RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/703186 / HA ZA 25-585 Vonnis in incident van 12 november 2025 in de zaak van JANSEN B.V., gevestigd in Franeker, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst, advocaat: mr. S.F. ten Cate, tegen ZWAPEX AFDICHTINGSTECHNIEKEN B.V., gevestigd in Rotterdam, gedaagde in de hoofdzaak, advocaat: mr. V.C. Hofman en ZWAPEX HOLDING B.V., gevestigd in Rotterdam, eiseres tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst in het incident, advocaat: mr. N. Robijn-Meijer. De partijen worden hierna ‘Jansen’, ‘Zwapex Afdichtingstechnieken’ en ‘Zwapex Holding’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 10 juni 2025, met producties 1-14; de incidentele conclusie houdende excepties van voeging en voorwaardelijke tussenkomst, met producties 1-8; het antwoord in incident houdende excepties van voeging en voorwaardelijke tussenkomst. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2Het geschil in de hoofdzaak 2.
- Jansen vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Zwapex Afdichtingstechnieken te veroordelen tot betaling van de openstaande factuurbedragen ter hoogte van € 26.766,40 te vermeerderen met rente en kosten. 2.
- Jansen heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat zij werkzaamheden voor Zwapex Afdichtingstechnieken heeft verricht waarvoor Zwapex Afdichtingstechnieken moet betalen. 2.
- Zwapex Afdichtingstechnieken heeft in de hoofdzaak nog niet voor antwoord geconcludeerd. 3Het geschil in het incident 3.
- Zwapex Holding vordert dat zij bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis wordt toegelaten in het geding tussen Jansen en Zwapex Afdichtingstechnieken, hetzij door voeging aan de zijde van Zwapex Afdichtingstechnieken, hetzij door voorwaardelijke tussenkomst, in de zin van artikel 217 Rv. Verder vordert zij een veroordeling van Jansen in de proceskosten, met rente. 3.
- Zwapex Holding stelt – samengevat – dat zij belang heeft bij de uitkomst van het geschil waarin Zwapex Afdichtingstechnieken zich zal beroepen op een tussen Jansen en de Zwapex groep bestaande bestendige afspraak over onderlinge verrekening. De beslissing van de rechtbank over het al dan niet bestaan van die afspraak heeft gevolgen voor haar rechtspositie. Zwapex Holding stelt dat zij op basis van haar gebruiksovereenkomst met Jansen een binnen die bestendige afspraak een verrekenbare vordering tot schadevergoeding heeft op Jansen. Als de rechtbank in de hoofdzaak oordeelt dat verrekening door Zwapex Afdichtingstechnieken niet is toegestaan, dan wil Zwapex Holding, na tussenkomst, een rechtsvordering tot schadevergoeding instellen tegen Jansen. De proceseconomie maakt het wenselijk dat die vordering in dezelfde procedure wordt behandeld om een efficiënte rechtsgang te bevorderen en tegenstijdige beslissingen te voorkomen, aldus Zwapex Holding. 3.
- Jansen concludeert tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van Zwapex Holding in de proces- en nakosten, uitvoerbaar bij voorraad. 3.
- Jansen betwist dat er in afwijking van de wettelijke regeling voor verrekening een afspraak of standaardpraktijk is waardoor verrekening van een vermeende en door Jansen betwiste vordering van Zwapex Holding met de vordering van Jansen op Zwapex Afdichtingstechnieken mogelijk zou zijn. Verder betwist Jansen dat de uitkomst van de hoofdzaak voor Zwapex Holding nadelig kan zijn omdat het vermeende vorderingsrecht van Zwapex Holding blijft bestaan, ongeacht de uitkomst van deze procedure. Daarnaast stelt Jansen dat toewijzing van de incidentele vorderingen zal leiden tot onredelijke vertraging. 4De beoordeling in de incidenten tot voeging en voorwaardelijke tussenkomst 4.
- Ieder die daarbij belang heeft, kan zich voegen aan de zijde van een van de partijen in een geding of daarin tussenkomen (artikel 217 Rv). Voor het aannemen van een belang bij zowel voeging als tussenkomst, moet de partij die aan het geding wenst deel te nemen daarbij voldoende belang hebben in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de procedure kan ondervinden. Nadelige gevolgen kunnen zowel feitelijk als juridisch zijn. Indien aan deze eis is voldaan en de incidentele vordering tijdig is ingesteld (artikel 218 Rv), is die vordering in beginsel toewijsbaar. Onder omstandigheden kunnen de eisen van een goede procesorde aan toewijsbaarheid in de weg staan. De vordering tot voeging wordt toegewezen 4.
- De rechtbank oordeelt dat Zwapex Holding voldoende onderbouwd heeft gesteld dat zij belang heeft bij voeging aan de zijde van Zwapex Afdichtingstechnieken. Met haar vermeende schadevergoedingsvordering op Jansen in combinatie met haar vermeende recht om die vordering te mogen verrekenen met de vermeende vordering van Jansen op Zwapex Afdichtingstechnieken, kan haar rechtspositie van het al dan niet kunnen verrekenen van vorderingen worden geraakt door een beslissing in deze procedure. Dat de rechtsvordering tot schadevergoeding ook zonder het bestaan van een verrekeningsafspraak een zelfstandige vordering is, maakt dat voor het oordeel over de gevorderde voeging niet anders. 4.
