RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/10847 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen [eiser], uit Rotterdam, eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college (gemachtigden: mr. T. Baltus en mr. W. Breure). Samenvatting Deze uitspraak gaat over intrekking van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2023 en terugvordering van € 60.832,08 (netto). Het college heeft aan de intrekking en terugvordering ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op (aanvullende) bijstand. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden is het beroep beoordeeld. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het college terecht heeft geconcludeerd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden en terecht € 60.832,08 van eiser heeft teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Procesverloop 1. Met het besluit van 15 februari 2024 heeft het college de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 31 oktober 2023 ingetrokken en € 60.832,08 (netto) teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 25 oktober 2024 op het bezwaar van eiser is het college, onder wijziging van de grondslag, bij dat besluit gebleven. 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. Het college heeft een verweerschrift ingediend. 1.3. Eiser heeft op 16 oktober 2025 nadere stukken en op 24 oktober 2025 en 1 november 2025 nadere gronden ingediend. 1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college. Totstandkoming van het besluit 2. Het college heeft op 17 februari 2022 een fraudemelding ontvangen van mr. T.A. Vermeulen, de advocaat van [naam 1] (hierna: [naam 1]), eigenaar van de huurwoning van eiser, met daarbij een e-mail van eiser. In die e-mail vermeldt eiser dat hij sinds 2013/2014 een bedrag van € 350,- per maand ontvangt van [naam 1] voor werkzaamheden en dat die betalingen plaatsvinden op een bankrekening die op naam van de broer van eiser staat, maar door hem wordt gebruikt. Het college heeft naar aanleiding van deze melding onderzoek verricht naar op geld waardeerbare activiteiten van eiser en naar zijn vermogen. Het college heeft op 10 juni 2022 desgevraagd van de bewindvoerder van [naam 1], [naam 2], een overzicht over de periode van 2 oktober 2018 tot en met 19 november 2021 ontvangen van de betalingen die [naam 1] aan eiser had gedaan op de bankrekening van eisers broer. In totaal betreft dit een bedrag van € 130.428,66, exclusief de maandelijkse betalingen van € 350,-. Volgens de bewindvoerder had eiser daarnaast ruim een jaar toegang tot de bankrekening van [naam 1] en was hij in het bezit van de app en de bankpas van [naam 1], terwijl [naam 1] op een gesloten afdeling bij Antes verbleef. Het college heeft nader onderzoek gedaan en de onderzoeksbevindingen in een rapportage van 29 augustus 2022 (met ambtsbelofte ondertekend op 8 november 2022) neergelegd. Het college heeft, omdat het vermoedelijke benadelingsbedrag meer dan € 50.000,- bedraagt, in overleg met het Openbaar Ministerie (OM), de zaak voor strafrechtelijk onderzoek overgedragen. Eiser is vervolgens in dat kader op 5 juni 2023 verhoord. De officier van justitie heeft de zaak met een besluit van 10 april 2024 voorwaardelijk geseponeerd. Het bestreden besluit 3. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door PayPal-rekeningen niet te melden en evenmin te melden dat hij de beschikkingsmacht heeft (gehad) over een bankrekening op naam van [naam 1] en een bankrekening op naam van zijn broer. Eiser heeft (desgevraagd) geen afschriften van de PayPal-rekeningen verstrekt en heeft onvoldoende inzage gegeven in het gebruik van de bankrekening op naam van zijn broer, zodat het recht op (aanvullende) bijstand niet meer kan worden vastgesteld. Volgens het college resteren teveel onduidelijkheden over de besteding van de verkregen gelden en de hoogte van het beschikbare inkomen en vermogen. Beroepsgronden 4. Eiser heeft aangevoerd dat hij tijdens het verhoor bij het OM heeft aangetoond dat hij geen middelen heeft verkregen en dat de officier van Justitie de zaak heeft geseponeerd omdat hij vond dat [naam 1] eiser heeft gebruikt. Van schending van de inlichtingenplicht is dan ook geen sprake, ook niet omdat hij heeft