RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11550450 CV EXPL 25-3720 datum uitspraak: 21 november 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser 1] ,
(2)€ 800,- € 100,- € 450,- € 3,75 Zitstoelen woonkamer € 500,- € 100,- € 300,- € 2,50 Houten eettafel € 800,- € 300,- € 550,- € 4,58 Stoelen eettafel € 500,- € 250,- € 375,- € 3,13 Salontafels € 1.200,- € 400,- € 800,- € 6,67 2.
- De kantonrechter stelt de waarde van de kledingkast in de slaapkamer vast op € 250,-. Dit betekent dat [gedaagde 1] daar een maandelijkse vergoeding van € 2,08 (1/120 deel) voor in rekening mag brengen. [gedaagde 1] noemt in haar opgave ‘kledingkasten’ (meervoud) met een waarde van € 1.000,-. [eiser 1] heeft daar tegenin gebracht dat het slechts gaat om één ladekast en dat een vergelijkbare kast bij Ikea nu € 100,- kost. De kantonrechter gaat ook hier uit van een hoger bedrag omdat niet vast staat dat het een Ikea-kast is. Een waarde van € 250,- voor één ladekast is volgens de kantonrechter een redelijk bedrag. Inhoud en toebehoren keuken 2.
- Partijen zijn het eens over de waarde van de combi-oven (magnetron). Die is gekocht voor € 279,-. [gedaagde 1] mag daarom een bedrag van € 2,33 per maand (1/120 deel) bij [eiser 1] in rekening brengen. 2.
- [gedaagde 1] noemt voor de koelkast (zonder overlegging van een factuur) een waarde van € 800,-. [eiser 1] noemt (ook zonder verdere onderbouwing) een bedrag van € 250,-. De kantonrechter gaat ervan uit dat de werkelijke, redelijke waarde van de koelkast ongeveer in het midden zal liggen en bepaalt de waarde op € 500,-. [gedaagde 1] mag voor de koelkast een bedrag van € 4,17 per maand (1/120 deel) in rekening brengen. 2.
- Voor de broodrooster, de waterkoker, het servies en bestek, het koffiezetapparaat, de pannen en de prullenbak gaat de kantonrechter uit van de door [gedaagde 1] genoemde aanschafprijzen. Die komen hem niet onredelijk voor. De kantonrechter pas hierop echter wel een correctie toe, omdat – zoals [eiser 1] terecht stelt – uit niets blijkt dat het gaat om zaken die nieuw zijn gekocht voordat [eiser 1] het appartement in gebruik nam. Als dat inderdaad zo zou zijn, dan zou [gedaagde 1] facturen van deze zaken hebben kunnen overleggen. De kantonrechter volgt de door [eiser 1] gesuggereerde aftrek van 13,4% van de waarde, maar dan dus toegepast op de aanschafprijs die [gedaagde 1] heeft genoemd. Dit levert de volgende bedragen om, met wederom in de laatste kolom het bedrag dat [gedaagde 1] per maand bij [eiser 1] in rekening mag brengen. Zaak Opgave [gedaagde 1] Waarde na correctie 13,4% Vergoeding per maand (1/120 deel) Broodrooster € 30,- € 25,98 € 0,22 Waterkoker € 30,- € 25,98 € 0,22 Servies en bestek € 75,- € 64,95 € 0,54 Koffiezetapparaat € 30,- € 25,98 € 0,22 Pannen € 250,- € 216,50 € 1,80 Prullenbak € 70,- € 60,62 € 0,51 (Overige) apparatuur 2.
- Partijen zijn het eens over de aanschafprijs van de televisie, van € 349,-. [gedaagde 1] mag daarvoor € 2,91 per maand in rekeningen brengen. Ook over de wasmachine zijn partijen het eens. De aanschafprijs daarvan bedroeg € 389,-. Dat levert een maandelijkse vergoeding op van € 3,
- Tot slot zijn partijen het ook eens over de vergoeding voor de vaatwasser. Die bedraagt tot en met 26 januari 2023 € 1,94 per maand en vanaf 27 januari 2023 (aanschaf van een nieuwe vaatwasser à € 319,-) € 2,65 per maand. 2.
