Rechtbank Rotterdam Team insolventie insolventienummer: [nummer] vonnis van: 19 november 2025 op het verzoek van: [verzoekster] , wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam]. Waar deze zaak over gaat [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 9 december 2024. Dit verzoek wordt ook toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. 1De procedure 1.1. [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp. 1.2. Het verzoek is behandeld op de zitting van 11 november 2025. Op de zitting zijn verschenen: - [verzoekster], - Mevrouw L. de Ridder, schuldhulpverlener Zuidweg & Partners, - De heer P. Ruijsbroek, beschermingsbewindvoerder. 1.3. Op 12 november 2025 heeft schuldhulpverlening aanvullende stukken aan de rechtbank toegezonden. 2De beoordeling van het verzoek De toelating 2.1. [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen. 2.2. [verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp. Bevoegdheid 2.3. De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt. Duur 2.4. De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op achttien maanden. De ingangsdatum 2.5. De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan. 2.6. Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan. 2.7. De rechtbank kan de vraag of [verzoekster] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Vast staat dat op 9 december 2024 de eerste aflossing heeft plaatsgevonden. Vanaf die datum is door [verzoekster] maandelijks een bedrag van € 438,44 afgedragen, tot juli 2025. Vanaf juli 2025 is maandelijks € 452,25 afgedragen. Ter bevestiging van de juistheid van de hoogte van de maandelijkse afdracht door [verzoekster] zijn drie vtlb berekeningen overgelegd. De rechtbank stelt evenwel vast dat bij de vtlb berekening over de periode geldend van 1 juli 2024 tot en met 31 december 2024 geen onderliggende stukken zijn overgelegd. Ook is er geen berekening van het vtlb over de periode januari 2025 tot en met juni 2025 met onderliggende stukken overgelegd en ontbreken er enkele stukken bij de berekening van het vtlb over de periode juli 2025 tot en met december 2025. Aldus kan geen volledige beoordeling plaatsvinden of het bedrag dat [verzoekster] in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject heeft afgedragen juist is. 2.8. De rechtbank acht echter op basis van de verstrekte gegevens op voorhand niet onaannemelijk dat door [verzoekster] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan. Mede omdat er gezien de pensioengerechtigde leeftijd van [verzoekster] sprake is van een stabiele inkomenssituatie. Daarnaast is door haar in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject een bedrag gespaard van € 5.699,72 ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.