← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:12840

vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/704101 / KG ZA 25-772 Vonnis van 6 augustus 2025 in de zaak van [staatsbedrijf N] , handelend onder de naam [handelsnaam N], gevestigd te [vestigingsplaats] , Iran , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat: mr. A. Taheri-Bhajan te Capelle aan den IJssel, tegen HEUVEL VASTGOED B.V., gevestigd te Deventer, gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaten: mrs. J.J. Bakker en G.R.M.W.J. Sola te Amsterdam. Eiseres wordt hierna [staatsbedrijf N] genoemd en gedaagde Heuvel. 1De procedure 1.

  1. De voorzieningenrechter heeft op 31 juli 2025 een vonnis gewezen in de door partijen in deze zaak opgeworpen incidenten op grond van artikel 223 Rv en artikel 224 Rv. 1.
  2. In de hoofdzaak behoren de volgende stukken tot het dossier: - een dagvaarding van 29 juli 2025, 18 producties, een akte eiswijziging, een conclusie van antwoord in reconventie en twee pleitnota’s van [staatsbedrijf N] ; - een conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, 16 producties en een pleitnota van Heuvel. 1.
  3. De mondelinge behandeling vond plaats op 1 augustus
  4. 1.
  5. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft [staatsbedrijf N] laten weten dat zij bereid is om zekerheid te stellen voor de servicekosten van het pand. De voorzieningenrechter heeft partijen daarop verzocht om zich uiterlijk op 4 augustus 2025 uit te laten over een eventuele schikking. Op 4 augustus 2025 heeft mr. Bakker laten weten dat geen overeenstemming was bereikt. Mr. Taheri-Bahjan is vervolgens in een bericht aan de voorzieningenrechter ook inhoudelijk op de zaak ingegaan. Partijen mochten zich echter alleen uitlaten over een eventuele schikking. Daarom wordt alles wat dat bestek te buiten gaat buiten beschouwing gelaten. 2De feiten 2.
  6. [staatsbedrijf N] is een Iraans staatsbedrijf. Zij was eigenaar van een onroerende zaak aan het adres [adres] in Rotterdam, waarin zij een kantoor had (hierna: het pand). 2.
  7. [staatsbedrijf N] heeft een geschil met Crescent Gas Corporation Limited (hierna: Crescent). Dit geschil is aan arbitrage onderworpen in Londen, Verenigd Koninkrijk, en heeft geleid tot een arbitraal vonnis van 27 september
  8. In dat vonnis is bepaald dat [staatsbedrijf N] een bedrag van $ 2.673.297.000 aan Crescent moet betalen. 2.
  9. Op 20 mei 2022 heeft Crescent conservatoir beslag op het pand doen leggen. . 2.
  10. In een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 5 december 2022 heeft de voorzieningenrechter in deze rechtbank op verzoek van Crescent het arbitraal vonnis erkend en voorzien van een verlof tot tenuitvoerlegging. Het gerechtshof Den Haag heeft die beslissing bekrachtigd bij uitspraak van 22 oktober
  11. 2.
  12. In opdracht van Crescent is het pand op 20 april 2023 verkocht op een openbare executieveiling. Tijdens deze veiling heeft Heuvel het hoogste bod uitgebracht. Op 21 april 2023 is het pand aan Heuvel gegund, waarna het pand aan haar is geleverd. 2.
  13. Tot zekerheid van de door haar gevorderde afgifte en levering van het pand heeft [staatsbedrijf N] op 16 juni 2023 op basis van een voorlopig verlof van de voorzieningenrechter in deze rechtbank ten laste van Heuvel conservatoir beslag op het pand doen leggen. Op 7 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter het beslagverzoek van [staatsbedrijf N] mondeling behandeld. Bij beschikking van 13 juli 2023 heeft de voorzieningenrechter het verlof voor het conservatoir beslag op het pand definitief verleend. 2.
