Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2025:12608
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/4625 uitspraak van de meervoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiser, (gemachtigden: mr. J.L. Baar en mr. C. Karlas), en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister (gemachtigden: mr. I.M. van der Heijden en mr. A.G. Seegers).
Samenvatting 1.1.
Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister tot het vaststellen van de subsidie op nihil en de terugvordering van het als voorschot uitbetaalde subsidiebedrag. Eiser is het hier niet mee eens.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde stukken niet kan worden opgemaakt dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht en dat de terugvordering van het gehele subsidiebedrag niet onevenredig is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.3.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop 2.1.
De minister heeft met het primaire besluit van 20 april 2023 de subsidie vastgesteld op € 0,- en het verstrekte voorschot van € 72.967,54 teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 28 maart 2024 op het bezwaar van eiser is de minister hierbij, met verbeterde motivering, gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4.
Op 7 augustus 2025 heeft de minister een verzoek van eiser tot opschorting van de uit het bestreden besluit voortkomende betalingsverplichting afgewezen. Op grond van artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van eiser mede betrekking op dit besluit. Het door eiser ingediende verzoek om voorlopige voorziening komt hiermee te vervallen.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2025 op zitting behandeld gelijktijdig met de zaken 24/4750, 24/9461 en 24/9187. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigden van eiser en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit.
3.1.
Op 20 juni 2021 heeft eiser verzocht om een subsidie op grond van de Subsidieregeling Coronabanen in de zorg (hierna: de Subsidieregeling 2021). Deze regeling voorziet in de financiering voor het uitvoeren van extra taken als gevolg van de coronabeperkingen en regels. Coronabanen zijn banen waar geen of beperkte scholing voor nodig is, maar die als voornaamste doel hebben om op korte termijn verlichting te bieden aan de cruciale sectoren die overbelast zijn. Er moet worden voorkomen dat deze sectoren stilvallen: dit zou namelijk een grote impact op de maatschappij hebben. Als gevolg van deze aanpak kunnen mensen die op dat moment geen werk hebben of niet naar hun werk kunnen gaan als gevolg van de coronacrisis toch tijdelijk aan de slag. Met deze regeling is ook invulling gegeven aan een motie die oproept tot het creëren van tijdelijke crisisbanen.
3.2.
Bij besluit van 16 september 2021 heeft de minister de aanvraag van eiser ingewilligd en een subsidie verleend van € 72.967,54 voor 3 coronabanen in de zorg binnen de periode van 1 juni 2021 tot en met 31 december 2021. Dit bedrag is als voorschot verstrekt, in afwachting van de definitieve vaststelling van de subsidie.
3.3.
Eiser heeft de minister op 25 mei 2022 verzocht de subsidie definitief vast te stellen op € 72.689,54.
3.4.
De minister heeft een steekproef uitgevoerd waarbinnen ook eiser is verzocht tot het aanleveren van nadere stukken.
3.5.
Bij het primaire besluit heeft de minister de subsidie vastgesteld op nihil omdat uit de in de steekproef aangeleverde stukken niet gebleken is dat aan de subsidievoorwaarden is voldaan. De detacheringsbureaus waar eiser gebruik van heeft gemaakt hadden gedurende de uitleenperiode geen personeel in dienst. Het al betaalde voorschot heeft de minister teruggevorderd. Eiser is daarnaast ter signalering opgenomen in de interne departementale registratie van misbruik en oneigenlijk gebruik (M&O). Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.6.
De minister heeft, onder verwijzing naar het advies van de commissie bezwaarschriften van 14 maart 2024, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft aangetoond dat de aangevoerde activiteiten voor de Subsidieregeling 2021 daadwerkelijk zijn verricht. De detacheringsovereenkomst met [naam bureau 1] voldoet niet aan de voorwaarden omdat deze is aangegaan voor een periode van één maand. Uit de detacheringsovereenkomst met [naam bureau 2] blijkt niet dat die ziet op een specifiek, natuurlijk persoon die de coronabaan zou gaan uitvoeren. Bovendien gaat het om zogenaamde mantelovereenkomsten. De mantelovereenkomsten zijn onvoldoende onderscheidend en op basis daarvan kan onvoldoende worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is geweest van detachering van werknemers in het kader van coronabanen. De medewerker in loondienst was niet werkzaam in een ondersteunende (boven formatieve) functie die een directe link had met de coronacrisis. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarde dat de geldende cao van toepassing is verklaard.
