Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/675306 / FA RK 24-1902 Beschikking van 1 augustus 2025 over het ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats, vervangende toestemming voor verhuizing, de informatie- en zorgregeling in de zaak van: [naam man] , hierna: de man, wonende te [land] , advocaat mr. J.M. Wigman te Den Haag, t e g e n [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. A.L. Weterings te Oegstgeest. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 8 maart 2024; het bericht met bijlagen van de man van 23 juni 2025, tevens inhoudende wijziging en aanvulling van de verzoeken; het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 juni 2025. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 1 juli 2025. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat, waarbij de man zitting via een videoverbinding heeft bijgewoond; de vrouw, bijgestaan door mr. A. Güngörmez, als waarneemster van mr. Weterings, voornoemd; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] . 1.3. Tijdens de mondelinge behandeling zijn door de advocaat van de man pleitaantekeningen overgelegd. 1.4. De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt. Dit gesprek heeft in overleg met partijen na de mondelinge behandeling plaatsgevonden. 2De vaststaande feiten 2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. 2.2. Partijen zijn de ouders van de minderjarige: [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [land] . 2.3. De man heeft de minderjarige erkend. 2.4. De vrouw oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over de minderjarige. 3De beoordeling 3.1. Rechtsmacht en toepasselijk recht 3.1.1. Omdat de man op Aruba woont en de minderjarige op Aruba is geboren en daar in 2024 ook een aantal maanden heeft verbleven heeft deze zaak een interregionaal karakter. Daarom zal de rechtbank eerst beoordelen of zij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek. Als zij hiertoe bevoegd is dan moet zij beoordelen welk recht op het voorliggend verzoek van toepassing is. De rechtbank beantwoordt deze twee vragen op basis van de EU-verordening Brussel II-ter (hierna: Brussel II-ter) en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. De rechtbank verwijst in dit verband naar artikel 10:113 BW waarin is bepaald dat op de bescherming van kinderen onder meer van toepassing zijn het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 en de verordening Brussel II-ter. 3.1.2. Omdat de vrouw ten aanzien van het inleidende verzoek van 8 maart 2024 en ten aanzien van de wijziging en aanvulling hierop van 23 juni 2025 op twee afzonderlijke momenten in staat was om haar rechten te doen gelden voordat de rechter daarover heeft beslist, dient de rechtbank hierna per moment te beoordelen of zij rechtsmacht heeft. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 8 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1594). 3.1.3. Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, moet komen vast te staan waar de minderjarige op 8 maart 2024 en 23 juni 2025 haar gewone verblijfplaats had. Naar het oordeel van de rechtbank is de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland. Dat de minderjarige in 2024 een periode op Aruba heeft verbleven maakt dit oordeel niet anders. Dat rechtbank verwijst in dit verband naar de beschikking van het gerecht in eerste aanleg van Aruba van 26 november 2024 waarin is gemotiveerd dat en waarom de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Ook weegt de rechtbank mee dat partijen het erover eens zijn dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Nu Nederland de gewone verblijfplaats van de minderjarige is, is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van de Brussel II-ter bevoegd om kennis te nemen van het verzoek (van 8 maart 2024) en de aanvulling hierop (van 23 juni 2025). Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is daarop het Nederlandse recht van toepassing. 3.2. Gezag 3.2.1. De man verzoekt te bepalen dat partijen gezamenlijk het gezag over de minderjarige zullen uitoefenen. 3.2.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.2.3. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (
- a)er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (
- b)afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. 3.2.4. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening. Zij moeten hiervoor belangrijke beslissingen over hun kinderen samen kunnen nemen of in ieder geval in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het kind mag in beginsel niet klem of verloren raken tussen de ouders als de ouders dat niet kunnen. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt niet zonder meer met zich dat er geen gezamenlijk gezag kan worden toegekend. 3.2.5. De rechtbank beslist dat de man voortaan samen met de vrouw belangrijke beslissingen mag nemen over de minderjarige. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de man toewijst, omdat zij in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen reden ziet om af te wijken van het wettelijk uitgangspunt van gezamenlijk gezag. 3.2.6. De vrouw stelt dat zij de man niet langer kan vertrouwen. Ter onderbouwing hiervan legt zij een overeenkomst tussen partijen over. De vrouw betoogt dat zij in 2024 met de man had afgesproken dat hij ook het gezag krijgt over de minderjarige. Verder was de afspraak dat de minderjarige bij de man op Aruba blijft tot het einde van het schooljaar 2023/2024 en dat hij ervoor zorgt dat de minderjarige na afloop van het schooljaar onmiddellijk terugkeert naar de vrouw in Nederland. De man heeft in strijd met deze afspraak de minderjarige bij zich gehouden op Aruba en hij is verschillende procedures gestart, aldus de vrouw. Hierdoor is het vertrouwen van de vrouw beschaamd en dreigt de minderjarige volgens de vrouw klem of verloren te raken tussen haar ouders als de man ook het gezag krijgt. De rechtbank begrijpt dat de vrouw nog altijd heel erg boos en verdrietig is over het achterhouden van de minderjarige op Aruba. Wat de man toen heeft gedaan kan absoluut niet door de beugel. Door deze situatie is de minderjarige naar het oordeel van de rechtbank destijds echt klem komen te zitten tussen haar ouders. Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat dit een eenmalig incident is geweest. Er zijn geen aanwijzingen te vinden in het dossier dat de man sindsdien wederom op eigen houtje beslissingen heeft genomen over de minderjarige, met als gevolg dat de minderjarige klem is komen zitten tussen haar ouders. Partijen communiceren met elkaar en de man heeft ook contact met de minderjarige. Ter zitting hebben partijen ten aanzien van een aantal onderwerpen ook overeenstemming bereikt. Dit geeft aan dat er bereidheid bestaat om samen tot afspraken te komen over de minderjarige en dat is wat gezamenlijk gezag inhoudt. Dat de man gerechtelijke procedures is gestart, maakt dit oordeel niet anders. Ouders hebben het recht de rechter om een oordeel te vragen over zaken die hen verdeeld houden. Procederen, ook wanneer dat spanning geeft, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat een ouder ongeschikt is voor het gezag. Dit geldt evenzeer voor de andere argumenten van de vrouw, zoals haar stelling dat zij gewend is om belangrijke beslissingen over de minderjarige alleen te nemen, het beperkte contact tussen de minderjarige en de man, de fysieke afstand en het tijdsverschil tussen partijen. Deze feiten en omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank bovendien geen structurele belemmering voor gezamenlijke besluitvorming. De vrouw heeft niet gemotiveerd waarom het in dit geval anders ligt. 3.2.7. Nu gelet op al het voorgaande ook niet is komen vast te staan dat de man, zoals betoogd door de vrouw, zijn rechten als vader zijnde misbruikt en dat hij dit bij wijziging van het gezag ook zal doen, ziet de rechtbank geen reden om, zoals subsidiair verzocht door de vrouw, de zaak aan te houden zodat partijen kunnen werken aan hun onderlinge communicatie dan wel ten behoeve van onderzoek door de raad over de vraag of het gezamenlijk gezag in het belang is van de minderjarige. De rechtbank is niet gebleken dat partijen niet constructief met elkaar communiceren, integendeel. De rechtbank ziet daarom geen reden om partijen nu eerst via een traject bij Ouderschap Blijft, of Cross Border mediation zoals geadviseerd door de raad, te laten werken aan hun onderlinge communicatie. De rechtbank acht zich, zoals volgt uit het voorgaande, ook voldoende geïnformeerd om een beslissing te nemen te aanzien van het verzoek tot gezamenlijk gezag. 3.3. Hoofdverblijfplaats en vervangende toestemming voor verhuizing 3.3.1. Tijdens de mondelinge behandeling is met partijen besproken dat indien de rechtbank het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag toewijst, zij de beslissing voor wat betreft de verzoeken van de man over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en vervangende toestemming voor verhuizing van de minderjarige naar Aruba zal aanhouden en de zaak zal doorverwijzen voor behandeling naar de meervoudige kamer van de rechtbank. 3.3.2. Partijen hebben na sluiting van de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven beschikbaar te zijn voor de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank op 7 oktober 2025, om 15:00 uur. De rechtbank zal de behandeling van de hiervoor genoemde verzoeken tot die datum aanhouden. 3.4. Zorgregeling 3.4.1. Omdat de man samen met de vrouw het gezag krijgt over de minderjarige, wordt hierna de term ‘zorgregeling’ gebruikt. 3.4.2. De man verzoekt, na wijziging, indien het verzochte door hem over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en vervangende toestemming voor verhuizing van de minderjarige naar Aruba wordt afgewezen, een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige bij de man zal zijn, als volgt: in de zomervakantie: gedurende zes weken aaneengesloten in Aruba; in de meivakantie: gedurende twee weken aaneengesloten (in Nederland); in de kerstvakantie: gedurende twee weken aaneengesloten (in Nederland). 