- Partijen zij het niet eens over de waarde van de droger. Volgens [gedaagde 1] is die € 650,- en volgens [eiser 1] € 339,-. De kantonrechter stelt de waarde naar redelijkheid vast op € 400,-. Gelet op de prijzen van de andere apparatuur is een aanschafprijs van € 650,- voor de droger onwaarschijnlijk. Een prijs van € 400,- sluit wel aan bij de waarde van de andere apparaten in het gehuurde. De vergoeding voor de droger komt daarmee op € 3,33 per maand. 2.
- Voor de geluidsapparatuur gaat de kantonrechter uit van een waarde van € 433,-. Dit is de door [gedaagde 1] genoemde aanschafprijs van € 500,-, verminderd met een correctie van 13,4% omdat niet is gebleken dat het gaat om nieuwe apparatuur. Als de apparatuur het niet doet, kan [eiser 1] herstel verlangen, maar in deze procedure is niet gebleken dat de apparatuur nooit gewerkt heeft en dat daarom geen vergoeding kan worden gevraagd. [gedaagde 1] mag dus een vergoeding in rekening brengen van € 3,61 per maand. 2.
- De door [gedaagde 1] genoemde aanschafprijs voor de strijkplank en het strijkijzer van € 150,- vindt de kantonrechter niet onwaarschijnlijk. Op dit bedrag past hij wel een correctie toe van 13,4% omdat de aanschafdatum niet vast staat. Dat levert een waarde op van € 129,90 en een maandelijkse vergoeding van € 1,
- 2.
- Voor de deurintercom mag [gedaagde 1] vanaf 14 januari 2024 € 1,75 per maand in rekening brengen. [eiser 1] stelt dat de intercom onroerend is, maar [gedaagde 1] heeft dat betwist. Uit de overgelegde factuur blijkt dat het gaat om een opbouw-intercom, hetgeen erop wijst dat het gaat om een eenvoudig te verwijderen zaak. De kantonrechter oordeelt daarom dat dit een roerende zaak is en dat [gedaagde 1] daarvoor een vergoeding in rekening mag brengen. De aanschafprijs op 14 januari 2024 was € 209,75, zo blijkt uit de factuur. Het terras 2.
- De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde 1] een vergoeding voor de terrasvlonders in rekening mag brengen. [eiser 1] heeft gesteld dat de vlonders nodig zijn om het terras te kunnen gebruiken, maar [gedaagde 1] heeft dat betwist en heeft ook gesteld dat de vlonders zonder schade te verwijderen zijn. [eiser 1] heeft dat laatste niet meer betwist. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat het gaat om roerende zaken. De waarde van de vlonders stelt de kantonrechter vast op € 259,
- Dit is de door [gedaagde 1] opgegeven aanschafprijs, verminderd met een correctie van 13,4% omdat uit niets blijkt dat de vlonders nieuw waren bij aanvang van de huurovereenkomst. De maandelijkse vergoeding voor de vlonders is dan € 2,
- 2.
- De kantonrechter stelt de waarde van het terrasmeubilair vast op € 216,
- Dit is de door [gedaagde 1] opgegeven aanschafprijs van € 250,-, verminderd met een correctie van 13,4%. De maandelijkse vergoeding voor het meubilair is dan € 1,
- Stoffering 2.
- [gedaagde 1] mag voor de raambekleding € 10,83 per maand in rekening brengen. Volgens [eiser 1] zou de raambekleding een waarde van € 110,- hebben, maar dat licht hij niet toe. De kantonrechter acht een aanschafprijs van € 1.500,- voor raambekleding niet onwaarschijnlijk. Hij past hierop wel een correctie toe van 13,4%, omdat niet is gebleken dat de raambekleding volledig nieuw was bij het aangaan van de huurovereenkomst. Dat levert een waarde op van € 1.299,- en daarmee een vergoeding van € 10,83 per maand. 2.
- Aan het kleed in de woonkamer kent de kantonrechter een waarde toe van € 120,-. De door [gedaagde 1] genoemde prijs van € 150,- is niet bijzonder hoog, maar uit niets blijkt dat het gaat om een nieuw kleed. De kantonrechter vindt een waarde van € 120,-, met een bijbehorende maandelijkse vergoeding van € 1,- redelijk. 2.
