← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:12576

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 23/3687 en ROT 23/3688 tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2025 in de zaken tussen [eiser 1] , uit [locatie] , de Vereniging, (gemachtigde: mr. E.F.A. Linssen-van Rossum), [eiser 2] , uit [locatie] , de Stichting, (gemachtigde: [naam gemachtigde] ), gezamenlijk te noemen: eisers en Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college, (gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks). Procesverloop

  1. Bij besluit van 24 maart 2020 (het primaire besluit) is aan [bedrijf] (vergunninghoudster) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’. Bij afzonderlijke besluiten van 14 juli 2021 (inzake de Stichting) en 21 juli 2021 (inzake de Vereniging) (de bestreden besluiten) heeft het college de bezwaren van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. 1.
  2. Eisers hebben bij afzonderlijke beroepschriften beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 1.
  3. De rechtbank heeft de beroepen op 22 september 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens de Vereniging [persoon A] en [persoon B] , de gemachtigde van de Stichting bijgestaan door ir. M.G.M. Ruijters, [persoon C] en [persoon D] en de gemachtigde van het college. 1.
  4. Na de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien de onderhavige procedures op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen nu de beroepsgronden overeenkomen, zoals ook ter zitting tot uitdrukking is gekomen. Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit
  5. Op 23 december 2019 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘Bouwen’ op de locatie [adres] te [locatie] (de locatie). Vergunninghoudster is voornemens om de woning op de locatie te vergroten door een dakopbouw te plaatsen.
  6. Het college heeft bij het primaire besluit de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘Bouwen’ en ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ op de locatie. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en onder c, juncto artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, vierde lid, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Volgens het college kan er aan het plan medewerking worden verleend, omdat de voorgestelde dakvorm goed in het straatbeeld past en zich duidelijk relateert aan de bestaande architectuur. Ook zijn de dakkapellen in het zijdakvlak voldoende uit het zicht en daarom niet duidelijk zichtbaar vanuit de openbare ruimte. Aan de achterzijde zit de genoemde overschrijding van de goothoogte. Desalniettemin sluit de voorgestelde dakvorm naadloos aan op het bestaande volume/architectuur. Hier vertoont het gebouw gelijkaardige kenmerken als het dak van twee aangrenzende buren. Ruimtelijk gezien is het plan volgens het college dan ook voorstelbaar.
  7. Eisers konden zich met het primaire besluit niet verenigen en hebben daarom ieder afzonderlijk bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.
  8. Naar aanleiding van de bezwaren van eisers, waarbij zij twee deskundige tegenadviezen hebben overgelegd van respectievelijk ir. M.G.M. Ruijters (Ruijters) en ir. E.J. Nusselder (Nusselder), heeft de bezwaarschriftencommissie op 3 november 2020 en op 1 december 2020 hoorzittingen gehouden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 4 mei 2021 een advies uitgebracht, waarin geadviseerd is de bezwaren van eisers ongegrond te verklaren. 5.
  9. Bij de bestreden besluiten heeft het college het advies van de bezwaarschriftencommissie gevolgd en de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten. Toetsingskader
  10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 december
  11. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
  12. Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak. Zorgvuldigheid/motivering
  13. De Vereniging stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarnaast ook een deugdelijke motivering mist. De Vereniging voert hiertoe aan dat zij niet was uitgenodigd bij de hoorzitting van 3 november 2020 en dat zij van de op haar verzoek georganiseerde hoorzitting van 1 december 2020 geen verslag heeft ontvangen. In het advies van de bezwaarschriftencommissie is nauwelijks ingegaan op het bezwaar van de Vereniging en dat is ook niet in de conclusie van het advies opgenomen. 8.
