Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2025:13789
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/2666 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 december 2025 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister (gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een ontstane OV-schuld over de periode januari 2025. Eiser is het niet eens met deze OV-schuld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of eiser in januari 2025 ten onrechte gebruik heeft gemaakt van een reisproduct waardoor een schuld van € 185,98 is ontstaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop 2. Met het besluit van 10 februari 2025 ( het primaire besluit) heeft de minister eiser meegedeeld dat hij over de periode januari 2025 ten onrechte heeft beschikt over een reisproduct waardoor een schuld van € 185,98 is ontstaan.
2.1 Met het besluit van 11 maart 2025 ( het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
Eiser heeft op 13 mei 2025 aanvullende stukken ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Aan het bestreden besluit heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is per 20 september 2024 door zijn onderwijsinstelling uitgeschreven. Daarom heeft hij vanaf oktober 2024 geen recht op studiefinanciering. Eiser heeft zijn reisproduct niet uiterlijk de tiende werkdag van de maand oktober 2024 stopgezet. In de eerste helft van de maand januari 2025 heeft eiser met het reisproduct gereisd. Op grond van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 is eiser hiervoor een bedrag van € 185,98 verschuldigd. Van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan eiser kan worden toegerekend is niet gebleken.
Het standpunt van eiser 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser heeft de minister geen bewijs overgelegd waaruit zou blijken dat hij opzettelijk of onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van het OV-reisproduct. De OV-kaart is zijn eigendom. De minister heeft geen recht om te bepalen of eiser al dan niet gebruik mag maken van het OV-reisproduct. Eiser wijst naar artikel 6:227b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat, nu de minister het reisproduct niet heeft stopgezet, hij kon aannemen dat hij nog recht had op het reisproduct. Eiser betoogt dat de minister de mogelijkheid heeft om het reisproduct te stoppen, maar dit bewust niet doet. Eiser stelt dat de minister hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de noodzaak om het OV-reisproduct stop te zetten. Een waarschuwing of herinnering had de boete kunnen voorkomen, aldus eiser. Hij stelt altijd voor zijn OV-reisproduct te hebben betaald. Hij heeft geen misbruik van het systeem gemaakt. Eiser betoogt recht op vergoeding te hebben nu hij zijn studentenreisproduct pas na 11 maanden heeft geactiveerd. In die periode heeft eiser zijn reiskosten zelf betaald. Daarnaast heeft eiser ook een verzoek om schadevergoeding gedaan en wil hij dat de minister inzichtelijk maakt de kosten die hij voor deze procedure moet maken.
Het oordeel van de rechtbank 5. Niet in geschil is dat eiser op 20 september 2024 is uitgeschreven door de onderwijsinstelling waar hij stond ingeschreven. Daarom heeft hij met ingang van 30 september 2024 geen recht meer op studiefinanciering en ook geen recht meer op een studentenreisproduct. Dat eiser het niet eens is met de uitschrijving, is in deze procedure niet van belang, nu dat gelet op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep een geschil is tussen hem en de school.
Verder wil eiser voor het niet gebruiken van zijn reisproduct gedurende die 11 maanden een vergoeding. Hiervoor biedt de Wsf 2000 geen grondslag. Bovendien is het een eigen keuze geweest van eiser om het product niet te activeren en er geen gebruik van te maken.
Conclusie en gevolgen 13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Nu het beroep ongegrond wordt verklaard heeft eiser ook geen recht op schadevergoeding. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2025. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2076.
ECLI:NL:RBOVE:2024:5627