- Voor het douchegordijn gaat de kantonrechter uit van een aanschafprijs van € 30,-. Omdat niet is gebleken dat het gordijn nieuw is, past de kantonrechter ook hier de correctie van 13,4% toe. Dat levert een waarde op van € 25,98 en een maandelijkse vergoeding van € 0,
- 2.
- Partijen zijn het eens over de aanschafprijs van de kussens op de zitbanken van € 100,-. De kantonrechter volgt [eiser 1] in zijn stelling dat hierop een correctie moet worden toegepast van 13,4% omdat niet is gebleken dat de kussens nieuw waren op 1 september
- De waarde is dan € 86,60 en de maandelijkse vergoeding € 0,
- 2.
- De waarde van de matrassen, de kussens op het bed, het beddengoed en de handdoeken stelt de kantonrechter vast op het gemiddelde van de door partijen genoemde prijzen. [gedaagde 1] heeft de genoemde aanschafprijs niet onderbouwd en ook niet laten zien wanneer deze zaken gekocht zijn, maar [eiser 1] heeft ook niet onderbouwd dat het gaat om precies die zaken waarvan hij de prijzen noemt. De kantonrechter vindt het redelijk om schattenderwijs ervan uit te gaan dat de waarde ‘ergens in het midden’ zal liggen. De kantonrechter gaat er niet vanuit dat deze zaken eerder dan op 1 september 2019 zijn aangeschaft (en dus niet nieuw waren); daarom wordt op de vastgestelde waarde geen (nadere) correctie toegepast. Dit levert de volgende waardes en vergoedingen op: Zaak Opgave [gedaagde 1] Opgave [eiser 1] Waarde Vergoeding per maand (1/120 deel) Matras bed € 1.500,- € 300,- € 900,- € 7,50 Kussens bed € 125,- € 32,- € 78,50 € 0,65 Beddengoed € 200,- € 60,- € 130,- € 1,08 Handdoeken € 75,- € 40,- € 57,50 € 0,48 Brandblussers en lampen 2.
- De kantonrechter volgt [eiser 1] in zijn stelling dat de kosten voor de brandblussers moeten worden verdeeld over alle huurders, omdat ze in de algemene ruimten hangen. Anders dan [gedaagde 1] betoogt, moeten die kosten ook worden omgeslagen over de kapper die een kapsalon exploiteert in een andere ruimte die deel uitmaakt van het gebouw, waarin zich het door [eiser 1] gehuurde appartement bevindt. De kapsalon beschikt kennelijk over eigen brandblussers, maar dat neemt niet weg dat ook de kapper als huurder belang heeft bij de aanwezigheid van brandblussers in de algemene ruimten van het gebouw waarin hij een ruimte huurt. De kantonrechter gaat wel uit van de waarde die [gedaagde 1] noemt, namelijk € 200,- voor twee brandblussers. Deze kosten worden voor 50% gedragen door de verhuurder ( [gedaagde 1] ) en voor 50% door de gezamenlijke bewoners/ gebruikers van het complex. De waarde op basis waarvan een maandelijks bedrag aan servicekosten aan [eiser 1] mag worden doorbelast is daarom ¼ × € 100,- = €25,-. Dit komt neer op een maandelijks bedrag van € 0,
- 2.
- Partijen zijn het eens over de aanschafprijs van de lampen en spots van €750,-. Omdat niet is gebleken dat deze zaken nieuw waren op 1 september 2019, past de kantonrechter de door [eiser 1] gesuggereerde correctie van 13,4% toe. Dit levert een waarde op van € 649,50 en daarmee een maandelijkse vergoeding van € 5,
- Aankleding 2.
- De kantonrechter kent een vergoeding van € 10,83 per maand toe voor de aankleding van het gehuurde. Dat de aankleding deels is verwijderd op verzoek van [eiser 1] , betekent niet dat [eiser 1] geen vergoeding meer hoeft te betalen. Niet gebleken is namelijk dat partijen uitdrukkelijk hebben afgesproken om deze post in de servicekosten aan te passen en dat is wel nodig om de betalingsverplichting op dit punt te verlagen. De kantonrechter acht een aanschafprijs van € 1.500,- reëel, maar past hierop een correctie toe van 13,4% omdat niet vast staat dat de aankleding nieuw was op 1 september
- De waarde waarmee wordt gerekend is dan € 1.299,-. Berekening kosten roerende zaken en stoffering 2.