  14. Het betoog van de Vereniging slaagt niet. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het advies van de bezwaarschriftencommissie volgt uit pagina 1 dat het bezwaar van de Vereniging

(0043)ontvankelijk is maar ongegrond. Dat de Vereniging niet in de conclusie is opgenomen is juist, maar leidt de rechtbank niet tot het oordeel dat het bestreden besluit daarom onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verder stelt de rechtbank vast dat in het dossier een e-mail van de Vereniging van 29 oktober 2020 zit waaruit volgt dat de Vereniging opmerkt dat zij niet is uitgenodigd op de zitting van 3 november
  1. Daarnaast schrijft de Vereniging in voormelde e-mail ‘tot 3 november aanstaande’. Ter zitting heeft de Vereniging verklaard dat zij in de veronderstelling was dat het college de zaken apart wilde houden. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de Vereniging op de hoogte was van de hoorzitting van 3 november
  2. De Vereniging is daar niet naartoe gegaan, wat het college niet valt aan te rekenen. Voorts volgt uit het advies van de bezwaarschriftencommissie dat op 1 december 2020 een aparte hoorzitting voor de Vereniging heeft plaatsgevonden. Het college heeft bij haar verweerschrift van 15 december 2021 het verslag van de hoorzitting van 1 december 2020 overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de Vereniging niet op het verslag van de hoorzitting van 1 december 2020 heeft gereageerd, ook niet in de aanloop naar de zitting bij de rechtbank. De rechtbank is niet gebleken dat de Vereniging in beroep niet alles heeft kunnen aanvoeren wat zij heeft willen aanvoeren, zodat geconcludeerd wordt dat de belangen van de Vereniging niet zijn geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen sprake van onzorgvuldigheid of een ondeugdelijke motivering. Bouw- en goothoogte
  3. Eisers stellen zich op het standpunt dat de bouw- en goothoogte niet per pand op de verbeelding zijn gemotiveerd. In dit kader stellen zij ook dat de afwerkingshoogte het NAP had moeten zijn in plaats van het maaiveld. De door het college gebruikte programma Panoramio bestaat inmiddels niet meer, zodat de opnames niet meer geraadpleegd en geactualiseerd kunnen worden. Omdat het bestemmingsplan Statenkwartier (het bestemmingsplan) een beschermend bestemmingsplan is, is het volgens eisers de vraag in hoeverre de bescherming nog geborgd is met de regels van de dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’. 9.
  4. Het betoog van eisers slaagt niet. Op grond van artikel 2.4 van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouw(onder)delen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouw(onder)delen. Op grond van artikel 2.6 van de planregels wordt de goothoogte van een gebouw gemeten vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Uit de verbeelding volgt dat voor het gebouw op de locatie een maximale bouwhoogte van 14 meter geldt en een maximale goothoogte van 11 meter. Het college heeft ter zitting verklaard dat geen sprake is van een foute verbeelding en dat conform de planregels is gemeten. Nu eisers hun stelling dat niet op de juiste wijze is gemeten niet hebben onderbouwd, wordt uitgegaan van wat het college hierover stelt. Bestemmingsplan
  5. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college, ondanks dat zij onjuistheden in het bestemmingsplan heeft toegegeven, zich ten onrechte toch houdt aan de regels van het bestemmingsplan. Eiser voeren verder aan dat omdat de verbeelding van het beschermde bestemmingsplan ondergeschikt is aan de regels van het plan, het de vraag is in hoeverre het college haar besluit mag baseren op alleen de aanduiding van de bouwhoogte uitgelegd als onvervreemdbaar bouwrecht. 10.
  6. Het betoog van eisers slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan onherroepelijk is en dat het bestemmingsplan zelf niet ter toetsing voorligt. Dat achteraf, naar eisers stellen, onjuistheden in het bestemmingsplan zijn geconstateerd, maakt dat niet anders. De stelling van eisers dat de verbeelding ondergeschikt is aan de planregels, volgt de rechtbank niet. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 27 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4006) volgt dat bij de uitleg van het bestemmingsplan de tekst van de planregels en de verbeelding leidend zijn. Zelfstandige woning en splitsing
  7. Eisers stellen zich op het standpunt dat er een kapverdieping wordt toegevoegd als dakopbouw terwijl dat niet is toegestaan. Omdat een kapverdieping wordt voorgesteld die geen bouwlaag is, kan er geen zelfstandige woning gemaakt worden. Evenmin kan de kapverdieping een gesplitste woning bevatten. 11.