Het beroep van eiser.
Eiser richt zich ook tegen de gang van zaken omtrent de steekproef. Eiser betwist dat deze op juiste wijze is uitgevoerd en stelt dat sprake is van strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel omdat pas op een laat moment in de procedure om bepaalde stukken is verzocht.
Meer inhoudelijk stelt eiser dat de minister de subsidie ten onrechte op nihil heeft gesteld en het gehele voorschot heeft teruggevorderd. Samenvattend voert eiser aan dat uit de door hem overgelegde stukken voldoende blijkt dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht. Van hem kan niet gevraagd worden dat hij ook de overeenkomsten tussen de detacheringsbureaus en zijn werknemers verstrekt. Ten aanzien van de medewerkster die bij eiser in loondienst is stelt eiser zich op het standpunt dat uit de arbeidsovereenkomst blijkt dat het gaat om een functie die op grond van de Subsidieregeling 2021 in aanmerking komt voor subsidie. Ook aan de overige vereisten uit de Subsidieregeling 2021 is voldaan.
Ten aanzien van de terugvordering voert eiser aan dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt. De terugvordering van het volledige subsidiebedrag zal het einde van eisers eenmanszaak tot gevolg hebben en ook eiser persoonlijk met schulden achterlaten. Dit is onevenredig. Bovendien wordt eiser door de registratie in het M&O ten onrechte als fraudeur bestempeld.
Beoordeling van de gronden van beroep.
5.1.
De rechtbank beoordeelt aan de hand van de hierboven weergegeven beroepsgronden van eiser of het bestreden besluit in stand kan blijven. Allereerst zal worden ingegaan op de gronden van eiser ten aanzien van de grondslag van het besluit en de steekproef. Vervolgens vindt een inhoudelijke beoordeling van de subsidievoorwaarden plaats en tot slot beoordeelt de rechtbank de terugvordering.
5.2.
Voor een weergave van de toepasselijke (wettelijke) bepalingen verwijst de rechtbank naar de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Heroverweging in bezwaar.
Is de steekproef rechtmatig?
7.1.
Uit artikel 12, vierde en vijfde lid van de Subsidieregeling 2021 volgt dat de minister binnen 22 weken op de aanvraag tot vaststelling dient te beslissen en dat de minister in dat verband een steekproef kan uitvoeren. Vast staat dat in deze zaak de steekproef (ruim) na de beslistermijn van 22 weken heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de rechtbank betekent dit niet dat de steekproef onrechtmatig is en de minister de bevindingen naar aanleiding van deze steekproef niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De genoemde termijn van 22 weken is geen fatale termijn, maar moet aangemerkt worden als een termijn van orde. De termijnoverschrijding doet daarom niet af aan de bevoegdheid van de minister om de steekproef uit te voeren.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het kader van de steekproef eiser onder meer verzocht heeft om een onderbouwing van de loonkosten en de detacheringskosten. Eiser heeft ten aanzien van de medewerker in loondienst onder andere een arbeidsovereenkomst, salarisspecificaties en een jaaropgave verstrekt. Ten aanzien van de twee detacheringsmedewerkers heeft eiser onder meer overeenkomsten tussen hem en de detacheringsbureaus [naam bureau 1] en [naam bureau 2] verstrekt. Omdat de minister dit onvoldoende vond is in de bezwaarfase verzocht om de contracten tussen de werknemers en de detacheringsbureaus. Naar oordeel van de rechtbank is dit niet onzorgvuldig of in strijd met het rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel. Eiser stelt terecht dat de Subsidieregeling 2021 dan wel andere regelingeving niet verplicht tot het overleggen van deze stukken, de bewijslast of de subsidiabele activiteiten zijn verricht ligt echter wel bij eiser. Met zijn vraag om nadere stukken heeft de minister eiser nogmaals gelegenheid geboden om in zijn bewijslast te voorzien. De rechtbank wijst er daarbij op dat aan het bestreden besluit niet ten grondslag is gelegd dat eiser de overeenkomsten tussen de werknemers en detacheerders niet heeft overgelegd, maar dat niet is gebleken dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht. Eiser kan dit ook met andere stukken onderbouwen.