- Het voorgaande leidt tot de volgende kosten die [gedaagde 1] in de periode van 1 september 2019 tot en met 31 december 2024 per maand aan [eiser 1] mocht doorbelasten: 1 september 2019 t/m 26 januari 2023 € 91,71 27 januari 2023 t/m 13 januari 2024 € 92,42 14 januari 2024 t/m 31 december 2024 € 94,17 2.
- Berekend over de volledige periode levert dit het volgende jaarlijkse bedrag aan betalingsverplichting van [eiser 1] voor de categorie ‘roerende zaken’ op: 2019 € 366,84 2020 € 1.100,52 2021 € 1.100,52 2022 € 1.100,52 2023 € 1.100,63 2024 € 1.129,31 Onderhoudskosten en schoonmaak 2.
- [eiser 1] is akkoord met de kosten voor glazenwassen die [gedaagde 1] in rekening brengt. Uit bijlage 1 bij de als productie 5 bij dagvaarding overgelegde brief van de gemachtigde van [gedaagde 1] volgt dat het aandeel van [eiser 1] in de kosten voor de glazenwasser de volgende bedragen bedroeg: 2020 € 10,00 2021 € 32,00 2022 € 43,00 2023 € 10,00 2024 € 11,00 2.
- [gedaagde 1] mag geen kosten voor het uitvoeren van (klein dagelijks) onderhoud via de servicekosten bij [eiser 1] in rekening brengen. In artikel 7 van de huurovereenkomst is dit namelijk niet overeengekomen. Artikel 7 benoemt alleen ‘service- en onderhoudscontract’, maar geen kosten voor daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden. Nu niet in dit artikel (of elders als aanvulling op dit artikel) is afgesproken dat [gedaagde 1] de kleine herstellingen voor rekening van [eiser 1] zal uitvoeren, vormen die kosten geen onderdeel van de servicekosten als bedoeld in artikel 7:237 lid 3 BW. 2.
- [eiser 1] is bereid om de kosten voor het schoonmaken van de algemene ruimtes via de servicekosten te betalen. Hij heeft niet betwist dat deze werkzaamheden tot en met 31 januari 2022 twee keer per maand zijn uitgevoerd door mevrouw [persoon A] , tegen een tarief van € 12,- per uur. De door [gedaagde 1] genoemde kosten (in productie 15 bij de conclusie van dupliek) over de periode van 1 september 2019 tot en met 31 januari 2022 staat daarmee vast. Hiervan komt ¼ deel voor rekening van [eiser 1] . [eiser 1] is bereid om aan [gedaagde 1] (of hun moeder) een vergoeding te betalen voor het schoonmaken vanaf 1 februari
- Zij erkennen het schoonmaken met een frequentie van zes weken. Deze frequentie heeft [gedaagde 1] niet weersproken. De kantonrechter acht een uurtarief van € 17,50 redelijk, maar ziet geen grondslag voor het meerekenen van de (forse) reistijd tot en met december
- De omstandigheid dat [gedaagde 1] geen schoonmaker uit de omgeving (zonder reistijd en -kosten) heeft ingeschakeld, blijft voor zijn eigen rekening. Over de periode van 1 februari 2022 tot en met 31 december 2024 (35 maanden, afgerond 152 weken) is bij een frequentie van eens per zes weken (wederom afgerond) 25 keer schoongemaakt. Een schoonmaakbeurt duurt 1,5 uur, zo stelt [gedaagde 1] . [eiser 1] heeft dat niet weersproken. Ook hier geldt dat ¼ deel van de totale kosten voor rekening van [eiser 1] komt. Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde 1] over de periode van 1 februari 2022 tot en met 31 december 2024 (25 × 1,5 × €17,50 × ¼ =) € 164,06 bij [eiser 1] in rekening mag brengen. Dit is € 4,69 per maand. 2.
- De kosten voor schoonmaak en onderhoud, inclusief de kosten voor de glazenwasser, komen hiermee op de volgende jaarbedragen: 2019 € 36,00 2020 € 118,00 2021 € 140,00 2022 € 103,59 2023 € 66,28 2024 € 67,28 Verzekeringen en belastingen 2.
