Rechtbank Rotterdam – ECLI:NL:RBROT:2025:15020
RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/5639 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 december 2025 in de zaak tussen [eiser], uit Rotterdam, eiser en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam werkgever], uit Dordrecht, de werkgever (gemachtigde: mr. L. van der Wijngaart).
Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over een aan eiser opgelegde maatregel op grond van de Ziektewet (ZW). Eisers ZW-uitkering wordt daarmee niet uitbetaald. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld.
Procesverloop 3. Met het primaire besluit van 30 januari 2025 heeft het UWV bepaald dat eiser recht heeft op een ZW-uitkering, maar dat deze niet wordt uitbetaald. Met het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eiser is het UWV daarbij gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank Wat is er gebeurd?
Waar gaat het om in deze zaak?
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Dit kan alleen anders zijn, indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat daarvan niet is gebleken. Eiser heeft aangevoerd dat hij niet alleen vanwege het handelen van de werkgever, maar ook om medische redenen genoodzaakt was ontslag te nemen. Het UWV heeft hierin tijdens de bezwaarprocedure aanleiding gezien om medisch onderzoek te laten verrichten door een verzekeringsarts om te beoordelen of eiser verminderd verwijtbaar was toen hij ontslag nam. Eiser is op 11 maart 2025 schriftelijk uitgenodigd om te verschijnen op een medisch spreekuur. Daarnaast is eiser in dezelfde brief uitgenodigd om zijn bezwaren nader toe te lichten op een hoorzitting. Eiser heeft in zijn schriftelijke reactie van 18 maart 2025 medegedeeld van beide af te zien.
Eiser heeft weliswaar toegelicht waarom hij niet naar het spreekuur wilde komen, dit heeft echter wel als gevolg dat het UWV geen rekening heeft kunnen houden met eventuele medische omstandigheden. Daar komt bij dat eiser zowel in bezwaar als in beroep zelf ook geen (nadere) medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij verminderd verwijtbaar was op het moment dat hij ontslag nam. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot het benoemen van een onafhankelijk deskundige, zoals door eiser is verzocht. Een deskundige kan worden benoemd in het geval een medisch oordeel is gegeven waarover twijfel bestaat. In deze zaak is echter geen sprake van een gegeven medisch oordeel.
Het is verder niet gebleken dat het UWV niet alle voor het beroep relevante stukken zou hebben overgelegd, dan wel een onvolledig beeld zou hebben gehad van de relevante feiten en omstandigheden. Gelet op de beschikbare informatie uit het dossier heeft het UWV in redelijkheid het standpunt mogen innemen dat eiser niet verminderd verwijtbaar was ten tijde van zijn ontslag tijdens ziekte.
Conclusie en gevolgen 24. Het UWV heeft terecht bepaald dat eisers ZW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025. de rechter is verhinderd te tekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Ziektewet Artikel 45 1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen weigert het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend: (…) j. indien de verzekerde door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Onder benadeling in de zin van dit onderdeel is niet begrepen het niet nakomen van de verplichtingen, bedoeld in de artikelen 31, eerste lid, en 49; (…) 4. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan afzien van het opleggen van een maatregel indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten Artikel 2. Hoogte en duur van een maatregel 1. De hoogte en duur van een, op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met n, genoemde wetten, op te leggen maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste € 25 bedraagt, vastgesteld op: (…) d. een blijvend gehele weigering van de uitkering bij verplichtingen uit de vierde categorie, bedoeld in artikel 7, tenzij het niet nakomen van de verplichting de belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten, in welk geval onderdeel c van toepassing is; of (…) Artikel 7. Vierde categorie De verplichtingen op grond van de in artikel 1, onderdelen b tot en met h, genoemde wetten, worden ingedeeld in de vierde categorie voor zover zij betrekking hebben op: a. het zich zodanig gedragen dat de belanghebbende door zijn doen en laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas, de eigenrisicodrager of het Toeslagenfonds niet benadeelt of zou kunnen benadelen, bedoeld in de artikelen 24, vijfde lid, van de WW, 45, eerste lid, onderdeel j, van de ZW en 13, eerste lid, van de IOW; (…) Met toepassing van artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2290.
Zie artikel 45, vierde lid, van de ZW.