  14. In vervolg op het in 2.
  15. bedoelde beslag heeft [staatsbedrijf N] bij dagvaarding van 27 juli 2023 een bodemprocedure tegen Heuvel aanhangig gemaakt. Daarin vorderde zij, kort gezegd, levering en teruggave van het pand. Heuvel vorderde in reconventie opheffing van het door [staatsbedrijf N] gelegde beslag op het pand en vergoeding van beslagschade. 2.
  16. De rechtbank heeft bij vonnis van 23 juli 2025 (ECLI:RBROT:2025:8965, hierna: het vonnis) de vorderingen van [staatsbedrijf N] afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, het beslag opgeheven en, in 7.5., [staatsbedrijf N] bevolen om binnen 48 uur na betekening van het vonnis aan de effectuering van de opheffing haar medewerking te verlenen, op straffe van een aan Heuvel te verbeuren dwangsom van € 10.000,00 per dag of dagdeel dat aan het vonnis geen gehoor wordt gegeven, met een maximum van € 500.000,
  17. [staatsbedrijf N] is voorts veroordeeld tot vergoeding aan Heuvel van door Heuvel geleden beslagschade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 2.
  18. In het vonnis heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen: “6.
  19. In Nederland is de deurwaarder verplicht om, indien hij redelijkerwijs er rekening mee moet houden dat een opdracht tot het beslaan van vreemde staatseigendom in strijd is met volkenrechtelijke verplichtingen, dit te melden aan de minister, dat wil zeggen: de minister van Justitie en Veiligheid. Zie in dit verband artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet: (…) 6.
  20. Gesteld noch gebleken is dat de deurwaarder in de onderhavige zaak de minister van het beslag in kennis heeft gesteld op grond van artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet en/of dat de deurwaarder van de minister een aanzegging heeft ontvangen als bedoeld in het tweede lid van dit artikel. [staatsbedrijf N] stelt dat de deurwaarder tot het doen van deze kennisgeving gehouden was en dat hij dit ten onrechte achterwege heeft gelaten. De rechtbank zal daar niet verder op ingaan omdat het niet relevant is voor de op de ingestelde vorderingen te nemen beslissingen. De rechtbank motiveert dit als volgt. 6.
  21. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 3a Gerechtsdeurwaarderswet is af te leiden dat van nietigheid van rechtswege of van vernietigbaarheid met terugwerkende kracht van het beslag op een goed dat bestemd is voor de openbare dienst, geen sprake is. De rechtszekerheid zou daardoor te zeer in het gedrang komen. Zie Kamerstukken II, 23 081, p. 6 en 7 (MvT): “Het zesde lid blijft beperkt tot beslagexploiten en gaat over het geval dat het exploit al was uitgebracht. Van onbevoegdheid kan dan niet worden gesproken, en ook niet van nietigheid van rechtswege, ex tunc. Evenmin zou het juist zijn het exploit met terugwerkende kracht te vernietigen. Het beslag heeft immers enige tijd geldig bestaan, met alle gevolgen van dien. Het heeft geen zin en het is ook niet nodig, dat alles terug te draaien. De rechtszekerheid zou daardoor te zeer in het gedrang komen. Er is daarom een aparte betekening voorgesteld, nodig om te maken dat het exploit voor de toekomst niet meer werkt. Dit betekent dus dat vanaf het moment van de tweede betekening het beslag van rechtswege ophoudt te bestaan.” 6.
  22. Het beginsel van rechtszekerheid staat dus in de weg aan nietigheid of vernietigbaarheid van het beslag, nog daargelaten de vraag of het beslag in strijd is gelegd met artikel 703 en artikel 436 Rv, zoals [staatsbedrijf N] stelt en Heuvel betwist. Dit rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat een (openbare-)veilingkoper er op moet kunnen vertrouwen dat hij de eigendom van het geveilde goed geleverd krijgt. 6.
