Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/104509-23 Datum uitspraak: 14 november 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] , raadsvrouw mr. E.Y. van Schaik, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 31 oktober 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. S.S.S. Heinerman heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Het verkeersongeval is aan de schuld van de verdachte te wijten, nu zijn rijgedrag aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest. De verdachte reed, terwijl het donker en mistig was, op een trekker met een daarop gemonteerde maaiarm en een maaikorf die niet voldeden aan de gebruikseisen zoals opgenomen in de Regeling Voertuigen. De maaikorf was niet voorzien van de vereiste markeringen, bevond zich te laag boven de grond, de combinatie stak veel te ver uit voor het hart van het stuurwiel en de maaimessen van de maaikorf waren niet afgedekt. De verdachte had als beroepschauffeur op de hoogte moeten zijn van deze gebruikseisen en had deze moeten toepassen. Dat het volgens de verdachte binnen het bedrijf waar hij werkte gebruikelijk was de maaiarm en maaikorf zo te vervoeren als hij heeft gedaan, ontslaat hem niet van die verplichting. 4.2. Standpunt verdediging Door de verdediging is integrale vrijspraak bepleit. Niet kan worden bewezen dat de gedragingen van de verdachte tot het verkeersongeval en daardoor het overlijden van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) hebben geleid. Aan de kant van de verdachte is geen sprake geweest van roekeloosheid, onvoorzichtigheid, onoplettendheid, onachtzaamheid of aanmerkelijke verwaarlozing van de geboden zorgvuldigheid. De verdachte hield zich aan de snelheidslimiet en had voorrang bij de wegversmalling. Het is aannemelijk dat het verkeersongeval niet had plaatsgevonden als de bestuurder van de Hyundai, de heer [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) hem voorrang had verleend, alsook wanneer door hem met een lagere snelheid was gereden. De verkeersongevallenanalyse trekt geen conclusie over de oorzaak van het ongeval. De onder het eerste en vijfde gedachtestreepje van de tenlastelegging verweten gedragingen leveren geen overtredingen op van de Regeling Voertuigen. De overige gedragingen kunnen de verdachte niet kunnen worden toegerekend, omdat zijn werkgever het arbeidsmiddel aan hem ter beschikking heeft gesteld en de verdachte meende, en mocht menen, dat dat voldeed aan alle daaraan gestelde eisen. De verdachte is geen beroepschauffeur. Er bestaat geen causaal bestaat tussen de overtreden gebruikseisen en het verkeersongeval. De verdachte dient te worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde vanwege afwezigheid van alle schuld. 4.3. Inleiding Op 18 oktober 2022 omstreeks 07:30 uur heeft op de Plaatweg tussen Melissant en Stellendam in de gemeente Goeree-Overflakkee een tragisch verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] om het leven is gekomen. De verdachte reed als bestuurder van een landbouwtrekker van het merk Fendt (vario 716), komende vanuit de richting van Melissant en gaande in de richting van Stellendam. Aan de rechterzijde van de landbouwtrekker voerde de verdachte een verwisselbaar uitrustingsstuk, bestaande uit een maaiarm met een daaraan gekoppelde maaikorf. Uit tegengestelde richting kwam een Hyundai Ionic 5 de landbouwtrekker-combinatie tegemoet gereden. Deze personenauto werd bestuurd door [slachtoffer 2] . Zijn zoon [slachtoffer 1] zat op dat moment als bijrijder naast hem. Op enig moment reden beide voertuigen ter hoogte van de ter plaatse aanwezige wegversmalling. In een poging een aanrijding met de trekker te voorkomen, is de Hyundai naar links uitgeweken en over de in het midden van de wegversmalling geplaatste verhoging gereden. De Hyundai reed vervolgens over de aan de linkerzijde geplaatste trottoirbanden (biggenruggetjes) van de wegversmalling, waarna het voertuig met de rechter voorzijde tegen de aan de landbouwtrekker gekoppelde maaiarm met maaikorf is aangereden. De maaikorf is aan de passagierszijde in de lengterichting door de cabine van de Hyundai gegaan en er aan de achterzijde uitgekomen. [slachtoffer 1] liep bij dit verkeersongeval dusdanig hersen- en aangezichtsletsel op dat hij in de ambulance onderweg naar het ziekenhuis aan zijn verwondingen is overleden. 4.4. Omstandigheden waaronder het verkeersongeval plaatsvond Beide bestuurders hebben verklaard dat het ten tijde van het verkeersongeval donker en mistig was op de Plaatweg. Dit wordt bevestigd door de verbalisanten ter plaatse en het politieonderzoek naar camerabeelden van een lijnbus die die dag rond hetzelfde tijdstip over de Plaatweg reed. Bij de wegversmalling waren in beide richtingen voorrangsborden geplaatst: bestuurders komend uit de richting van Stellendam moeten ter hoogte van de wegversmalling voorrang verlenen aan het hen tegemoetkomende wegverkeer. Dit betekent dat de verdachte ter hoogte van de wegversmalling voorrang had ten opzichte van de hem tegemoetkomende Hyundai. Op de Plaatweg is de maximum toegestane snelheid voor motorvoertuigen 60 km/u. De Forensische Opsporing Verkeer (hierna: FO Verkeer) heeft onderzoek gedaan naar het infotainmentsysteem van de Hyundai. Uit dit onderzoek blijkt dat [slachtoffer 2] met wisselende snelheden over de Plaatweg heeft gereden, waarbij de hoogst gemeten snelheid 98 km/u betrof (07:29:10). De laatst gemeten snelheid bedroeg 77 km/u (07:29:43). De Hyundai was op dat moment 100 meter en dus slechts enkele seconden verwijderd van de plaats van het ongeval. De FO Verkeer heeft ook onderzoek gedaan naar de landbouwtrekker-combinatie van de verdachte. Het verwisselbare uitrustingsstuk blijkt niet in overeenstemming met