Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 71/086815-24 Datum uitspraak: 28 november 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres], raadsman mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 en 19 september en 9 en 10 december 2024 en 7 maart, 21 mei, 7 en 8 oktober 2025. Het onderzoek is gesloten op de terechtzitting van 28 november 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdachte wordt – kort samengevat – het volgende verweten: - het medeplegen van het overdragen van vuurwapens op 21 november 2023 en 5 april 2024 met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken (feit 1 primair), dan wel de medeplichtigheid daaraan (feit 1 subsidiair); - het medeplegen van andere wapenoverdrachten in de periode 21 november 2023 tot en met 5 maart 2024 (feit 1 primair), dan wel de medeplichtigheid daaraan (feit 2 subsidiair); - het medeplegen van wapenhandel zonder erkenning in de uitoefening van een bedrijf in de periode van 17 november 2023 tot en met 5 april 2024 (feit 3). 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. G. Sannes heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde, met uitzondering van het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken bij de overdracht op 21 november 2023; bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van voorarrest. 4Aanleiding onderzoek 26Espeon en verdenking verdachte Op 12 maart 2024 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een ambtsbericht verstrekt met daarin informatie over personen die bij ‘Common Law Nederland Earth’ (CLNE) betrokken zouden zijn. Volgens het Kennis- en Expertisecentrum CTER van de politie is de 'Common Law beweging', een ideologische variant binnen de soevereinenbeweging. Het volk heeft volgens de beweging het recht om zich te bewapenen en te verdedigen. Aanhangers van de ideologie roepen op tot het arresteren van 'vijanden van het vrije Nederlandse volk' en bepleiten hun berechting voor tribunalen. Indien nodig mag bij de arrestaties wat hen betreft dodelijk geweld gebruikt worden. Het ambtsbericht bevatte verder informatie over een CLNE-bijeenkomst waarbij aanwezigen zeiden bereid te zijn geweld te gebruiken tegen autoriteiten en over handel in illegale vuurwapens, waar de verdachte bij betrokken zou zijn. Naar aanleiding van dit ambtsbericht is onderzoek 26Espeon gestart. Binnen het onderzoek zijn in totaal tien verdachten aangehouden en vonden diverse doorzoekingen plaats, waarbij op verschillende locaties onder meer vuurwapens en munitie in beslag werden genomen. 5Waardering van het bewijs 5.1. Feit 1: wapenoverdrachten met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken 5.1.1. Standpunt officier van justitie Het feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. Op 21 november 2023 en 5 april 2024 hebben de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] vuurwapens overgedragen. Bij de levering op 5 april 2024 hebben de verdachte en [medeverdachte 1] gehandeld met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. Dat volgt uit een opgenomen gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] op 4 maart 2024 na een ontmoeting met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Hierin bespraken zij dat de kopers rechtsextremistisch zijn en de vuurwapens wilden gebruiken voor een totale opstand. Ze wilden beginnen met het doden van een burgemeester en politieagenten. De verdachte en [medeverdachte 1] hebben op 5 april 2024 drie vuurwapens overgedragen, in het besef dat de kopers daarmee een terroristisch misdrijf wilden plegen. Zij hebben dat terroristisch misdrijf als noodzakelijk gevolg willens en wetens voor lief genomen. 5.1.2. Standpunt verdediging De verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit omdat hij niet als medepleger kan worden aangemerkt van de beide overdrachten. Op 21 november 2023 was de verdachte alleen maar als tussenpersoon aanwezig bij de levering van de wapens. Hij wist niet wat er overgedragen zou worden of welke afspraken er tussen de koper en verkoper waren gemaakt. Bij de overdracht op 5 april 2024 kan de verdachte evenmin worden aangemerkt als medepleger omdat er geen gezamenlijke uitvoering, intensieve samenwerking of onderlinge gelijkwaardigheid was. De verdachte had zich bedacht. De verdachte heeft zich niet of nauwelijks met de transactie bemoeid. Er was in ieder geval geen sprake van een terroristisch oogmerk bij de overdrachten. De verdachte heeft met zijn handelen bij beide overdrachten hooguit opzettelijk de gelegenheid verschaft tot het plegen daarvan. De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of dit medeplichtigheid oplevert, zoals subsidiair ten laste is gelegd. 