Zijn de subsidiabele activiteiten aangetoond?
Gedetacheerde werknemers.
8.1.
De door eiser overgelegde overeenkomsten met de detacheringsbureaus zijn zogenaamde mantelovereenkomsten. Dat wil zeggen dat deze overeenkomsten algemeen van aard zijn en niet specifiek zien op de gedetacheerde werknemer. De mantelovereenkomsten zijn onvoldoende onderscheidend. Ook de overgelegde facturen bevatten geen informatie, zoals een naam of personeelsnummer, die verwijzen naar de persoon die de functie heeft vervuld. De minister stelt terecht dat niet te controleren is dat de werkzaamheden daadwerkelijk door natuurlijke personen zijn uitgevoerd. Daarmee blijft onduidelijk wie, wanneer, welke (ondersteunende) werkzaamheden heeft verricht. Op de zitting heeft eiser desgevraagd ook niet kunnen aangegeven welke personen, naast werknemer [persoon A] , hem tijdens de coronaperiode ondersteuning hebben geboden.
8.2.
Wat eiser heeft opgemerkt over de overeenkomsten met [naam bureau 1] zal de rechtbank niet bespreken omdat eiser daarin geen informatie geeft over de persoon die de functie vervulde.
Werknemer in loondienst.
8.3.
De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de functie van de medewerker in loondienst niet aangemerkt kan worden als een coronabaan als bedoeld in de Subsidieregeling 2021. Eiser heeft zowel op zijn aanvraag om vaststelling van de subsidie als op zijn verklaring over de begeleiding aangegeven dat ‘de medewerkster in de loop van de periode zelfstandig cliënten kon verzorgen en begeleiden’.
Het zelfstandig verzorgen en begeleiden van cliënten duidt op het uitoefenen van een volwaardige functie, terwijl een coronabaan een boven formatieve functie is om tijdelijke ondersteuning te bieden. De later door eiser overgelegde stukken doen hier niet aan af. Voor zover eiser stelt dat de medewerker in loondienst in elk geval in het begin van de gewerkte periode niet zelfstandig functioneerde en dus subsidiabele activiteiten heeft verricht, wordt opgemerkt dat niet kan worden vastgesteld voor welke maanden dit wel en niet het geval was.
8.4.
Omdat, zoals hierboven is overwogen, niet is gebleken dat de subsidiabele activiteiten hebben plaatsgevonden heeft de minister de subsidie op nihil kunnen vaststellen.
Het register van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Voor zover het beroep van eiser zich dus richt op de registratie in het interne niet openbare register M&O, is de rechtbank onbevoegd hiervan kennis te nemen.
Terugvordering.
Evenredigheid.
Het besluit over de opschorting van de betalingsverplichting.
12.1.
De minister heeft bij besluit van 7 augustus 2025 beslist op een door eiser ingediend verzoek om opschorting van de betalingsverplichting. Dit verzoek is afgewezen omdat uit de door eiser aangeleverde financiële stukken onvoldoende blijkt dat eiser niet aan de betalingsverplichting kan voldoen. Omdat het verzoek van eiser en het besluit van 7 augustus 2025 nadrukkelijk zien op opschorting van de betalingsverplichting tot aan deze uitspraak is het belang van de beoordeling van dit besluit komen te vervallen. Eiser is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot opschorting van de betalingsverplichting. De rechtbank zal zich hier dus niet meer over uitlaten.
