← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:12622

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummers: ROT 25/6828 en ROT 25/7127 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 oktober 2025 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen [verzoeker], uit Rotterdam, verzoeker (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (gemachtigde: mr. T. Baltus). Inleiding

  1. Verzoeker is op 14 juni 2025 een bijstandsaanvraag gestart, maar heeft deze aanvraag niet daadwerkelijk ingediend. Het college heeft verzoeker met de brief van 24 juni 2025 meegedeeld dat zij geen aanvraag hebben ontvangen en daarom geen besluit kunnen nemen. De gestarte aanvraag is afgesloten in het systeem. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. (zaak met nummer ROT 25/6828)
  2. Op 26 juni 2025 is verzoeker wederom een bijstandsaanvraag gestart. Ook deze aanvraag is niet daadwerkelijk ingediend. Met de brief van 7 juli 2025 heeft het college verzoeker meegedeeld dat zij geen aanvraag hebben ontvangen en daarom geen besluit kunnen nemen. De gestarte aanvraag is afgesloten in het systeem. Verzoeker heeft ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. (zaak met nummer ROT 25/7127) 2.
  3. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: namens de gemachtigde van verzoeker, mr. N. Talhaoui. De gemachtigde van het college is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
  5. Op grond van artikel 43, eerste lid, van de Participatiewet (Pw) stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.
  6. Volgens vaste rechtspraak volgt uit artikel 44 van de Pw dat de melding en de aanvraag twee te onderscheiden juridische begrippen zijn. Het doen van een melding (schriftelijk of digitaal) betekent niet dat er een aanvraag tot stand komt. Dat is pas het geval als de aanvraag daadwerkelijk wordt ingediend, waarbij een betrokkene zijn gegevens aanvult en bewijsstukken overlegt (bijvoorbeeld bankafschriften).
  7. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 14 juni 2025 en op 26 juni 2025 wel een aanvraag is gestart, maar deze vervolgens heeft afgebroken en niet daadwerkelijk heeft doorgezet. Dit betekent dat geen sprake is van een ingediende aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  8. Omdat verzoeker op de bewuste data geen aanvraag heeft ingediend was het college niet gehouden een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb te nemen. De brieven van 24 juni 2025 en 7 juli 2025 bevatten enkel de mededeling dat geen aanvraag is ingediend en dat de gestarte aanvraag wordt afgesloten. Deze brieven zijn dus geen op rechtsgevolg gericht besluit in de zin van de Awb. De verzoeken om een voorlopige voorziening zijn daarom niet-ontvankelijk. Conclusie en gevolgen
  9. De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de verzoeken niet inhoudelijk in behandeling neemt en geen uitspraak doet over de vraag of verzoeker recht heeft op een bijstandsuitkering of voorschotten daarop. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 oktober
  10. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2269 en 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1381.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.