  23. Ter vergelijking verwijst de rechtbank naar de hieronder nader aan de orde gestelde rechtsoverwegingen 44 en 57 van het arrest van 17 mei 2022 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak MA/Ibercaja Banco (zaak C-600/19), ECLI:EU:C:2022:
  24. In deze zaak waren door een Spaanse rechter prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ EU over de uitleg van enkele bepalingen van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenzaken. Die prejudiciële vragen waren gerezen in een Spaanse hypothecaire executieprocedure. 6.8.
  25. In rechtsoverweging 44 van het arrest wijst het HvJ EU er met zoveel woorden op dat ‘het rechtszekerheidsbeginsel’ een van ‘de beginselen’ is ‘die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen’. 6.8.
  26. Rechtsoverweging 57 van het arrest luidt als volgt: ‘In een situatie als die in het hoofdgeding, waarin de hypothecaire executieprocedure is beëindigd en de eigendomsrechten van de onroerende zaak zijn overgedragen aan een derde, kan de rechter echter niet meer ambtshalve of op verzoek van de consument overgaan tot een toetsing van het oneerlijke karakter van contractuele bedingen die zou leiden tot nietigverklaring van de handelingen waarbij de eigendom is overgedragen, en de rechtszekerheid van de reeds aan een derde verrichte eigendomsoverdracht ter discussie stellen.’ 6.
  27. Dit oordeel betekent dat een rechterlijke toetsing van de executiebevoegdheid na een executoriale overdracht niet kan leiden tot nietigheid van die overdracht. Dus ook als het pand destijds bestemd was voor de openbare dienst in de zin van artikel 703 en artikel 436 Rv, was het beslag op het pand niet nietig of van onwaarde. Het beslag was tot de levering van het pand en voldoening van de koopprijs geldig. (…) uitvoerbaarverklaring bij voorraad 6.
  28. [staatsbedrijf N] heeft verzocht om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Heuvel heeft verzocht om het vonnis wél uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Naar het oordeel van de rechtbank wegen de belangen van Heuvel op dit punt zwaarder, waartoe het volgende wordt overwogen. Als gevolg van het beslag is een belangrijk deel van het werkkapitaal van Heuvel geblokkeerd. Het beslag heeft tot gevolg dat door Heuvel geïnvesteerde financiële middelen niet beschikbaar zijn en nu geen rendement opleveren. Het pand, dat haar eigendom is, levert haar nu geen inkomsten op, terwijl zij wél de eigenaarslasten draagt. Van baten is geen sprake behoudens eventuele waardevermeerdering. Baten kunnen pas gerealiseerd worden bij verkoop of verhuur. In het kader van de belangenafweging is ook van belang dat Heuvel voor haar vordering op [staatsbedrijf N] ter zake van de schade die zij door de beslagen heeft geleden een groot verhaalsrisico loopt. Weliswaar is de beslaglegger risicoaansprakelijk ter zake van een ten onrechte gelegd en/of gehandhaafd beslag, maar daarmee is niet gegeven dat de beslaglegger ook verhaal biedt voor de daardoor toegebrachte schade. In dit geval is de beslaglegger, [staatsbedrijf N] , een partij die juist vanwege bestaand verhaalsrisico in deze procedure zekerheid heeft moeten stellen voor de proceskosten. Tegenover het financiële belang van Heuvel staat het door [staatsbedrijf N] gestelde belang dat, als zij uiteindelijk in het gelijk zou worden gesteld, het pand nog niet zal zijn vervreemd. Uit de stellingen van [staatsbedrijf N] kan echter niet worden opgemaakt waarom zij er een zwaarwegend belang bij zou hebben dat zij de eigendom van juist dit specifieke kantoorpand behoudt.” 2.
  29. Op 29 juli 2025 heeft Heuvel het vonnis aan [staatsbedrijf N] doen betekenen. 3De vorderingen en het verweer in conventie 3.