  8. Het betoog van eisers slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zijn een aanvraag en de daarbij behorende bouwtekeningen leidend voor het college voor de beoordeling van de omvang van een aanvraag voor een omgevingsvergunning (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:5). Het college heeft in haar verweerschrift toegelicht dat de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op het plaatsen van een dakopbouw en niet ziet op het splitsen van het gebouw in meerdere wooneenheden. De rechtbank volgt het college hierin. Uit de bouwtekeningen volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat met het plaatsen van een dakopbouw er sprake zal zijn van een zelfstandige woning. Voorts heeft het college in haar verweerschrift nog toegelicht dat in artikel 3 van de Beleidsregel bouwkundig splitsen dakopbouwen is bepaald dat binnen tien jaar na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het vergroten van een bestaande woning door middel van een dakopbouw, het college geen medewerking zal verlenen aan een aanvraag voor een omgevingsvergunning tot het splitsen van de betreffende woning met dakopbouw in meerdere zelfstandige woningen. Het college heeft er ook op gewezen dat in de huidige Huisvestingsverordening Den Haag 2019 een splitsingsverbod is opgenomen voor onder andere het Statenkwartier. Ter zitting heeft het college verder nog meegedeeld dat er tot op dat moment geen aanvraag is ingediend voor een omgevingsvergunning tot splitsing van de woning op de locatie. Sloopvergunning torentje
  9. Eisers stellen zich op het standpunt dat het torentje op het pand op de locatie ten onrechte is gesloopt. Eisers voeren hiertoe aan dat het college ten onrechte heeft gesteld dat voor het slopen van het torentje geen omgevingsvergunning is vereist. Het standpunt van het college dat geen omgevingsvergunning is vereist omdat het torentje wordt vervangen door een dakopbouw (zodat er geen onbebouwde ruimte ontstaat) en dat daarom artikel 2.1, aanhef en onder h, van de Wabo niet van toepassing is, dat zegt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht, is volgens eisers onjuist. Eisers voeren verder aan dat de sloop van het torentje voorkomen had kunnen worden als het college zich had gerealiseerd dat een omgevingsvergunning niet kon worden afgegeven zonder sloopvergunning. 12.
  10. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvraag om een omgevingsvergunning leidend is. Uit de aanvraag volgt niet dat vergunninghoudster met haar aanvraag ook een sloopvergunning heeft willen aanvragen. Op grond van artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. Van onlosmakelijke samenhang is sprake als één feitelijke handeling per definitie in meerdere vergunningplichten als bedoeld in artikel 2.1 of artikel 2.2 van de Wabo resulteert. Het moet daarbij gaan om activiteiten die in juridische zin onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Dit is het geval als de activiteiten fysiek en volgtijdelijk niet van elkaar te onderscheiden zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is de sloop van het torentje niet onlosmakelijk verbonden met de bouw van de dakopbouw. Vergunninghoudster was daarom niet gehouden in één aanvraag een omgevingsvergunning te vragen voor het slopen van het torentje en het bouwen van de dakopbouw. De rechtbank komt gelet op het voorgaande niet toe aan de beoordeling van de vraag of het college rekening had moeten houden met een sloopvergunning. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een kwestie van handhaving. Welstand
  11. Eisers stellen zich op het standpunt dat het college niet op het welstandsadvies heeft mogen afgaan. Het welstandsadvies is onzorgvuldig tot stand gekomen. Eisers stellen dat de dakopbouw niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De welstandscommissie heeft zich volgens eisers ten onrechte niet uitgelaten over de vormgeving van de gevel van de dakopbouw in relatie tot de onderliggende gevel. Het welstandsadvies is geen advies op grond van de Welstandsnota Den Haag (Welstandsnota) te hanteren criteria. Ook stellen eisers dat de welstandscommissie geen aandacht heeft besteed aan het door hen opgeworpen bezwaar dat de dakopbouw wordt opgetrokken in een Rijksbeschermd stadsgezicht. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het bouwplan binnen de bescherming van het Rijksbeschermd stadsgezicht past. Het college had moeten nagaan of een dakopbouw op het pand op de locatie cultuurhistorisch verantwoord was. Daarnaast heeft het college ten onrechte niet onderkend dat het hier gaat om het bouwen van een dakopbouw op een pand dat deel uit maakt van een karakteristiek ensemble. Het college heeft ten onrechte geen aandacht besteed aan de consequenties voor de ritmiek van het ensemble. Verder is de welstandscommissie onvoldoende ingegaan op het overgelegd deskundige tegenadvies van Nusselder van 1 mei