toegelicht waar de ontvangen bedragen op zagen. Hij heeft alle relevante bankafschriften overgelegd. Eiser heeft geen beschikkingsmacht (gehad) over de bankrekening van [naam 1]. Eiser heeft de bankrekening van eind december 2020 tot juli 2021 gebruikt voor het verrichten van betalingen namens [naam 1], en dit gebeurde in goed overleg met de bewindvoerder en de dochter van [naam 1]. Eiser heeft [naam 1], gelet op zijn ernstige psychische omstandigheden, willen helpen. Volgens eiser moet dan ook van terugvordering worden afgezien wegens dringende redenen. Ook over de rekening van zijn broer had eiser geen volledige beschikkingsmacht. Het college heeft ten onrechte de verklaring van zijn broer daarover buiten beschouwing gelaten. Een groot deel van het op deze bankrekening ontvangen geld is gebruikt voor uitgaven ten behoeve van [naam 1], dus ook daarom is de terugvordering volgens eiser onterecht. Er is sprake van een opeenvolging van inconsistenties, zoals wijzigingen in de tenlastelegging. Eiser heeft een met arceringen en opmerkingen bewerkte versie van het advies van de bezwaarschriftencommissie overgelegd. Eiser vindt het opmerkelijk dat pas op 5 juni 2023 een strafrechtelijk verhoor heeft plaatsgevonden, terwijl de melding van 17 februari 2022 dateert.Het bestreden besluit is in strijd met het subsidiariteits-, proportionaliteits-, zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel. Beoordeling door de rechtbank 5. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Pw is de bijstandsgerechtigde verplicht aan het college onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand (de inlichtingenplicht). Schending van de inlichtingenplicht levert een rechtsgrond op voor intrekking en terugvordering van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja in hoeverre, iemand verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. 5.1. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Pw, worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De term beschikken moet zo worden uitgelegd dat dit ziet op de mogelijkheid voor de betrokkene om een bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. 5.2. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht onvoldoende is nagekomen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Eiser heeft geen melding gedaan van het feit dat hij de beschikkingsmacht had over een bankrekening op naam van zijn broer over de periode van 1 oktober 2018 tot en met 10 oktober 2023 en twee daaraan gekoppelde PayPal-rekeningen. Eiser heeft evenmin melding gedaan van het feit dat hij over de periode van november/december 2020 tot eind oktober 2021 de beschikkingsmacht had over een bankrekening op naam van [naam 1]. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat eiser vrijelijk over de tegoeden op deze rekeningen heeft kunnen beschikken. Eiser heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat dit anders zou zijn. Aan de verklaring van de broer van eiser volgens welke eisers gebruik van de rekening alleen gebeurde na toestemming en eiser niet over de bankpas beschikte, kan niet het gewicht worden toegekend dat eiser eraan hecht, nu deze verklaring niet betekent dat eiser niet over de tegoeden kon beschikken. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser blijkens het ook door hem ondertekende proces-verbaal van verhoor van 5 juni 2023 heeft verklaard dat [naam 1] bedragen op de rekening van zijn broer stortte zodat eiser niet met zijn bijstandsuitkering in de problemen zou komen. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat het eiser duidelijk was of redelijkerwijs had kunnen zijn dat het feit, dat hij over de bankrekeningen kon beschikken, van belang was voor het college voor de beoordeling van eisers recht op bijstand. De bijstand heeft immers het karakter van een vangnetvoorziening. 5.3. Eisers beroep op het sepot in de strafzaak kan hem niet baten. Aangenomen dat voldoende verband bestaat tussen de strafrechtelijke procedure en deze bestuursrechtelijke procedure moet (blijkens de tekst van de sepotbrief) worden vastgesteld dat sprake is van een voorwaardelijk sepot. Dat betekent dat als niet aan de aan het sepot gestelde voorwaarde(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.