  30. [staatsbedrijf N] vordert, na eiswijziging, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: bepaalt dat (de uitvoerbaarheid bij voorraad) van het vonnis met onmiddellijke ingang opgeschort wordt tot het moment dat het gerechtshof op het (in te dienen) hoger beroep daartegen heeft beslist en een eindarrest heeft gegeven, met dien verstande dat indien eiseres niet binnen de wettelijke termijn hoger beroep instelt deze opschorting met onmiddellijke ingang komt te vervallen en de termijn van 48 uren, zoals bedoeld in dat vonnis onder 7.5., dan in zal gaan; Heuvel gebiedt om met onmiddellijke ingang de (verdere) tenuitvoerlegging van het vonnis te staken, op straffe van een dwangsom van € 15.000,00 voor iedere dag dat zij vanaf twee dagen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft de onder a gevorderde veroordeling na te komen met een maximum van € 750.000,00; Heuvel veroordeelt in de kosten van het geding. 3.
  31. [staatsbedrijf N] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van kennelijke juridische en feitelijke misslagen. Verder stelt zij dat een belangenafweging in haar voordeel uitvalt. Als het Heuvel zou worden toegestaan om het pand te verkopen, dan kan [staatsbedrijf N] haar eigendom nooit meer terugkrijgen met als gevolg dat Nederland als Staat aansprakelijk is voor het niet-nakomen van de op haar rustende volkenrechtelijke verplichtingen. 3.
  32. Heuvel voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [staatsbedrijf N] in de proceskosten en wettelijke rente. Volgens Heuvel is er geen sprake van kennelijke misslagen in de zin van evidente fouten. De misslagen die [staatsbedrijf N] noemt, zijn niet meer dan gronden die [staatsbedrijf N] in een eventueel appel kan aanvoeren. Heuvel stelt zich verder op het standpunt dat de rechtbank de uitvoerbaar bij voorraadverklaring voldoende gemotiveerd heeft. Dat heeft tot gevolg dat er in dit executiegeschil geen nieuwe belangenafweging gemaakt kan worden. in reconventie 3.
  33. Heuvel vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: haar op grond van artikel 3:299 BW machtigt die feitelijke handelingen te verrichten die nodig zijn om datgene te bewerkstelligen wat niet wordt bewerkstelligd doordat [staatsbedrijf N] haar verplichtingen uit 7.
  34. van het vonnis niet nakomt, waaronder begrepen de machtiging om de doorhaling van het beslag in het Kadaster te effectueren; de in 7.
  35. van het vonnis opgelegde dwangsomveroordeling te verhogen naar € 250.000,00 per dag of dagdeel dat aan het vonnis geen gehoor wordt gegeven, met een maximum van € 20 miljoen; [staatsbedrijf N] veroordeelt die handelingen te verrichten die nodig zijn om haar inschrijving op het adres [adres] , waaronder begrepen haar inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, binnen twee weken na betekening van dit vonnis ongedaan te maken, op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom; [staatsbedrijf N] veroordeelt in de proceskosten en wettelijke rente. 3.
  36. Heuvel legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het er alle schijn van heeft dat [staatsbedrijf N] niet zal meewerken aan de in het vonnis opgelegde verplichting om mee te werken aan de feitelijke handelingen die verband houden met de opheffing van het beslag. Op het punt van de dwangsommen stelt Heuvel dat [staatsbedrijf N] zich kennelijk onschendbaar acht zodat het wellicht zou helpen als een dwangsom wordt opgelegd die daadwerkelijk enige potentieel voelbare exposure voor [staatsbedrijf N] meebrengt. Tot slot wijst Heuvel erop dat [staatsbedrijf N] in weerwil van de eigendomsverhoudingen nog steeds staat ingeschreven op het adres van het pand. Nu het pand duidelijk niet langer haar eigendom is, heeft Heuvel er belang bij dat [staatsbedrijf N] niet langer verbonden is aan het pand, via het handelsregister of anderszins. 3.