- [gedaagde 1] heeft opgave gedaan van de kosten die hij aan verzekeringen betreffende het gebouw (waarvan het gehuurde deel uitmaakt) heeft gemaakt, maar heeft in zijn conclusie van dupliek geen toelichting op de overgelegde facturen en polisbescheiden gegeven. Hij heeft deze facturen alleen gebruikt om een schatting te maken van het verloop van de jaarlijkse kosten, nu over de jaren 2020 tot en met 2023 kennelijk geen facturen meer voorhanden zijn. 2.
- De kantonrechter volgt voor wat betreft de kosten van de verzekering het beleid dat de Huurcommissie hanteert, namelijk: “De verzekeringen die direct verband houden met de onroerende zaak (zoals opstal-, brand-, stormschade-, bedrijfsschade- en aansprakelijkheidsverzekering) blijven voor rekening van de verhuurder. De kosten van een glasverzekering en een inboedelverzekering voor in gebruik gegeven roerende zaken kunnen wel aan de huurder doorberekend worden.” 2.
- Uit de overgelegde polisbescheiden over 2024 blijkt dat de premie voor de glasverzekering voor dat jaar €140,82 bedroeg (inclusief assurantiebelasting). Dat is 7,06% van de totale verzekeringspremie van € 1.993,
- Omdat een verdere specificatie en toelichting ontbreken, gaat de kantonrechter ervan uit dat afgezien van de glasverzekering geen andere verzekeringen in de polis zijn opgenomen waarvan de premie aan [eiser 1] kan worden doorbelast. Dat er een inboedelverzekering zou zijn, blijkt niet en is door [gedaagde 1] ook niet gesteld. 2.
- De kantonrechter gaat uit van de ontwikkeling van de totale verzekeringspremie zoals door [gedaagde 1] geschetst en door [eiser 1] niet weersproken. Dit betekent dat over 2019 wordt gerekend met een totale premie van € 1.713,72, over 2020 € 1.769,69, over 2021 € 1.825,66, over 2022 € 1.881,63 en over 2023 € 1.937,
- Daarvan is steeds 7,06% dat kan worden toegeschreven aan de glasverzekering. Het aandeel van [eiser 1] in de premie voor de glasverzekering bedraagt ¼ (naar rato van het aantal appartementen in het gebouw). [gedaagde 1] mag dan de volgende bedragen per maand bij [eiser 1] in rekening brengen via de servicekosten: Periode Totale premie Deel glasverzekering = 7,06% Aandeel [eiser 1] ¼ 1 september 2019-31 december 2019 € 571,24 (1/3 deel van de jaarpremie) € 40,33 € 10,08 2020 € 1.769,69 € 124,94 € 31,24 2021 € 1.825,66 € 128,89 € 32,22 2022 € 1.881,63 € 132,84 € 33,21 2023 € 1.937,60 € 136,79 € 34,20 2024 € 1.993,59 € 140,75 € 35,19 2.
- [gedaagde 1] heeft in zijn processtukken niets opgemerkt over belastingen, zodat de kantonrechter niet kan vaststellen dat [eiser 1] enige vergoedingsplicht heeft als het om belastingen en (regionale) heffingen gaat. De totale betalingsverplichting 2.
- Uit wat hierboven is overwogen volgt dat [gedaagde 1] in de jaren 2019 tot en met 2024 de volgende totaalbedragen bij [eiser 1] in rekening mocht brengen via de servicekosten: Jaar Nutsvoor-zieningen Stoffering Schoonmaak Verzekeringen Totaal 2019 € 391,88 € 366,84 € 36,00 € 10,08 € 804,80 2020 € 2.132,26 € 1.100,52 € 118,00 € 31,24 € 3.382,02 2021 € 2.670,84 € 1.100,52 € 140,00 € 32,22 € 3.943,58 2022 € 3.883,96 € 1.100,52 € 103,59 € 33,21 € 5.121,28 2023 € 4.866,6 € 1.100,63 € 66,28 € 34,20 € 6.067,77 2024 € 4.448,59 € 1.129,31 € 67,28 € 35,19 € 5.680,37 2.