3.4.3. De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt, bij zelfstandig verzoek, te bepalen dat de man de minderjarige bij zich zal hebben, als volgt: in de meivakantie: gedurende twee weken aaneengesloten in Nederland, waarbij de man een maand voorafgaand aan zijn verblijf zijn verblijfgegevens naar de vrouw stuurt en de kosten voor het reizen en het verblijf in Nederland voor zijn rekening komen; in de kerstvakantie: gedurende twee weken aaneengesloten in Nederland, waarbij de man een maand voorafgaand aan zijn verblijf zijn verblijfgegevens naar de vrouw stuurt en de kosten voor het reizen en het verblijf in Nederland voor zijn rekening komen; in de zomervakantie: gedurende drie weken aaneengesloten in Nederland, waarbij de man een maand voorafgaand zijn verblijfsgegevens naar de vrouw stuurt en de kosten voor het reizen en het verblijf in Nederland voor zijn rekening komen. 3.4.4. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven voor nu een voorlopige regeling te willen tot dat door de meervoudige kamer is beslist op de verzoeken van de man ten aanzien van de hoofdverblijfplaats en de vervangende toestemming voor verhuizing. 3.4.5. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de belangenafweging die de rechtbank maakt. 3.4.6. Wat partijen in het kader van de vakantieregeling echt verdeeld houdt is de vraag of de minderjarige in de zomer van 2025 voor zes weken naar Aruba mag om bij de man te verblijven. De rechtbank is van oordeel dat – los van de praktische uitvoerbaarheid van wat de man verzoekt ten aanzien van de zomervakantie van 2025 – het verblijf van de minderjarige op Aruba op dit moment een brug te ver is, gelet op het feit dat man de minderjarige op Aruba heeft achtergehouden en als gevolg hiervan het ontbreken van voldoende vertrouwen in hem vanuit de vrouw. Mocht de man nog deze zomervakantie naar Nederland willen en ook kunnen komen om de minderjarige bij zich te hebben, dan ziet de rechtbank daar geen bezwaar in, mits de man dit bezoek goed afstemt met de vrouw. Daarbij geldt ook, zoals bij ieder verblijf op afstand of in het buitenland, dat hij de vrouw informeert over waar hij met de minderjarige van plan is te gaan verblijven in Nederland. Dat is een verantwoordelijkheid die bij het ouderschap hoort, ongeacht in welk land het contact plaatsvindt. 3.4.7. Ten aanzien van de kerst- en de meivakantie zijn partijen blijkens hun stellingen het erover eens dat de man de minderjarige bij zich mag hebben gedurende twee aaneengesloten weken in Nederland. De rechtbank zal deze overeenstemming tussen partijen als voorlopige regeling opnemen, tot dat de meervoudige kamer een definitieve zorgregeling heeft vastgesteld of partijen onderling een andere afspraak hebben gemaakt. De man heeft geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen het verzochte door de vrouw over het delen van zijn verblijfsgegevens met haar tijdens zijn bezoeken aan Nederland om de minderjarige te zien. De rechtbank zal dit daarom opnemen bij de voorlopige vakantieregeling. De rechtbank zal niet (voorlopig) bepalen dat de man ook verantwoordelijk is voor zijn reis- en verblijfskosten. Of een ouder verantwoordelijk is voor zijn reis- en verblijfskosten is geen geschil over een gezagskwestie als bedoeld in artikel 1:253a BW waarover de rechtbank een beslissing moet nemen. De rechtbank wijst het verzochte in dit verband af. 3.5. Beeldbellen en informatieregeling Partijen hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over de momenten waarop de man en de minderjarige via het beeldbellen contact hebben. Ook hebben zij over de wijze waarop de vrouw de man informeert overeenstemming bereikt. De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen hebben getroffen als voorlopige regeling opnemen in deze beschikking, tot dat de meervoudige kamer een definitieve regeling heeft vastgesteld of partijen onderling een andere afspraak hebben gemaakt. 3.6. Consultatieregeling 3.6.1. De man verzoekt, na wijziging, indien het verzochte door hem over de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en de vervangende toestemming voor verhuizing van de minderjarige naar Aruba wordt afgewezen, een consultatieregeling vast te stellen inhoudende dat de vrouw de man bij elke relevante beslissing met betrekking tot de minderjarige zal consulteren. 3.6.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.6.3. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling ook ten aanzien van dit verzoek desgevraagd aangegeven voor nu een voorlopige regeling te willen. 3.6.4. Op grond van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de gezaghebbende ouders of één van hen bepalen de wijze waarop de ouder bij wie het kind niet zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft wordt geraadpleegd. 