  37. [staatsbedrijf N] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Heuvel in de proceskosten en wettelijke rente. Volgens [staatsbedrijf N] heeft Heuvel twee tegenstrijdige vorderingen (1 en 2) ingesteld. Met de gevorderde machtiging heeft Heuvel haar grondslag voor het vorderen van enige dwangsom prijsgegeven. Verder heeft Heuvel geen belang bij haar vorderingen, zo stelt [staatsbedrijf N] , omdat die vorderingen op eigen interpretaties en vermoedens berusten. Ook stelt [staatsbedrijf N] zich op het standpunt dat voor verhoging van de dwangsom vereist is dat de opgelegde dwangsommen eerst zijn volgelopen en, daarmee, dat die dwangsommen niet effectief zijn. De hoogte van de nu gevorderde dwangsom is buitenproportioneel, in aanmerking nemende dat het pand voor € 600.000,00 is aangekocht. De vordering tot het ongedaan maken van de inschrijving op het adres van het pand is voorbarig. [staatsbedrijf N] stelt dat zij nog altijd eigenaar is van het pand. Heuvel heeft haar op dit punt bovendien nooit aangemaand of in gebreke gesteld. 4De beoordeling in conventie 4.
  38. Met haar vorderingen in conventie legt [staatsbedrijf N] een executiegeschil voor. Voor een dergelijk geschil (in kort geding) geldt het toetsingskader van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026) en, voor zover het de motivering van de uitvoerbaarheid bij voorraad betreft, ook dat van het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2020 (ECLI:NL:HR:2020:429). Uitgangspunt van eerstgenoemd arrest is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan gerechtvaardigd zijn als sprake is van een kennelijke misslag of nieuwe feiten en omstandigheden. Als de uitvoerbaarheid bij voorraad van de beslissing niet is gemotiveerd, is afwijking ook mogelijk op grond van een belangenafweging. De kans van slagen van het tegen de beslissing nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing (prognoseverbod). Uitgangspunt van het tweede hiervoor genoemde arrest is dat het niet-responderen door de rechtbank op een, deel van een, verweer – of alle verweren en argumenten daarvoor (aanvulling voorzieningenrechter) – tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen kennelijke misslag oplevert, maar hooguit een onvoldoende motivering van die uitvoerbaarverklaring bij voorraad. 4.
  39. De voorzieningenrechter stelt voorop dat, anders dan [staatsbedrijf N] betoogt, uit het hiervoor als eerste genoemde arrest volgt dat de kans van slagen in het nog in te stellen hoger beroep buiten beschouwing blijft (prognoseverbod). Ook wordt geconstateerd dat [staatsbedrijf N] niet heeft gesteld dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de executie van het vonnis geschorst zou moeten worden. 4.
  40. De voorzieningenrechter constateert verder dat de uitvoerbaarheid bij voorraad in het vonnis uitgebreid is gemotiveerd (zie 2.
  41. hiervoor). Dat betekent dat aan een belangenafweging (die, eventueel, zou kunnen leiden tot toewijzing van haar vorderingen) niet wordt toegekomen. Of de rechtbank in de belangenafweging een of meer kennelijke misslagen gemaakt heeft, wordt hierna beoordeeld. 4.
  42. Het vorenstaande brengt met zich dat in dit kort geding slechts moet worden beoordeeld of het vonnis, inclusief de belangenafweging, berust op kennelijke misslagen. De voorzieningenrechter overweegt dat het bij een kennelijke misslag gaat om een direct in het oog springende fout of vergissing over het recht of de feiten. Daarvan is in de praktijk zelden sprake. In de meeste gevallen komt het beroep op een kennelijke misslag neer op een verkapt appel. Met andere woorden komt een kennelijke misslag in veruit de meeste gevallen neer op een bezwaar tegen de beslissing en/of de motivering daarvan. 4.