de gebruikseisen uit de Regeling Voertuigen te zijn vervoerd. De maaikorf bevond zich op ongeveer 1,5 meter hoogte ten opzichte van het wegdek in plaats van de voorgeschreven minimumhoogte van 2 meter. Daarnaast stak de voorzijde van de maaikorf ongeveer 7 meter voor het hart van het stuurwiel uit, terwijl deze maximaal 3,5 meter mag uitsteken. Verder hadden de maaimessen aan de onderzijde van de maaikorf afgedekt moeten zijn en hadden op de voorzijde van de maaikorf markeringslichten, ambergele retroflectoren of andere ambergele markeringen moeten worden aangebracht. Anders dan de raadsvrouw van de verdachte heeft betoogd, is uit het onderzoek van de FO Verkeer naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam gebleken dat bovengenoemde gebruikseisen uit de Regeling Voertuigen niet zijn nageleefd. De lengte van het verwisselbare uitrustingsstuk is – zo begrijpt de rechtbank – niet als overtreding van de Regeling Voertuigen tenlastegelegd, maar enkel opgenomen als onderdeel van de omschrijving daarvan. 4.5. Schuld aan verkeersongeval (artikel 6 WVW) Voor een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde moet worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Of dat het geval is, hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin kan niet zonder meer worden afgeleid uit de ernst van de gevolgen. Voor de ondergrens van schuld dient te worden vastgesteld dat sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij komt het aan op de vraag of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde ander persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. De rechtbank komt op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat de verdachte geen schuldverwijt kan worden gemaakt in de zin van artikel 6 WVW. Uit het geheel van de gedragingen van de verdachte kan niet kan worden afgeleid dat hij een verkeersovertreding heeft begaan die heeft geleid tot het ontstaan van het verkeersongeval. De verdachte heeft verklaard dat hij 35 km/u reed, voorsorteerde voor de wegversmalling en dat hij zijn normale wegverlichting (koplampen en breedteverlichting) voerde. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte harder heeft gereden dan deze snelheid. Alhoewel [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte geen breedteverlichting voerde, kan dit niet worden vastgesteld op basis van het dossier. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam stond deze verlichting aan. Daar komt bij dat de verdachte ter hoogte van de wegversmalling waarvoor hij voorsorteerde voorrang had. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte geen beroepschauffeur is. Hij beschikt over een trekker rijbewijs en verrichtte ten tijde van het ongeval al drie jaar werkzaamheden met de landbouwtrekker-combinatie gedurende enkele maanden per jaar. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de verdachte, die als beroepschauffeur een bijzondere zorgplicht had, op de hoogte had moeten zijn van de toepasselijke gebruikseisen uit de Regeling Voertuigen en dat op hem de plicht rustte om het verwisselbare uitrustingsstuk in overeenstemming daarmee te vervoeren. Het enkele niet naleven van die gebruikseisen is onder de gegeven omstandigheden echter onvoldoende om van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW te kunnen spreken. In de eerste plaats levert het niet naleven van de gebruikseisen op zichzelf nog geen verkeersovertreding op die deze verdachte kan worden verweten. Daarnaast kan niet buiten redelijke twijfel worden uitgesloten dat het verkeersongeval (met alle ernstige gevolgen voor [slachtoffer 1] van dien) ook had plaatsgevonden als was voldaan aan de gebruikseisen, aangezien de verdachte ter plaatse voorrang had en de Hyundai als het ware via de drempel tussen en biggenruggetjes naast de wegversmalling werd gelanceerd op de maaikorf. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het hem primair ten laste gelegde feit. 4.6. Gevaar veroorzaakt op de weg (artikel 5 WVW) Door het niet naleven van de gebruikseisen uit de Regeling Voertuigen kan de verdachte wel het verwijt worden gemaakt dat hij de maaiarm en maaikorf op onjuiste wijze heeft vervoerd. Het verwisselbare uitrustingsstuk vormde hierdoor een gevaar voor lichamelijk letsel voor medeweggebruikers. Dat de verdachte niet op de hoogte was van de gebruikseisen en dat hij het materieel in deze staat meekreeg van zijn werkgever, ontslaat hem niet van zijn verplichting als beroepschauffeur op de hoogte te zijn van de toepasselijke regelgeving en het verwisselbare uitrustingsstuk in overeenstemming daarmee te vervoeren. Door het niet naleven van de gebruikseisen uit de Regeling Voertuigen heeft de verdachte gevaar veroorzaakt op de weg. 4.7. Conclusie Het subsidiair ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen. 4.8. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (subsidiair) ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 18 oktober 2022 te Stellendam, gemeente Goeree-Overflakkee als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker voorzien van een verwisselbaar uitrustingsstuk), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Plaatweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd; welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl er sprake was van duisternis en mist waardoor het zicht voor het verkeer ernstig werd beperkt, met dat voertuig is gaan rijden, terwijl - aan de voorzijde van dat voertuig een verwisselbaar uitrustingsstuk, te weten een maaiarm en een maaikorf met een totale lengte van ongeveer 6 meter was gemonteerd en/of - die maaikorf zich lager dan 2,00 meter boven het wegdek bevond dan de hoogte genoemd in de gebruikseis(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.