Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10/221033-23 Datum uitspraak: 5 november 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1970, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] , raadsman mr. E.R. Weening, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. W. Welten heeft gevorderd: bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering 4.1.1. Standpunt officier van justitie Het primair ten laste gelegde feit kan wettig en overtuigend worden bewezen. De verdachte heeft zijn bus niet volledig tot stilstand gebracht toen hij afsloeg, wat wel van een gemiddelde buschauffeur mag worden verlangd. De verdachte is beroepschauffeur en daar mag een grotere mate van zorgvuldigheid van worden verlangd dan van een gemiddelde, ervaren weggebruiker. De verdachte wist bovendien dat er zich fietsers op het fietspad bevonden. Een beroepschauffeur die met een grote bus rijdt en weet dat er fietsers kunnen oversteken die hij voorrang moet verlenen, maar desondanks doorrijdt zonder goed te kijken, handelt aanmerkelijk onvoorzichtig. Daarbij komt dat als de verdachte goed had gekeken, hij het slachtoffer had moeten kunnen zien en het ongeval dan waarschijnlijk niet zou hebben plaatsgevonden. Gelet op deze omstandigheden heeft de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gehandeld, zodat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) aan het verkeersongeval. 4.1.2. Beoordeling Op 20 maart 2023 omstreeks 8.55 uur kreeg de politie een melding van een verkeersongeval aan de [naam locatie] in Ridderkerk. Bij het ongeval heeft de bestuurder van een RET-bus (hierna: de verdachte) een aanrijding gehad met een fietser (hierna: het slachtoffer). Het slachtoffer wilde de [naam locatie] oversteken, maar kreeg daarbij geen voorrang van de verdachte, terwijl de verdachte haaientanden had en dus voorrang had moeten verlenen aan het slachtoffer. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 WVW. Of er sprake is van schuld in de zin van die bepaling hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dit brengt met zich dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld. Uit de ernst van de gevolgen alleen kan niet worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. De verdachte heeft verklaard dat hij vanaf de Randweg zachtjes kwam aanrollen en daarbij goed overzicht had over het kruispunt. De verdachte zag toen wel een fietser staan, maar deze maakte geen aanstalten om over te steken. De verdachte heeft toen de bocht naar links genomen. Op het moment dat de verdachte met de neus van de bus voorbij het fietspad was, volgde een botsing met het slachtoffer. De verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet heeft zien aankomen en hij opeens op het kruispunt verscheen. Het slachtoffer is ook niet dezelfde persoon als de fietser die hij eerder stil zag staan voor het kruispunt. Uit de Verkeersongevallenanalyse blijkt dat op de camerabeelden van de bus zichtbaar is dat het slachtoffer via de oversteekplaats de [naam locatie] overstak. Vast staat dat de verdachte het slachtoffer geen voorrang heeft verleend waar dat wel had gemoeten en hij zijn bus niet tijdig tot stilstand heeft gebracht. Voor schuld in de zin van artikel 6 WVW is echter meer nodig. Er moet sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daar is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van de gedragingen van verdachte, hier geen sprake van. De rechtbank komt dan ook niet tot een bewezenverklaring van overtreding van artikel 6 WVW en spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Dit ligt anders voor het subsidiair ten laste gelegde verwijt op basis van artikel 5 WVW. Voor dit verwijt is niet een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vereist, maar volstaat in beginsel de vaststelling dat een verkeersdeelnemer zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op de weg is veroorzaakt. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met zijn verkeersgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt. Dit gevaar voor andere weggebruikers heeft zich ook daadwerkelijk verwezenlijkt in het betreffende verkeersongeval waarbij letsel bij het slachtoffer is ontstaan. 4.1.3. Conclusie Het primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. Het subsidiair ten laste gelegde is wel wettig en overtuigend bewezen. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 20 maart 2023 te Ridderkerk, als bestuurder van een voertuig ((auto)bus met kenteken [kentekennummer] ), daarmee rijdende op de weg, de [naam locatie] gaande in richting van de Brucknerstraat, - zonder (volledig) te stoppen linksaf is geslagen en/of (vervolgens) de kruising met de fietsoversteekplaats is opgereden en/of - zich daarbij niet tijdig of voldoende ervan heeft vergewist en /of zich niet tijdig of voldoende ervan heeft blijven vergewissen, dat de voornoemde kruising vrij was van enig (kruisend) verkeer en/of - ( daarbij) geen voorrang heeft verleend aan een fietser (te weten [slachtoffer] ) en/of - ( vervolgens) tegen voornoemde fietser is aangereden en /of gebotst en/of - (vervolgens) na voornoemde botsing en /of aanrijding (ongeveer) 47 meter is doorgereden, door welke gedraging(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.