  43. Bij de beoordeling van de door [staatsbedrijf N] gestelde misslagen wordt vooropgesteld dat het betoog van [staatsbedrijf N] dat het beslag van Crescent nooit doel heeft getroffen en zij (dus) nog steeds eigenaar van het pand is, geen hout snijdt. Uit het vonnis, waar de voorzieningenrechter haar oordeel in beginsel op moet afstemmen, en het daarin genoemde artikel 3 van de Gerechtsdeurwaarderswet en de parlementaire geschiedenis daarvan, volgt juist het tegendeel. Het betoog van [staatsbedrijf N] wordt ook niet bevestigd in de parlementaire stukken waar zij zich in dit kort geding op beroept. Verder overweegt de voorzieningenrechter dat voor al die gestelde misslagen geldt dat het geen evidente en direct in het oog springende misslagen zijn. Om de gestelde misslagen te kunnen beoordelen, moet in (de al dan niet concreet aangehaalde) parlementaire stukken, dossierstukken (uit de zaak die heeft geleid tot het vonnis) of jurisprudentie worden gedoken. Waar het op neerkomt is dat [staatsbedrijf N] het niet eens is met de overwegingen en oordelen van de rechtbank, maar dat moet zij in het door haar aangekondigde hoger beroep aan de orde stellen. 4.
  44. De voorzieningenrechter bespreekt, gelet op het hiervoor in 4.
  45. overwogene, daarom slechts kort de gestelde misslagen. [staatsbedrijf N] stelt in de eerste plaats dat de rechtbank de parlementaire geschiedenis onjuist heeft geïnterpreteerd en daaruit verkeerd of onvolledig heeft geciteerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [staatsbedrijf N] toegelicht dat zij, anders dan (concreet) uit de dagvaarding volgt, bedoeld heeft te betogen dat de rechtbank – en nu blijkbaar de voorzieningenrechter – moet doen wat de minister op grond van artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet had moeten doen. De voorzieningenrechter overweegt dat in de door [staatsbedrijf N] aangehaalde citaten geen steun kan worden gevonden voor dit betoog. Volgens [staatsbedrijf N] is een tweede misslag dat het door de rechtbank aangehaalde arrest van het HvJEU ziet op oneerlijke bedingen in consumentenzaken met een contractuele basis, terwijl het onderhavige geschil gaat over een volkenrechtelijke immuniteitskwestie. Deze veronderstelde misslag berust op een verkeerde lezing van het vonnis. In het kader van de bespreking van het beginsel van rechtszekerheid heeft de rechtbank slechts ter vergelijking naar het arrest van het HvJEU verwezen, zo volgt uit 6.
  46. van het vonnis. De derde misslag vat [staatsbedrijf N] in haar dagvaarding samen als “Rechterlijke toetsing zou niet tot nietigheid van de executieoverdracht leiden!”. Volgens [staatsbedrijf N] heeft de rechtbank in 6.
  47. van het vonnis geoordeeld dat de rechter de executiebevoegdheid in het geheel niet kan toetsen na een executoriale overdracht. De voorzieningenrechter leest dit echter niet in 6.
  48. van het vonnis. Ook zou de rechtbank hebben nagelaten om daadwerkelijk op [staatsbedrijf N] ’s vorderingen te beslissen; de rechtbank had, in plaats van de minister, de beoordeling op grond van artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet moeten doen (inclusief de aanzegging). De voorzieningenrechter overweegt dat uit het vonnis niet blijkt dat de rechtbank heeft nagelaten om op de vorderingen van [staatsbedrijf N] te beslissen; integendeel. Daarnaast levert de omstandigheid dat [staatsbedrijf N] het niet eens is met de beslissing geen misslag op. 4.
  49. [staatsbedrijf N] betoogt verder dat de rechtbank in de belangenafweging misslagen gemaakt heeft. Zo zou de rechtbank het verweer van [staatsbedrijf N] dat Heuvel zelf nalatig is geweest in het doen van enig onderzoek naar het pand niet in haar beoordeling hebben meegenomen. Dit betoog slaagt niet. Het uitgangspunt van het in 4.