  12. Dit alles maakt dat volgens eisers van een goede ruimtelijke ordening geen sprake is. 13.
  13. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:RVS:2024:2336) volgt dat, hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, het college op dat advies mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. 13.
  14. Uit het welstandsadvies, waar melding van wordt gemaakt in het primaire besluit, volgt, kort gezegd, het volgende. De welstandscommissie heeft aangegeven dat zij het bouwplan getoetst heeft aan de Welstandsnota en het bouwplan beoordeeld heeft in het kader van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie (in welk kader artikel 25.1 en artikel 25.2, onderdeel d en e, van het bestemmingsplan bepalend zijn). De welstandscommissie heeft positief geadviseerd over de hoofdvorm en de architectonische uitwerking van de extra bouwlaag. Volgens de welstandscommissie vormt de kapvorm met aan de achterzijde een rechte gevel een met de bestaande bebouwing overtuigend nieuw geheel. De gekozen materialen en de detaillering daarvan sluiten volgens de welstandscommissie goed aan bij de architectuur van het pand en bij (de kwaliteit van) de omgeving. Volgens de welstandscommissie voegt de opbouw zich goed in de pleinwand. In reactie op de bezwaarschriften/(tegen)adviezen heeft de welstandscommissie bij brief van 22 oktober 2020 meegedeeld dat het positieve advies betrekking heeft op een kapverdieping met dezelfde hellingshoeken als bij het buurpand, bekleed met leien, met een oplossing voor de hoekkepers als bij het huidige torentje en voorzien van een dakrand als bij het buurpand. De welstandscommissie heeft verder nog toegelicht dat er geen sprake is van een totaal afwijzende toevoeging, maar dat het een passende kapverdieping is. De dakkapellen zijn volgens de welstandscommissie geen kopieën van dakkapellen die in de directe omgeving voorkomen. De dakkapellen zijn abstracte toevoegingen, gedetailleerd in zink, op een manier die past bij de kwaliteit van de architectuur van het individuele pand. Het past volgens de welstandscommissie bij de levendige diversiteit aan dakkapellen in de omgeving. In reactie op het tegenadvies van Ruijters merkt de welstandscommissie verder op dat de dakopbouw een toevoeging is aan de oorspronkelijke, deels getransformeerde bebouwing. De hoofdvorm van de dakopbouw is die van een kapverdieping, met hellingen, met leien gedekt en voorzien van een dakrand, zoals in de directe omgeving voorkomen. De voorzijde van de kapverdieping is voorzien van een topgevel en een dakkapel. Beide elementen vertonen volgens de welstandscommissie samenhang met de architectuur van het onderliggende pand en met de omgeving. Volgens de welstandscommissie ontstaat een nieuw samenhangend gevelbeeld. 13.
