 ook in de beoordeling meegenomen. Voor zover het om nieuwe verweren gaat, geldt dat [gedaagden] voldoende in de gelegenheid geweest zijn om deze verweren vóór het tussenvonnis te voeren. Het nu voeren van die verweren, wat daar inhoudelijk overigens ook van zij, is te laat. Dit betekent ook dat op het bezwaar van DWHR tegen dit onderdeel van de akte van [gedaagden] niet meer hoeft te worden beslist. 2.10. Voor zover [gedaagden] de rechtbank hiermee verzoeken om in het tussenvonnis gegeven, bindende eindbeslissingen te heroverwegen, geldt dat niet gesteld of gebleken is dat deze beslissingen op juridisch of feitelijk onjuiste grondslagen zijn gebaseerd. Voor heroverweging is dan ook geen plaats. Ambtshalve ziet de rechtbank hiervoor evenmin aanleiding. Samenvatting beslissingen 2.11. Uit het tussenvonnis en hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat hierna de volgende beslissingen zullen worden gegeven. Schriftelijke leningsovereenkomsten 2.12. [gedaagde 4] zal worden veroordeeld tot betaling van € 632.128,87 (zie 2.8 van dit vonnis), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding (26 februari 2024). Mondelinge geldleningsovereenkomsten 2.13. [gedaagde 4] zal worden veroordeeld tot betaling van € 464.000,00, [gedaagde 1] tot betaling van € 175.673,01 en [gedaagde 2] tot betaling van € 6.216,67 aan DWHR, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 5 april 2024 (zie 5.23 en 5.24 van het tussenvonnis). 2.14. Gelet op hetgeen in 2.12 is overwogen, wordt [gedaagde 4] dus veroordeeld tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.096.128,87 (€ 632.128,87 plus € 464.000,00) en tot betaling van wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over een bedrag van € 632.128,87 vanaf 26 februari 2024 en over een bedrag van € 464.000,00 vanaf 5 april 2024. Koopsom voor de aandelen van DWHR in [gedaagde 4] 2.15. [gedaagde 5] zal worden veroordeeld tot betaling van € 40.000,00 aan DWHR (zie 5.25 van het tussenvonnis). Pauliana en Turboliquidatie 2.16. De vordering tot vernietiging van de rechtshandeling(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.