  50. aangehaalde arrest is immers dat het niet-responderen door de rechtbank op alle onderdelen van een verweer tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad geen kennelijke misslag oplevert. Verder stelt [staatsbedrijf N] dat de rechtbank in de belangenafweging heeft betrokken dat als gevolg van het beslag een belangrijk deel van het werkkapitaal van Heuvel is geblokkeerd, maar dat Heuvel dit standpunt niet heeft onderbouwd. Deze stelling treft ook geen doel. Van een kennelijke misslag is geen sprake omdat voor de beoordeling van de stelling van [staatsbedrijf N] bestudering van de onderliggende stukken nodig is. Ten overvloede wordt overwogen dat uit het pleidooi van Heuvel wordt afgeleid dat zij in de bodemprocedure wel onderbouwende stukken heeft overgelegd (waarop [staatsbedrijf N] niet heeft gereageerd). Daarvan uitgaande is sprake van onvrede met de waardering van die stukken door de rechtbank. Daarnaast heeft de rechtbank volgens [staatsbedrijf N] miskend dat Heuvel het pand had kunnen verhuren en op die manier rendement had kunnen behalen. Ter zitting heeft Heuvel te kennen gegeven dat nog steeds spullen van [staatsbedrijf N] in het pand staan en dat [staatsbedrijf N] nalaat om deze op te komen halen. Ook heeft zij erop gewezen dat zij vanwege het geschil met [staatsbedrijf N] geen verhuurverplichting jegens een huurder heeft durven aangaan en dat het pand eerst een opknapbeurt nodig heeft. De voorzieningenrechter gaat er vooralsnog van uit dat al deze argumenten in de bodemprocedure naar voren zijn gebracht. In dat geval is geen sprake van een misslag maar van onvrede met het oordeel. Voor zover de argumenten niet in de bodemprocedure aan de orde zijn gekomen, is sprake van een nieuw bezwaar tegen de beslissing dat in het hoger beroep aan de orde moet komen. Ten slotte stelt Heuvel dat de rechtbank het verhaalsrisico in het voordeel van Heuvel heeft uitgelegd, terwijl het vaste rechtspraak is dat het restitutierisico geen reden kan zijn om de uitvoerbaarheid bij voorraad op te schorten of achterwege te laten. Afgezien van het feit dat [staatsbedrijf N] de rechtspraak waarop zij zich beroept desgevraagd niet kon noemen, is haar betoog onnavolgbaar. Van een misslag is in ieder geval niet gebleken. 4.
  51. Het vorenstaande leidt ertoe dat de vorderingen van [staatsbedrijf N] worden afgewezen. in reconventie 4.
  52. Heuvel vordert dat zij op grond van artikel 3:299 BW wordt gemachtigd om die feitelijke handelingen te verrichten die nodig zijn om datgene te bewerkstelligen wat niet wordt bewerkstelligd doordat [staatsbedrijf N] haar verplichtingen uit 7.
  53. van het vonnis niet nakomt, waaronder begrepen de machtiging om de doorhaling van het beslag in het Kadaster te effectueren. Omdat Heuvel niet heeft toegelicht welke andere feitelijke handelingen er moeten worden verricht, wordt de beoordeling toegespitst op de doorhaling van de inschrijving van het beslag in het Kadaster. In de proceshouding van [staatsbedrijf N] ziet de voorzieningenrechter [staatsbedrijf N] aanleiding voor het toewijzen van die vordering. Heuvel heeft het vonnis op 29 juli 2025 aan [staatsbedrijf N] laten betekenen, waarna de termijn van 48 uur om medewerking te verlenen aan de effectuering van de opheffing van het beslag is gaan lopen. Bij tussenvonnis van 31 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter de vordering tot schorsing van deze termijn afgewezen. Ten tijde van de mondelinge behandeling had [staatsbedrijf N] het beslag nog niet laten doorhalen. Ook heeft zij er ter zitting geen blijk van gegeven dat zij voornemens is om alsnog uitvoering aan 7.
  54. van het vonnis te geven. Integendeel, zij stelt zich immers op het standpunt dat zij nog steeds eigenaar is van het pand. 4.
