← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:13970

RECHTBANK ROTTERDAM Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/4351 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen [eiser], uit Spijkenisse, eiser (gemachtigde: mr. M.P. Harten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nissewaard, het college (gemachtigde: [naam]. Procesverloop Bij besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiser om in aanmerking te komen voor urgentieverklaring vanwege de urgentiegrond “woonlasten” afgewezen. In het besluit van 24 april 2025 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. E. Paydas, als waarnemer van zijn gemachtigde. Het college is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Overwegingen

  1. Eiser heeft op 18 november 2024 bij het college een aanvraag gedaan voor een urgentieverklaring vanwege de urgentiegrond “Woonlasten”. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2024 afgewezen.
  2. Het college heeft aan het bestreden besluit, waarmee het primaire besluit wordt gehandhaafd, ten grondslag gelegd dat eiser niet voldoet aan de algemene voorwaarde voor toekenning van de aanvraag op de urgentiegrond ‘Woonlasten’ zoals bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, van Bijlage 1 van de Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (Verordening) omdat hij van een particulier huurt. Volgens het college is dan de urgentieregeling niet van toepassing. Ook zijn eiser en de de verhuurder met betrekking tot de bedoelde woonruimte een huurovereenkomst op basis van een tijdelijke huurovereenkomst aangegaan.
  3. Eiser stelt dat het college de aanvraag voor een urgentieverklaring ten onrechte heeft afgewezen. Hij voert daartoe aan dat hij wel aan de voorwaarden voor urgentie voldoet, onverwachts zijn baan is verloren en leeft van een minimale WW-uitkering. Hierdoor zijn de woonlasten onevenredig hoog in relatie tot het huishoudinkomen van eiser. Er is daardoor ook een huurachterstand ontstaan. Er is op 12 december 2025 een ontruimingsvonnis gewezen. Voorts stelt hij dat er in zijn geval aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule, omdat niet alleen eiser door de uithuiszetting dakloos wordt, maar het hele gezin. Bovendien heeft hij medische klachten, waardoor hij dient te beschikken over deugdelijke huisvesting. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij tot mei 2025 in de gehuurde woning mocht blijven wonen en dat hij nu in een huisje op een volkstuincomplex verblijft.
  4. In het bestreden besluit is het volgende opgenomen:“Om in aanmerking te komen voor een urgentieverklaring dient de aanvrager aan bepaalde voorwaarden te voldoen. De Reikwijdte, hoofdstuk 2 Woonruimtebemiddeling, paragraaf 2.1 Algemeen, artikel 2.1.1., lid 1 Reikwijdte stelt het volgende: "
  5. Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op alle van corporaties of van gemeenten voor verhuur vrijkomende of beschikbare zelfstandige woonruimten onder de huurprijsgrens. Uit de bijgevoegde huurovereenkomst blijkt dat u geen woning huurt bij een woningcorporatie. U en de verhuurder zijn met betrekking tot de bedoelde woonruimte een huurovereenkomst op basis van een tijdelijke huurovereenkomst aangegaan. U voldoet niet aan de voorwaarde."
  6. De rechtbank begrijpt uit de voorgaande passage dat het college de urgentieaanvraag van eiser (reeds) heeft afgewezen op de grond dat hij niet aan de (algemene) voorwaarde zou voldoen dat hij op het moment van de aanvraag een zelfstandige woonruimte bij een woningcorporatie huurt die onder de huurprijsgrens valt. Op die grond is de aanvraag ook in de primair fase afgewezen. De rechtbank kan dit standpunt van het college niet volgen. Het college beroept zich voor de weigering op artikel 2.1.
  7. van de Verordening. Dit artikel stelt naar het oordeel van de rechtbank echter geen voorwaarde aan degene die een urgentieverklaring aanvraagt, maar regelt slechts dat urgentie alleen worden verleend voor woonruimte van corporaties of gemeenten onder de huurprijsgrens. De rechtbank ziet dit bevestigd in de weigeringsgronden voor urgentie zoals opgenomen in artikel 2.3, tweede lid van Bijlage I, waarin artikel 2.1.1 (in tegenstelling tot artikel 2.1.2) niet wordt genoemd als weigeringsgrond. Verder volgt uit artikel 5.3, derde lid,van Bijlage I van de Verordening dat onder woonlasten als bedoeld in het eerste lid worden verstaan alle kosten die het bewonen van woonruimte met zich meebrengt en die naar het oordeel van het bestuursorgaan direct te koppelen zijn aan het in eigendom hebben van woonruimte dan wel het huren van woonruimte. Hierin is niet de voorwaarde gesteld dat sprake dient te zijn van een huurovereenkomst bij een woningcorporatie.
  8. Dit betekent dat het college artikel 2.1.1, eerste 1 van de Verordening niet aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft mogen leggen. Voor het overige heeft het college met het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd in hoeverre is getoetst aan de weigeringsgronden van de verordening en die in de weg staan aan het verlenen van urgentie. Dit betekent ook dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek - het hanteren van een onjuiste grondslag voor het bestreden besluit - niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Het beroep is dus in zoverre gegrond.
  9. Zoals hiervoor is overwogen onder
  10. tot en met
  11. is het bestreden besluit in strijd met motiveringsbeginsel. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
  12. Het college moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het college gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
  13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt het college op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen; - stelt het college in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Zwager, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 december
  14. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.