  15. Het college heeft zich in haar verweerschrift op het standpunt gesteld dat de welstandscommissie heeft beoordeeld of de beoogde wijzigingen van het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand zoals opgenomen in de Welstandsnota. Daarnaast heeft de welstandscommissie het bouwplan getoetst in het kader van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie. Het advies van Nusselder is voorgelegd aan de welstandscommissie en de welstandscommissie heeft daarop gereageerd. Het college is van mening dat het advies van de welstandscommissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. 13.
  16. De rechtbank volgt het college niet en is van oordeel dat uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende welstandsadviezen onvoldoende duidelijk wordt waarom het bouwplan binnen het Rijksbeschermd stadsgezicht past en dat daarmee de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast, zoals artikel 25.3 van het bestemmingsplan voorschrijft. Uit de welstandsadviezen blijkt dat de welstandcommissie het bouwplan zou hebben beoordeeld in het kader van de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie, maar uit de adviezen blijkt dat vooral naar de detaillering van het bouwplan is gekeken en de wijze waarop die aansluit op het betrokken pand en de direct naastgelegen panden. Niet blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar de vraag of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn. De rechtbank is met eisers van oordeel dat uit de welstandsadviezen evenmin blijkt dat de welstandscommissie heeft gekeken naar het karakteristieke ensemble. Verder volgt uit de welstandsadviezen dat de welstandscommissie in haar stukken meerdere termen gebruikt, zoals kapverdieping, dakkapellen, dakopbouw en extra bouwlaag. Door het gebruik van deze verschillende termen, die een andere betekenis hebben met een eigen beoordelingskader, is het de rechtbank niet duidelijk waar precies aan is getoetst. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt dat de welstandscommissie voldoende is ingegaan op het advies van Nusselder. De welstandscommissie verwijst in haar advies van 22 oktober 2020 ten aanzien van de onderdelen A en B van de algemene criteria uit de Welstandsnota naar ‘haar reactie op het bezwaarschrift van de Stichting’. Deze reactie is echter niet ingebracht. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek ten grondslag ligt, wat leidt tot een zorgvuldigheidsgebrek, en dat het niet wordt gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering zodat er ook sprake is van een motiveringsgebrek. Conclusie en gevolgen Bestuurlijke lus
  17. Zoals hiervoor onder 13 is overwogen is, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
  18. Om de gebreken te herstellen, moet het college nader onderzoek doen naar de vraag of, en zo ja, hoe het bouwplan zich verhoudt tot de specifieke cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht. Daarbij dient breder te worden gekeken dan alleen naar het betrokken pand en de direct naastgelegen bebouwing. Hierin dient ook beoordeeld te worden of het bouwplan in de bredere omgeving past die behoort tot het beschermd stadsgezicht, waartoe in ieder geval ook delen van de wijk behoren van waaruit de dakopbouw zichtbaar zal zijn De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.
  19. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb en om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, aan de rechtbank meedelen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
  20. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat betekent dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Dit geldt ook voor de verzoeken van eisers om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Beslissing De rechtbank:  draagt het college op de rechtbank binnen twee weken mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten te herstellen;  stelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van hetgeen is overwogen in deze tussenuitspraak;  houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. H.M. Hsu, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober
  21. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een bouwwerk in een beschermd stads- of dorpsgezicht Op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien c. de activiteit in strijd is met - voor zover van belang - het bestemmingsplan, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.