12.2.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de minister ter zitting heeft aangegeven dat eiser in beginsel een betalingsregeling voor 36 maanden kan afspreken. Ook een betalingsregeling met een langere looptijd behoort tot de mogelijkheden, maar de noodzaak hiervan zal eiser moeten onderbouwen.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
13.1.
Geschillen behoren binnen een redelijke termijn te worden berecht. Hierbij geldt dat, behoudens bijzondere omstandigheden, de berechting van een zaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien zij niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De termijn vangt in beginsel aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
13.2.
Eiser heeft op 26 mei 2023 zijn bezwaarschrift ingediend. De redelijke termijn eindigde in beginsel op 26 mei 2025. Deze uitspraak wordt gedaan op 23 oktober 2025. Dat betekent dat de redelijke termijn in dit geval is overschreden met bijna 5 maanden.
13.3.
Uitgaande van een tarief van € 500,- per half jaar, of een gedeelte daarvan, dat de redelijke termijn is overschreden leidt de overschrijding van de redelijke termijn met 5 maanden tot een schadevergoeding van in totaal € 500,-. Deze overschrijding komt volledig voor rekening van de minister.
Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover gericht tegen de registratie in de interne departementale registratie van misbruik en oneigenlijk gebruik; verklaart het verzoek tot opschorting van de betalingsverplichting niet-ontvankelijk; verklaart het beroep voor het overige ongegrond; veroordeelt de minister tot vergoeding van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. M. Zoethout en mr. A, Pahladsingh, leden, in aanwezigheid van mr. L. Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
Griffier De voorzitter is verhinderd te tekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: Wettelijk kader Algemene wet bestuursrecht Artikel 4:42 De beschikking tot subsidievaststelling stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde bedrag overeenkomstig afdeling 4.2.7.
Artikel 4:45 1. Bij de aanvraag tot subsidievaststelling toont de aanvrager aan dat de activiteiten hebben plaatsgevonden overeenkomstig de aan de subsidie verbonden verplichtingen, tenzij de subsidie voor de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld.
Artikel 4:46 1. Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, stelt het bestuursorgaan de subsidie overeenkomstig de subsidieverlening vast.
Artikel 4:57 1. Het bestuursorgaan kan onverschuldigd betaalde subsidiebedragen terugvorderen.
Artikel 4:125 1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, heeft mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
Artikel 8:1 Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
Subsidieregeling coronabanen in de zorg Artikel 1 In deze regeling wordt verstaan onder: (…) coronabaan: tijdelijk ondersteunende corona-gerelateerde functie bij een zorgaanbieder (…) periode 2: periode van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 (…) Artikel 3. Subsidiabele activiteiten 1. De minister kan op aanvraag aan een zorgaanbieder een subsidie verstrekken voor het tewerkstellen en begeleiden van werknemers via coronabanen om de continuïteit van zorg tijdens de COVID-19 uitbraak te kunnen waarborgen.
Artikel 4. Subsidievoorwaarden 1. Subsidie wordt enkel verstrekt aan zorgaanbieders die op 1 januari 2021 in het handelsregister stonden ingeschreven met een hoofd- of nevenactiviteit met een SBI-code die in de Bijlage is opgenomen.
Dit volgt allemaal uit de toelichting op de Subsidieregeling, Staatscourant 2021, 9180 Staatscourant 2021, 9180 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen.
Dit volgt uit de toelichting op de Subsidieregeling bij artikel 12 van de Subsidieregeling. Hierin staat dat de zorgaanbieder voor de vaststelling aan de hand van een verklaring inzake werkelijke kosten dient aan te tonen dat de activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de verleende subsidie verbonden verplichtingen en dat de minister daarnaast steekproefsgewijs de verklaring inzake de werkelijke kosten nader kan onderzoeken.
Dit volgt uit de toelichting op de Subsidieregeling bij zowel artikel 1 als artikel 3.
Dit volgt uit artikel 4:46, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht.