Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/073079-23 Datum uitspraak: 17 december 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum] 1992, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1], [postcode] [plaatsnaam], raadsman mr. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 6, 7 en 13 november 2025 en 17 december 2025. 2Onderzoek Ragga Dit vonnis gaat over het opsporingsonderzoek met de naam Ragga. Dat is een wijdvertakt onderzoek naar grootschalige handel in heroïne in de regio Rotterdam in de periode van 5 maart 2021 tot met 4 juli 2023. Het onderzoek begon op basis van informatie van het Team Criminele Inlichtingen en op basis van informatie uit een opsporingsonderzoek naar het bedrijf SkyECC. Dit bedrijf bood versleutelde communicatiediensten aan waarvan werd vermoed dat deze op grote schaal door misdaadondernemers werden gebruikt. Uiteindelijk werden [naam 1] en [medeverdachte 1] geïdentificeerd als contacten van een gebruiker van een SkyECC-account die vermoedelijk in verdovende middelen handelde. Via [naam 1] en [medeverdachte 1] kwam successievelijk een groep mannen in beeld, waarvan er in deze strafzaak elf terecht hebben gestaan. Op de actiedag van 4 juli 2023 werden zeven verdachten aangehouden. Vier andere verdachten kwamen ook op de actiedag in beeld maar werden pas op 7 respectievelijk 14 november 2023 aangehouden. [naam 1] werd niet aangehouden. Hij heeft ook niet terecht gestaan. De onderstaande overwegingen over het daderschap van [naam 1] hebben dan ook alleen voor dit vonnis te gelden. Het dossier is samengesteld uit verschillende deelonderzoeken waarin de politie soms bij toeval over een partij heroïne struikelde die (later) aan de organisatie kon worden toegeschreven, zoals een partij die werd aangetroffen aan de [locatie] op 9 mei 2022. Uiteindelijk rees het vermoeden dat in het pand [adres 2] een versnijdingslocatie was ingericht, terwijl er vermoedelijk opslaglocaties voor heroïne waren aan de [adres 3] en aan de [adres 4]. Op de actiedag werden meer verdachten aangetroffen in of in de nabijheid van het [adres 2]: de verdachte, de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5]. De politie vermoedde dat de [medeverdachte 6] was ontkomen. Bij het daaropvolgende onderzoek naar de verblijfplaats van deze medeverdachte kwam de [medeverdachte 7] in beeld. Terwijl de [medeverdachte 7] werd geobserveerd kwam weer een andere opslaglocatie voor heroïne in beeld en wel aan de [adres 5]. Rondom de [adres 5] werden behalve de [medeverdachte 7] de medeverdachten [medeverdachte 8], [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] gezien. De [medeverdachte 8] werd op 4 juli 2023 aangehouden in zijn auto met in de kofferbak ruim 107 kilo heroïne. Tenslotte werd de eerder genoemde [medeverdachte 1] in zijn woning aangehouden en werd geld gevonden aan de [adres 6] (de woning van de ouders van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5]) en aan de [adres 1] (de woning van de verdachte), beide in Rotterdam. Het einddossier van het onderzoek Ragga is samengesteld uit een algemeen dossier en zaaksdossiers. De zaaksdossiers zijn (voor zover hier van belang) het 11b-dossier, over de criminele organisatie; de zaak Pukkumina over de versnijdingskamer aan het [adres 2] waar op 4 juli 2023 bijna 150 kilo heroïne werd gevonden en over de opslaglocatie aan de [adres 3] waar naar schatting 5.500 zakjes werden gevonden met heroïne residu; de zaak Salsa over ruim 107 kilo heroïne die op 4 juli 2023 in de auto van de [medeverdachte 8] werd gevonden; de zaak Coco over drie transporten van 60, 22 en 96 kilo heroïne in de periode november 2020 tot en met maart 2021; de zaak Calus over een transport van ruim 1.400 kilo heroïne uit Iran in de periode januari tot en met mei 2021; de zaak Jive over 241 kilo heroïne en een vuurwapen die tezamen op 9 mei 2022 aan de [locatie] werden aangetroffen; de zaak [adres 4] over bijna 4,5 kilo heroïne die op 4 april 2023 aan de [adres 4] werd gevonden; en de zaken Quickstep en Breakdance over twee pistolen die werden gevonden in de versnijdingskamer aan het [adres 2] respectievelijk in de woning van de [medeverdachte 10] aan de [adres 5]. 3Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Kort samengevat komt de beschuldiging onder 1 erop neer dat de verdachte in de periode van 17 november 2020 tot en met 4 juli 2023 in Rotterdam heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit hemzelf, [naam 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] die het oogmerk had om te handelen in heroïne en cocaïne (zaak 11b); onder 2 en 3 dat hij op 4 juli 2023 in Rotterdam aan het [adres 2] met anderen het bewerken van heroïne en cocaïne heeft voorbereid en een grote hoeveelheid heroïne en cocaïne voorhanden heeft gehad (zaak Pukkumina); en onder 5 (feit 4 is vervallen) dat hij in de periode van 17 november 2020 tot en met 4 juli 2023 € 50.000 heeft witgewassen dat hij door eigen misdrijf had verworven. 4Eis officier van justitie De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek van voorarrest. 5Waardering van het bewijs 5.1. Bewijswaardering ten aanzien van feit 1 (zaak 11b) 5.1.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, nu niet kan worden bewezen dat de verdachte als deelnemer kan worden aangemerkt van de veronderstelde organisatie. 5.1.2. Beoordeling Artikel 11b Opiumwet Artikel 11b Opiumwet stelt strafbaar deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft om misdrijven te plegen als bedoeld in onder andere artikel 10 derde tot en met vijfde lid en 10a Opiumwet. Dan gaat het om het voorhanden hebben van verdovende middelen genoemd in lijst I bij de Opiumwet; om het bewerken, verkopen, verstrekken, afleveren en/of vervoeren van die middelen; om het in- en/of uitvoeren daarvan én om het voorbereiden van die misdrijven. Kort gezegd gaat het om handel in heroïne en cocaïne. Artikel 11b Opiumwet is een specialis van het misdrijf van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) dat strafbaar stelt deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven zonder meer. Anders dan de raadsman heeft bepleit gaat het bij artikel 11b Opiumwet natuurlijk ook om daadwerkelijke handel in verdovende middelen en de voorbereiding daarvan. Immers, bewerken, verkopen, verstrekken, afleveren en/of vervoeren van verdovende middelen als hierboven bedoeld zijn de wettelijke kwalificaties van handel drijven. Dat er in het onderzoek Ragga sprake is van een organisatie die het oogmerk had om misdrijven uit de Opiumwet te plegen staat niet ter discussie. Evenmin is bestreden dat [naam 1] daarin een belangrijke rol heeft gespeeld en dat de verdachte wist dat die organisatie handelde in heroïne. De raadsman heeft wel bepleit dat er geen bewijs is dat de verdachte heeft samengewerkt met [naam 1] en de anderen die in de tenlastelegging worden genoemd. Hij heeft, als gezegd, vrijspraak van dit feit bepleit. Deelneming, het kader Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr en artikel 11b Opiumwet is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk (HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5161 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771). In deze zaak is dat criminele oogmerk als gezegd de handel in heroïne. Deelneming veronderstelt een zekere duurzaamheid, niet alleen wat betreft het samenwerkingsverband op zich maar ook wat betreft de bijdrage daaraan door de betrokkene (HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969). Bewijs van deelneming aan de criminele organisatie kan worden afgeleid uit het in feitelijke zin deelnemen aan de organisatie (vergelijk HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442; Mariënburcht). Ook het verlenen van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zijn te kwalificeren als deelnemingshandelingen zolang deze hand- en spandiensten bijdragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk. De betrokkene behoeft niet alle andere betrokkenen te kennen of zelfs maar te weten dat zij ook tot de organisatie behoren. Anders dan de raadsman heeft bepleit behoeft de betrokkene ook niet met anderen uit het samenwerkingsverband samen te werken (HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134). Hij is strafbaar als hij behoort tot het samenwerkingsverband en als hij een aandeel heeft in gedragingen ter verwezenlijking van het criminele oogmerk. Deelneming, bewijs Uit het onderzoek Ragga is gebleken dat de verdachte in de periode januari 2023 tot en met 4 juli 2023 regelmatig contact heeft gehad met de medeverdachte [medeverdachte 5] en zich regelmatig heeft opgehouden in of in de buurt van [adres 2] te Rotterdam waar de versnijdingskamer was. Immers, op 2 januari 2023 heeft de politie waargenomen dat [medeverdachte 5] contact heeft met de inzittenden van de Volkswagen T-Roc die door de verdachte wordt gebruikt. Op 6 april 2023 heeft de politie de verdachte voor de deur van het [adres 2] waargenomen; op 21 april 2023 heeft de politie de verdachte in een Mercedes zien rijden die ook door [medeverdachte 5] wordt gebruikt. Hij heeft de auto om de hoek bij het [adres 2] op de Aelbrechtskade geparkeerd en is vervolgens het [adres 2] binnengegaan. In de nacht van 30 juni op 1 juli 2023 heeft de politie waargenomen dat de verdachte uit het [adres 2] kwam en op 3 juli 2023 dat hij met de [medeverdachte 3] via de ingang aan de Aelbrechtskade het pand aan het [adres 2] heeft betreden. In de telefoon van de medeverdachte [medeverdachte 2], die is aangehouden nadat hij op 4 juli 2023 uit de versnijdingskamer in [adres 2] kwam, zijn vele foto’s en video’s gevonden waaruit blijkt dat de versnijdingskamer in elk geval vanaf april 2023 intensief in gebruik is geweest. De verdachte heeft op de één of andere manier ook contact met [medeverdachte 2] gehad. In elk geval is in de telefoon van [medeverdachte 2] een afbeelding gevonden van het rijbewijs van de verdachte dat op 2 december 2021 was uitgegeven en een afbeelding van de verdachte tezamen met [naam 2], de halfbroer van [naam 1]. Die afbeelding is gemaakt in de versnijdingskamer, waarschijnlijk op 22 april 2023. In de telefoon van [medeverdachte 2] is daarnaast een video gevonden die is gecreëerd op 14 mei 2023 waarop is te zien dat [naam 2] en [medeverdachte 5] in de versnijdingskamer aan het stoeien zijn. Ten slotte is een video gevonden van [medeverdachte 5] die in zijn onderbroek in de versnijdingskamer met nog iemand aan het werk is in een teil met bruin poeder. Deze video is op 22 mei 2023 gecreëerd. De telefoon van [naam 2] is gevonden in de versnijdingskamer. Uit chatgesprekken, die in die telefoon zijn gevonden, is gebleken dat [naam 2] op 16 april 2023 contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en dat [naam 2] toen op de [adres 4] was. Uit dat gesprek valt verder af te leiden dat de medeverdachte [medeverdachte 2] ook aan de [adres 4] was. De verdachte is op 4 juli 2023 aangehouden nadat hij uit de versnijdingskamer in [adres 2] was weggevlucht. In die kamer zijn attributen gevonden die werden gebruikt bij het versnijden van heroïne en daarop zijn biologische sporen gevonden waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte. In die versnijdingskamer zijn, behalve heroïne en versnijdingsmiddelen ook rollen tape met de teksten Siemens, Samsung en Rolls Royce gevonden, soorten tape die in het onderzoek Ragga ook op andere locaties zijn aangetroffen, zoals [adres 3], [adres 6], [adres 4] en in de Volkswagen Passat van [medeverdachte 8]. Bovendien stonden foto’s van die soorten tape in de telefoons van [naam 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2]. De versnijdingskamer behoorde zo beschouwd toe aan het criminele samenwerkingsverband waarvan om te beginnen [medeverdachte 5] en [naam 1] deel uit hebben gemaakt. Van die organisatie hebben overigens ook deel uitgemaakt [medeverdachte 1]. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] zijn bij vonnis van heden door de rechtbank veroordeeld voor deelname aan deze criminele organisatie. De verdachte heeft in de versnijdingskamer meegeholpen met het versnijden van heroïne, getuige de biologische sporen op de versnijdingsattributen. De contacten met de anderen die regelmatig in de versnijdingskamer kwamen zoals [medeverdachte 2], [medeverdachte 5] en [naam 2] gedurende een periode van enige maanden en zijn aanwezigheid gedurende een vergelijkbare periode in en rond [adres 2] bewijzen verder dat hij met een zekere duurzaamheid heeft meegeholpen met het versnijden van de heroïne. Dat is door de verdediging ook niet betwist. Hij behoorde feitelijk tot het samenwerkingsverband en hij heeft een wezenlijk aandeel gehad in de verwezenlijking van het criminele doel van dat samenwerkingsverband, namelijk de handel in heroïne. Daarmee is ook bewezen dat hij vanaf januari 2023 te Rotterdam deel heeft uitgemaakt van het criminele samenwerkingsverband. De raadsman heeft er nog op gewezen dat er aanleiding is om te veronderstellen dat de verdachte er ook een eigen handel in verdovende middelen op na hield. Een eigen handel staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet in de weg aan het bewijs dat de verdachte ook deel heeft uitgemaakt van de onderhavige criminele organisatie. De rechtbank verwerpt het verweer. 5.1.3. Conclusie Het onder 1 ten laste gelegde (deelname aan een criminele organisatie in de zin van artikel 11b Opiumwet) is wettig en overtuigend bewezen. 5.2. Bewezenverklaring Met betrekking tot de feiten 2, 3 en 5 heeft de verdediging geen verweer gevoerd. In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij, in of omstreeks de periode van 17 november 2020 januari 2023 tot en met 4 juli 2023 te Rotterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten (onder andere) [naam 1] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 1] en/of welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid, 10a eerste lid van de Opiumwet; 2. hij, op of omstreeks 4 juli 2023, te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een grote hoeveelheid heroïne en/of een grote hoeveelheid cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne, (een) middel(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.