  22. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a en onder 2, van de Wabo, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Op grond van artikel 2.16 van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder g of h, worden geweigerd indien naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Het Besluit omgevingsrecht (Bor) Artikel 4 van Bijlage II van het Bor: Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: (…)
  23. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; Bestemmingsplan Statenkwartier (bestemmingsplan) De locatie is gesitueerd in het bestemmingsplan Statenkwartier en heeft hierin de enkelbestemming ‘Gemengd-2’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde-Archeologie-2’ en ‘Waarde-Cultuurhistorie’. De maximale bouwhoogte is 14 meter en de maximale goothoogte is 11 meter. Artikel 7.2.1 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: de gebouwen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden gebouwd; de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven; ter plaatse van de bouwaanduiding "onderdoorgang" (ond) is een onderdoorgang toegestaan. Artikel 25.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 26, mede bestemd voor: behoud en bescherming van de cultuurhistorische waarden van het Rijksbeschermd stadsgezicht 's-Gravenhage, zoals beschreven in het aanwijzingsbesluit van 26 juli 1996 met de bijbehorende toelichting, als opgenomen in de bijlagen 6, 7 en 8 bij de regels van dit plan; behoud en bescherming van karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in bijlage 12 bij de regels van dit plan. Artikel 25.2 Bouwregels Voor het bouwen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' als bedoeld in artikel 25.1 gelden de volgende regels: het bouwen moet plaatsvinden met inachtneming van de cultuurhistorische waarden als bedoeld in artikel 25.1; daar waar op de verbeelding een goothoogte is aangegeven, dient de kapvorm in stand gehouden te blijven; indien het bouwen betrekking heeft op de uiterlijke verschijningsvorm van een bouwwerk dient voorafgaande aan het bouwen over de cultuurhistorische waarden als bedoeld in voornoemd aanwijzingsbesluit en de toelichting daarop, advies te worden ingewonnen bij de commissie als bedoeld in artikel 1, lid 9 van de Monumentenverordening Den Haag of een deskundige op het gebied van de Monumentenzorg; in aanvulling op het in voorafgaande sub-leden gestelde, dient bij karakteristieke panden of ensembles zoals opgenomen in bijlage 12 bij de regels van dit plan, de naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gevelindeling en de kapvorm gehandhaafd te blijven; in uitzondering op het gestelde in sub b en d mag de aldaar omschreven gevelindeling en/of kapvorm worden aangepast, indien en voor zover ter plaatse van het pand of de panden op de verbeelding een specifieke bouwaanduiding-dakopbouw of een hogere goot- en/of bouwhoogte ten opzichte van de bestaande bebouwing is opgenomen en die aanpassingen uitsluitend op het optoppen van de bebouwing betrekking hebben; het bepaalde onder a geldt niet indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden en bouwwerken; het gestelde in voorafgaande sub-leden heeft, bij strijdigheid daarmee, voorrang op de algemene bouwregels zoals opgenomen in artikel 28 van dit plan en de algemene afwijkingsregels zoals opgenomen in artikel 31 van dit plan. Artikel 25.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van artikel 25.2 onder d ten behoeve van een afwijkende naar openbaar toegankelijk gebied gerichte gevelindeling en kapvorm, mits naar het oordeel van de commissie als hiervoor bedoeld of een deskundige op het gebied van de Monumentenzorg, de oorspronkelijke waardevolle karakteristiek van het pand of ensemble niet wordt aangetast. Artikel 31.1 Afwijken van de in het plan opgenomen bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de regels van het plan ten behoeve van: het afwijken van voorgeschreven maten ten aanzien van goot- en/of bouwhoogten en perceelsgrensafstanden en bebouwingspercentages met maximaal 10 %; geringe afwijkingen van bestemmingsgrenzen, bouwvlakken, functieaanduidingen en maatvoeringsvlakken tot een maximum van 1 meter; beneden peil gelegen ruimten ruimtes in één laag, voor zover gelegen buiten een bouwvlak; e plaatsing van installaties voor mobiele telecommunicatie op gebouwen die als gemeentelijk-, provinciaal- of rijksmonument zijn aangewezen en/of zijn gelegen in een rijksbeschermd stadsgezicht, mits het monumentale karakter van de bebouwing en/of het ensemble waar de bebouwing deel van uitmaakt niet in onevenredige mate wordt aangetast; bouwwerken ten dienste van nutsvoorzieningen, zoals transformatorhuisjes, elektriciteitsvoorzieningen, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer met een maximale bouwhoogte van 5 meter en een maximum oppervlakte van 30 m2.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.