- [gedaagde 1] heeft in het overzicht dat als bijlage 1 bij de brief van zijn gemachtigde (productie 5 bij dagvaarding) is overgelegd 2% ‘rente’ in rekening gebracht. De kantonrechter vat deze post op als administratiekosten. Het is een verhuurder toegestaan om administratiekosten in rekening te brengen bij het doorbelasten van servicekosten. Een percentage van 2% wordt redelijk geacht. Daarom mag [gedaagde 1] de volgende bedragen aan administratiekosten optellen bij de hiervoor genoemde totaalbedragen: Jaar Subtotaal Administratiekosten 2% Totaal 2019 € 804,80 € 16,10 € 820,90 2020 € 3.382,02 € 67,64 € 3.449,66 2021 € 3.943,58 € 78,87 € 4.022,45 2022 € 5.121,28 € 102,43 € 5.223,71 2023 € 6.067,77 € 121,36 € 6.189,13 2024 € 5.680,37 € 113,61 € 5.793,98 2.
- Vast staat dat [eiser 1] over de periode van september 2019 tot en met november 2022 een maandelijks voorschot servicekosten van € 450,- heeft betaald (€ 150,- voor de nutsvoorzieningen en € 300,- voor de overige leveringen en diensten). Vanaf december 2022 betaalt hij € 550,- per maand als voorschot (€ 250,- voor de nutsvoorzieningen en € 300,- voor de overige leveringen en diensten). Dit betekent voor de betalingsverplichting van [eiser 1] het volgende, waarbij het verschuldigde bedrag bestaat uit het totaalbedrag aan servicekosten plus de administratiekosten: Jaar Verschuldigd Betaald Saldo 2019 € 820,90 € 1.800,- € 979,10 2020 € 3.449,66 € 5.400,- € 1.950,34 2021 € 4.022,45 € 5.400,- € 1.377,55 2022 € 5.223,71 € 5.500,- € 276,29 2023 € 6.189,13 € 6.600,- € 410,87 2024 € 5.793,98 € 6.600,- € 806,02 Totaal saldo € 5.800,17 Het saldo van € 5.800,17 moet [gedaagde 1] aan [eiser 1] terugbetalen. [gedaagde 1] moet rente betalen 2.
- [gedaagde 1] moet de wettelijke rente betalen over het saldo dat steeds open heeft gestaan, vanaf het moment dat de afrekening had moeten worden verstrekt (uiterlijk op 1 juli van het volgende kalenderjaar) tot de datum dat volledig is betaald. [gedaagde 1] moet de proceskosten betalen 2.
- De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan [eiser 1] moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht, € 1.017,- aan salaris voor de gemachtigde (3 punten × € 339,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.387,
- Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser 1] dat vordert en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- stelt de betalingsverplichting van [eiser 1] betreffende de servicekosten over de jaren 2019 tot en met 2024 vast zoals opgenomen onder 2.43van dit vonnis; 3.
- veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser 1] te betalen € 5.800,17, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het saldo als genoemd onder 2.44 van dit vonnis, steeds vanaf 1 juli van het kalenderjaar volgend op het jaar waarover het saldo is ontstaan, tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser 1] worden begroot op € 1.387,45; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken. 51909 1 september 2019 t/m 7 januari 2020 = 129 dagen. 1 september 2019 t/m 31 december 2019 = 122 dagen. 122/129 × €49,10 = € 46,
- 1 januari t/m 7 januari 2020 is € 49,10 - €46,44 = € 2.