5.1.3. Beoordeling De verdachte en [medeverdachte 2] waren collega’s. Op enig moment heeft [medeverdachte 2] te kennen gegeven dat hij op zoek was naar vuurwapens. De verdachte heeft daarover contact gehad met [medeverdachte 1] die vuurwapens kon leveren. De verdachte en [medeverdachte 2] hebben via whatsapp contact gehad over de aanschaf van tien vuurwapens. Op 21 november 2023 zijn er tien vuurwapens overgedragen aan [medeverdachte 2]. De verdachte en [medeverdachte 1] waren hierbij aanwezig. Na het overdragen van de wapens, ontstond een discussie over de vraag of de vuurwapens wel naar behoren functioneerden. [medeverdachte 2] heeft om nieuwe vuurwapens en munitie gevraagd. Op 4 maart 2024 hebben de verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] elkaar ontmoet en over vuurwapens en munitie gesproken. Toen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] vertrokken waren heeft de verdachte tegen [medeverdachte 1] gezegd dat ‘hij’ wel eens gezegd had dat ze wilden beginnen met het omleggen van de burgemeester van Deventer, het neerschieten van elke agent en dat ze een totale opstand wilden. Door tussenkomst van de verdachte werd op 5 april 2024 een afspraak gemaakt tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] omdat [medeverdachte 1] hem spullen wou geven. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werden op 5 april 2024 bij die overdracht aangehouden. Bij [medeverdachte 2] werden toen drie vuurwapens aangetroffen. De rechtbank zal de rol van de verdachte bespreken en de vraag of er bij de overdrachten van de vuurwapens sprake was van een terroristisch oogmerk. 21 november 2023: de overdracht van tien vuurwapens De verdachte heeft met [medeverdachte 2] gesproken over het aantal vuurwapens, de prijzen daarvan, de typen vuurwapens die hij in voorraad had en de afspraak voor de overdracht gemaakt. Daarbij heeft de verdachte het meestal over ‘wij’, wat impliceert dat hij samen met iemand anders de vuurwapens kan leveren. Hij was ook aanwezig toen de vuurwapens werden overgedragen. De materiële en intellectuele bijdrage van de verdachte bij deze overdracht is van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 1]. Dat zij op dat moment wisten wat [medeverdachte 2] met de wapens van plan was kan niet worden vastgesteld. Dat de verdachten handelden met het oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken kan niet worden bewezen. 5 april 2024: de overdracht van drie vuurwapens De verdachte was niet aanwezig bij de overdracht van vuurwapens op 5 april 2024. Uit de chats tussen de verdachte en [medeverdachte 2] blijkt dat de verdachte het contact over deze overdracht onderhoudt en alle communicatie voert. Zijn rol is dezelfde als bij de levering op 21 november 2023. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] maken uiteindelijk onderling een afspraak omdat de verdachte niet aanwezig kan zijn bij de overdracht. De dag na de aanhouding van [medeverdachte 1] laat de verdachte aan iemand weten dat hij ‘net even niet mee was, maar wel heel veel contact had gehad van tevoren’. Uit niets blijkt dat verdachte niet bij de overdracht was omdat hij tot een ander inzicht was gekomen met betrekking tot de wapenhandel. Het handelen van de verdachte is ook in dit geval van voldoende gewicht om van medeplegen te kunnen spreken. Oogmerk een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken op 5 april? Uit artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht volgt dat een terroristisch misdrijf een misdrijf is dat gepleegd wordt met het oogmerk om onder andere een overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, dan wel de fundamentele politieke of constitutionele structuren van een land ernstig te ontwrichten of te vernietigen. Uit de contacten die voorafgingen aan de ontmoeting met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 4 maart 2024 leidt de rechtbank af dat de verdachte met ‘hij’ [medeverdachte 2] bedoelde. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt hoe en in welke context [medeverdachte 2] dit tegen de verdachte gezegd zou hebben. Verdachte en [medeverdachte 1] lijken het een kansloos plan te vinden. Het gesprek tussen de verdachte en [medeverdachte 1] is onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte serieus rekening hield met de mogelijkheid dat [medeverdachte 2] terroristische misdrijven met de vuurwapens zou begaan. Uit de overige dossierstukken kan evenmin worden afgeleid dat de verdachte kennis droeg van (concrete) voorgenomen terroristische misdrijven. Dat door de verdachte gehandeld is met het oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken kan dan ook niet worden bewezen. 5.1.4. Conclusie Het primair ten laste gelegde medeplegen van de overdracht van tien vuurwapens op 21 november 2023 en drie vuurwapens op 5 april 2024 is wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt vrijgesproken van het strafverzwarende oogmerk om een terroristisch misdrijf voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken. 5.2. Feit 3: wapenhandel 5.2.1. Standpunt verdediging Voor zover de verdenking betrekking heeft op de overdrachten op 21 november 2023 en 5 april 2024, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. De chats tussen de verdachte en [medeverdachte 1] kunnen niet leiden tot een veroordeling voor andere wapenhandel omdat deze onvoldoende aanknopingspunten bieden om vast te kunnen stellen waarover werd onderhandeld. Onduidelijk blijft of het ging om wapens of munitie en tot welke categorie van de Wet wapens en munitie die dan zouden behoren. Er zijn namelijk geen wapens of munitie aangetroffen die te linken zijn aan de chats. 5.2.2. Beoordeling Uit het dossier blijkt dat de verdachte in de ten laste gelegde periode met verschillende personen heeft gesproken over de aankoop en verkoop van wapens en munitie en dat hij daarbij samenwerkte met [medeverdachte 1]. Dit heeft in ieder geval geleid tot de overdracht van vuurwapens op 21 november 2023 en 5 april 2024. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat ook buiten deze twee overdrachten door de verdachte en [medeverdachte 1] vuurwapens zijn verhandeld. Uit de chat met [medeverdachte 1] op 5 maart 2024 blijkt dat ene ‘[naam]’ de verdachte heeft geappt over een ‘Barett’ en op 19 februari 2024 vraagt de verdachte aan [medeverdachte 1] of hij er ‘vnv een kan ophalen voor die rapperttt’, waarna er over een ‘desert’ wordt gesproken. Met barett en desert worden vuurwapens bedoeld. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] wapens verhandelde, waarbij hij heeft onderhandeld over de verkoop van vuurwapens en gesproken heeft over de levering daarvan. Dat de verdachten voor deze activiteiten geen erkenning (vergunning) hadden volgt uit de wijze waarop er over de handel werd gecommuniceerd en de wijze waarop [medeverdachte 1] aan de wapens kwam, te weten via Telegram. Gezien de frequentie waarmee de verdachten hebben gehandeld is bovendien bewezen dat sprake is van handelen in de uitoefening van een bedrijf. 5.2.3. Conclusie De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen. 5.3. Vrijspraak feit 2 (andere wapenoverdrachten) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 5.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan op die wijze dat: 1. hij op of omstreeks 21 november 2023 en/of 5 april 2024, te Heeten en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, vuurwapens (10 stuks op 21 november 2023 en 3 stuks op 5 april 2024) als bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, heeft overgedragen, terwijl het feit is/de feiten zijn begaan met het oogmerk om een terroristisch misdrijf (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken; 3. hij in de periode van 17 november 2023 tot en met 5 april 2024 te Wijhe en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, zonder erkenning vuurwapens en munitie van categorie II en/of III in de uitoefening van een bedrijf heeft verhandeld en/of heeft onderhandeld over de aankoop, verkoop of levering van zulke vuurwapens en munitie door met een of meer ander(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.