  55. Met het machtigen van Heuvel bestaat geen reden voor het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom. Met de machtiging kan Heuvel de doorhaling van het beslag in het Kadaster immers zelf effecturen. Dat het kantoor van de advocaat van Heuvel daarvoor een vergunning van de Amerikaanse toezichthouder nodig heeft, dient voor rekening en risico van Heuvel te komen. Het rechtvaardigt in ieder geval niet een verhoging van de dwangsom. Verder is van belang dat het maximum van € 500.000,00 nog niet is bereikt en dat, gelet op de toelichting van Heuvel ter zitting, met de verhoging van de dwangsom eerder een punitieve maatregel lijkt te worden beoogd dan een prikkel tot nakoming. Ten slotte staat een dwangsom van € 250.000,00 per dag met een maximum van € 20 miljoen niet in verhouding tot de aankoopprijs van het pand van € 600.000,
  56. 4.
  57. De vordering van Heuvel die ertoe strekt dat [staatsbedrijf N] haar inschrijving op het adres [adres] ongedaan maakt, wordt afgewezen. Anders dan de inschrijving in het handelsregister heeft Heuvel niet toegelicht wat zij hiermee bedoelt. Ook heeft Heuvel onvoldoende onderbouwd dat en welke last zij (of een potentiële koper) van de onjuiste adresinformatie in het handelsregister ondervindt. 4.
  58. Heuvel heeft gevorderd om het vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [staatsbedrijf N] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter noopt het materiële oordeel tot een uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Niet gebleken is immers dat [staatsbedrijf N] genegen is om aan de effectuering van de opheffing van het beslag haar medewerking te verlenen. Uit de stellingen van [staatsbedrijf N] blijkt dat zij aanspraak blijft maken op immuniteit van executie. Daarnaast was de 48-uurstermijn uit het vonnis op de dag van de mondelinge behandeling al verstreken. in conventie, in reconventie en in de incidenten 4.
  59. [staatsbedrijf N] wordt in conventie, in reconventie en in de incidenten als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van Heuvel. In conventie worden de proceskosten (inclusief de nakosten) begroot op: - griffierecht: € 714,00 - salaris advocaat: € 1.107,00 - nakosten: € 278,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 2.099,00 Omdat de vorderingen in reconventie voortvloeien uit het verweer in conventie wordt het normaal toe te kennen salaris in reconventie gehalveerd (€ 1.107,00 / 2 = € 553,50). Ook in de incidenten wordt het salaris bepaald op de helft van het normale salaris (2 × € 553,50). 4.
  60. De in conventie en in reconventie gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 4.
  61. De proceskostenveroordelingen worden, zoals gevorderd en gebruikelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
  62. De beslissing De voorzieningenrechter in conventie 5.
  63. wijst de vorderingen af; 5.
  64. veroordeelt [staatsbedrijf N] in de proceskosten van € 2.099,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als [staatsbedrijf N] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [staatsbedrijf N] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening; 5.
  65. veroordeelt [staatsbedrijf N] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.
  66. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; in reconventie 5.
  67. machtigt Heuvel om de inschrijving van het door de rechtbank in het vonnis van 23 juli 2025 opgeheven conservatoire beslag op het recht van appartement betreffende het registergoed met omschrijving bedrijvigheid (‘industrie’), plaatselijk bekend als [adres] te Rotterdam, kadastraal bekend als gemeente Rotterdam, sectie [naam sectie] , nr. [perceelnummer X] , appartementsindex [indexnummer X] in het Kadaster te laten doorhalen; 5.
  68. veroordeelt [staatsbedrijf N] in de proceskosten van € 553,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.
  69. veroordeelt [staatsbedrijf N] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan; 5.
  70. verklaart de machtiging en de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad; 5.
  71. wijst het meer of anders gevorderde af; in de incidenten 5.
  72. veroordeelt [staatsbedrijf N] in de proceskosten van € 1.107,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; 5.
  73. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus
  74. [2971/2009]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.