- 8 januari 2020 t/m 31 december 2020 is € 568,
- € 2,66 + €568,73 = € 571,
- 1 januari 2021 t/m 10 december 2021 is € 572,
- 11 december 2021 t/m 10 december 2022 (365 dagen) is € 624,
- 11 december 2021 t/m 31 december 2021 is 21 dagen. 21/365 × € 624,20 = €35,
- € 35,91 + €572,05 = € 607,
- 11 december 2021 t/m 31 december 2021 is € 35,91 (zie voetnoot 3). 1 januari 2022 t/m 10 december 2022 is € 624,20 – € 35,91 = € 588,
- 11 december 2022 t/m 10 januari 2024 (396 dagen) is € 706,
- 11 december 2022 t/m 31 december 2022 is 21 dagen. 21/396 × € 706,57 = € 37,
- € 588,29 + € 37,47 = € = € 625,
- 2023 is 365 dagen / 396 dagen × € 706,57 = € 651,
- 1 januari 2024 t/m 10 januari 2024 is 10 dagen / 396 dagen × € 706,57 = € 17,
- 11 januari 2024 t/m 31 december 2024 is € 715,
- € 715,93 + €17,84 = € 733,
- 1 januari 2020 t/m 14 juni 2020 is € 242,
- 15 juni 2020 t/m 14 juni 2020 (365 dagen) is € 620,
- 15 juni 2020 t/m 31 december 2020 is 200 dagen. (200/366 × € 620,48 = € 339,
- € 339,99 + € 242,28 = € 582,
- 1 januari 2021 t/m 14 juni 2021 is 165 dagen. 165/365 × € 620,48 = € 280,
- 15 juni 2021 t/m 23 juni 2022 (374 dagen) is € 782,
- 15 juni 2021 t/m 31 december 2021 is 200 dagen. 200/374 × € 782,09 = € 418,
- € 280,49 + € 418,23 = € 698,
- 1 januari 2022 t/m 23 juni 2022 is 174 dagen. 174/374 × € 782,09 = € € 363,
- 24 juni 2022 t/m 23 juni 2023 (365 dagen) is € 1.787,
- 24 juni 2022 t/m 31 december 2022 is 191 dagen. 191/365 × € 1.787,40 = €935,
- € 363,86 + € 935,32 = €€ 1.299,
- 1 januari 2023 t/m 23 juni 2023 is 174 dagen. 174/365 × € 1.787,40 = € 852,
- 24 juni 2023 t/m 2 juli 2024 (375 dagen) is € 1.663,
- 24 juni 2023 t/m 31 december 2023 is 191 dagen. 191/375 × € 1.663,45 = € 847,
- € 852,08 + € 847,25 = € 1.699,
- 1 januari 2024 t/m 2 juli 2024 is 184 dagen. 184/375 × € 1.663,45 = € 816,
- 3 juli 2024 t/m 31 december 2024 is € 827,
- € 816,20 + € 827,18 = € 1.643,
- 1 januari 2020 t/m 14 juni 2020 is € 232,
- 15 juni 2020 t/m 14 juni 2021 (365 dagen) is € 1.361,
- 15 juni 2020 t/m 31 december 2020 is 200 dagen. 200/365 × € 1.361,15 = € 745,
- € 232,76+ € 745,84 = € 978,
- 1 januari 2021 t/m 14 juni 2021 is 165 dagen. 165/365 × € 1.361,15 = € 615,
- 15 juni 2021 t/m 23 juni 2022 (374 dagen) is € 1.400,
- 15 juni 2021 t/m 31 december 2021 is 200 dagen. 200/374 × € 1.400,35 = € 748,
- € 615,31 + € 748,85 = € 1.364,16.. 1 januari 2022 t/m 23 juni 2022 is 174 dagen. 174/374 × € 1.400,35 = € 651,
- 24 juni 2022 t/m 23 juni 2023 (365 dagen) is € 2.498,
- 24 juni 2022 t/m 31 december 2022 is 191 dagen. 191/365 × × € 2.498,66 = € 1.307,
- € 651,50 + € 1.307,52 = € 1.959,
- 1 januari 2023 t/m 23 juni 2023 is 174 dagen. 174/365 × € 2.498,66 = € 1.191,
- 24 juni 2023 t/m 2 juli 2024 (375 dagen) is € 2.601,
- 24 juni 2023 t/m 31 december 2023 is 191 dagen. 191/375 × € € 2.601,31 = € 1.324,
- € 1.191,14 + € 1.324,93 = € 2.516,
- 1 januari 2024 t/m 2 juli 2024 is 184 dagen. 184/375 × € 2.601,31 = 1.276,
- 3 juli 2024 t/m 31 december 2024 is € 795,
- € 1.276,38 + € 795,06 = € 2.071,
- 4 × € 91,
- 12 × € 91,71 (zo ook in 2021 en 2022). 26/31 dagen × € 91,71 en 11 maanden en 5/31 dagen × €92,
- 13/31 dagen × € 92,42 en 11 maanden en 18/31 dagen × € 94,
- Schoonmaak algemene ruimtes over januari 2022 € 9,- over februari 2022 tot en met december 2022 11 × € 4,69.