3.6.5. Partijen worden gezamenlijk belast met het gezag en moeten elkaar op die grond bij elke relevante beslissing consulteren. Omdat aan de rechtbank geen geschil voorligt over de wijze waarop partijen elkaar moeten raadplegen zal zij het verzochte in verband met de consultatieregeling afwijzen. 3.7. Raadsonderzoek 3.7.1. De man verzoekt de raad voor de kinderbescherming te gelasten om in combinatie/samenwerking met de Voogdijraad (in Aruba) een onderzoek te doen naar de vraag welke hoofdverblijfplaats van de minderjarige het meest in haar belang is en welke zorgregeling er met de andere ouder dient te komen. 3.7.2. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.7.3. Ingevolge artikel 810 Rv kan de rechter in zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd die welke zijn levensonderhoud betreffen, indien hij dit met het oog op de beoordeling van de belangen van de minderjarige noodzakelijk acht, het advies van de raad voor de kinderbescherming inwinnen. Hij kan de raad daartoe in elke stand van de zaak oproepen. 3.7.4. Het verzochte door de man is een procesbeslissing die als zodanig niet door een partij kan worden gedaan. De man is om die reden niet-ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank is op dit moment voldoende geïnformeerd om beslissingen te nemen en ziet op basis van de huidige feiten en omstandigheden ook geen noodzaak om de raad vooruitlopend op de behandeling door de meervoudige kamer nu al te verzoeken om advies of andere bemoeienis. Dit laat onverlet dat de rechtbank in een later stadium de raad alsnog kan verzoeken om advies of andere bemoeienis. 3.8. Proceskosten Omdat ten aanzien van de hoofverblijfplaats, de vervangende toestemming voor verhuizing, de zorgregeling, het beeldbellen en de informatieregeling nog geen eindbeslissing wordt gegeven, wordt nu ook nog geen beslissing genomen over de proceskosten. 4De beslissing De rechtbank: 4.1. wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarige in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarige vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen; 4.2. bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister; 4.3. neemt op als voorlopige regeling, tot dat door de meervoudige kamer anders is beslist of partijen anders overeen zijn gekomen, de overeenstemming tussen partijen, te weten dat: - de man de minderjarige bij zich zal hebben als volgt: - in de meivakantie: gedurende twee weken aaneengesloten in Nederland, waarbij de man een maand voorafgaand aan zijn verblijf zijn verblijfgegevens naar de vrouw stuurt; - in de kerstvakantie: gedurende twee weken aaneengesloten in Nederland, waarbij de man een maand voorafgaand aan zijn verblijf zijn verblijfgegevens naar de vrouw stuurt; de man drie keer in de week op dinsdag en donderdag tussen 17:00 en 19:00 uur en op zaterdag of zondag op een willekeurig tijdstip (Nederlandse tijd) beeldbelt met de minderjarige, waarvan minstens twee keer zonder aanwezigheid van derden; de vrouw de man maandelijks op de eerste van de maand per e-mail zal informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige, zoals haar sociale en cognitieve ontwikkeling, medische zaken, voortgang op school met afschrift van schoolrapporten en overige relevante en (leuke) gebeurtenissen; de vrouw de man maandelijks op de eerste van de maand per e-mail drie leuke, actuele en goedgelijkende digitale foto’s van de minderjarige zal sturen; 4.4. verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten; 4.5. wijst af het verzoek van de man om: - de minderjarige in de zomervakantie van 2025 gedurende zes weken aaneengesloten in Aruba bij zich te hebben; - een consultatieregeling vast te stellen; 4.6. wijst af het verzoek van de vrouw met betrekking tot de kosten voor het reizen en het verblijf in Nederland van de man; 4.7. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; en alvorens verder te beslissen: 4.8. bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van de hoofverblijfplaats, de vervangende toestemming voor verhuizing, de definitieve zorgregeling, het beeldbellen en de definitieve informatieregeling, wordt aangehouden tot de mondelinge behandeling van de meervoudige kamer op dinsdag 7 oktober 2025 om 15.00 uur, welke behandeling zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan het Wilhelminaplein 100-125; 4.9. de zaak zal op laatstgenoemde mondelinge behandeling, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. H.C.A. de Groot, mr. S.L. Raphael en mr. S.J. Huizenga, rechters tevens kinderrechters; 4.10. bepaalt dat een kopie van deze beschikking zal gelden als oproep voor partijen, hun advocaten en de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht; 4.11. verwijst de zaak naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Deze beschikking is gegeven door mr. dr. S. Wahedi, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. B.J. Louter, griffier, op 1 augustus 2025. Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat. Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.