- Het is mogelijk dat de procedure door de voeging vertraging oploopt. Dat deze vertraging voor Jansen onwenselijk is, maakt nog niet dat deze onredelijk is. In dit stadium van de procedure in de hoofdzaak, waarin Zwapex Afdichtingstechnieken nog geen conclusie van antwoord heeft genomen, kan, anders dan Jansen met haar stelling dat sprake is van een simpele onbetwiste incassovordering lijkt aan te nemen, geen prognose worden gegeven over het verloop van de procedure, laat staan over de uitkomst. Bovendien blijkt uit de eigen stellingen van Jansen dat Zwapex Afdichtingstechnieken het in elk geval niet eens is met het volledige bedrag van de vordering. De stelling dat enkel als gevolg van de voeging extra processuele rondes en mogelijk bewijsverrichtingen nodig zijn, is dan ook te voorbarig. Andere feiten of omstandigheden waaruit de onredelijkheid van een eventuele vertraging volgt zijn niet gesteld of gebleken. De vordering tot voorwaardelijke tussenkomst wordt afgewezen 4.
- Tussenkomst is toelaatbaar indien een derde een zelfstandig en rechtstreeks belang heeft dat door de uitkomst van de procedure kan worden geraakt. Hiervan kan sprake zijn als een tussenkomende partij een vordering wil instellen die samenhangt met de rechtsverhouding waarin zij wil tussenkomen. Indien dit tot gevolg zou hebben dat de procedure meer gecompliceerd wordt, kan de proceseconomie aan toewijzing van de tussenkomst in de weg staan. 4.
- Zwapex Holding stelt dat zij een zelfstandige vordering op Jansen heeft als de volgens haar bestaande groepsbrede verrekening niet mogelijk is. Met die stelling miskent zij het verschil tussen het bestaan van haar vorderingsrecht en het recht om die bestaande vordering te verrekenen. 4.
- Een gevoegde partij aan de zijde van gedaagde kan geen reconventionele vorderingen instellen. Tussenkomst kan dat ondervangen. De voorwaardelijkheid van de incidentele vordering tot tussenkomst voorziet erin dat Zwapex Holding pas wil tussenkomen om een eigen rechtsvordering in te stellen als de rechtbank in de hoofdzaak zou oordelen dat groepsbrede verrekening niet is toegestaan. Daargelaten of de rechtbank in de hoofdzaak aan beoordeling van de toelaatbaarheid van groepsbrede verrekening toekomt, valt niet in te zien welk in het kader van artikel 217 Rv te respecteren belang Zwapex Holding nog heeft bij de uitkomst van de procedure als zij haar (betwiste) vordering niet mag verrekenen. Uit de stellingen van Zwapex Holding blijkt immers dat de samenhang van rechtsverhoudingen enkel is gebaseerd op de vermeende afspraak tot groepsbrede verrekening. Als de rechtbank zou oordelen dat de afspraak tot onderlinge verrekening niet bestaat, dan ontvalt daarmee het belang bij tussenkomst door Zwapex Holding. De vermeende vordering tot schadevergoeding van Zwapex Holding op Jansen, gebaseerd op een gestelde gebruiksovereenkomst, staat immers los van de rechtsverhouding tussen Jansen en Zwapex Afdichtingstechnieken met betrekking tot door Jansen verrichte werkzaamheden en is dus op zichzelf onvoldoende om tussenkomst te rechtvaardigen. Dat Zwapex Afdichtingstechnieken en Zwapex Holding tot hetzelfde concern behoren en dat Jansen met beiden zaken doet, maakt dat niet anders. 4.
- Al met al is gesteld noch gebleken hoe Zwapex Holding door een beslissing in de hoofdzaak zou worden benadeeld, of welk verlies van recht zou dreigen, als uitgangspunt is dat zij haar vordering niet mag verrekenen. Bij de vordering tot tussenkomst heeft Zwapex Holding bij vervulling van de voorwaarde waaronder zij is ingesteld dus geen belang. Daarbij komt dat tussenkomst van Zwapex Holding de procedure onnodig zou compliceren. Voor een beslissing op de vorderingen in de hoofdzaak is in het geval dat de beoogde groepsbrede verrekening niet is toegestaan, de vraag of Zwapex Holding een vordering heeft op Jansen immers niet van belang. Zwapex Holding kan ten aanzien van die bewuste rechtsverhouding een afzonderlijke procedure tegen Jansen instellen zonder risico van tegenstrijdige beslissingen. Tussenkomst is daarom ook niet in het belang van de proceseconomie. Integendeel. De tussenkomst zou in de visie van Zwapex Holding ook pas in de toekomst plaatsvinden, pas na een te wijzen vonnis van de rechtbank tussen Jansen en Zwapex Afdichtingstechnieken. Dat leidt tot een vertraging zonder dat daarvoor een redelijke grond bestaat. Proceskosten en uitvoerbaarheid bij voorraad 4.
- Omdat beide partijen deels in het gelijk en deels in het ongelijk worden gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 4.
- De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad is, gelet op de aard van de beslissing, niet toewijsbaar. 5De beslissing De rechtbank: in het incident 5.
- laat Zwapex Holding toe als gevoegde partij in de hoofdzaak aan de zijde van Zwapex Afdichtingstechnieken, 5.
- compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in de zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af, in de hoofdzaak 5.
- bepaalt dat de zaak op de rol komt van 24 december 2025 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Zwapex Afdichtingstechnieken en Zwapex Holding, 5.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 12 november
- [3995/3268/3455] ECLI:NL:HR:2014:768