Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10/164629-24 Datum uitspraak: 5 december 2025 Datum zitting: 5 december 2025 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. R.B.M. Poppelaars Officier van justitie: mr. L. Visser 1Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat – zich schuldig heeft gemaakt aan het aanwezig hebben van 7.382 gram van een materiaal bevattende cocaïne. De volledige tenlastelegging houdt in dat:
- hij op of omstreeks 15 mei 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 7.382 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. 2Bewijs Vordering van de officier van justitie De officier van justitie vindt dat het feit bewezen kan worden. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit, omdat de verdachte de cocaïne niet opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij had geen wetenschap van de aanwezigheid van enig pakket waarin zich cocaïne heeft bevonden. Oordeel van de rechtbank De rechtbank vindt bewezen dat:
- hij op 15 mei 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad 7.382 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet. Bewijsmotivering De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen. Opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne De rechtbank is van oordeel dat de verdachte de verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Naar aanleiding van een melding dat de verdachte zijn woning zou laten gebruiken voor het branden, versnijden en het verpakken van cocaïne, vond er een doorzoeking plaats in de woning van de verdachte. De agenten vonden in een slaapkamer van de woning van de verdachte 7 blokken met een witte substantie en later bleek dat het om - vermengde - cocaïne ging. Op het moment dat de verdachte werd aangehouden, verklaarde hij over de blokken dat “dat géén cocaïne is”, terwijl hem nog niet was gevraagd naar wat voor blokken het waren. De neef van de verdachte, die in de periode dat de blokken werden aangetroffen regelmatig in die woning sliep, mocht van de verdachte niet in de slaapkamer komen waar deze blokken zijn aangetroffen. Bovendien is op 1 van de 7 blokken het DNA van de verdachte aangetroffen. Onder deze omstandigheden heeft de verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er cocaïne in zijn slaapkamer lag. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. 3Kwalificatie en strafbaarheid Kwalificatie Het bewezen feit levert de volgende strafbare feiten op: Feit 1: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder c van de Opiumwet gegeven verbod. Strafbaarheid van het feit en van de verdachte Het feit en de verdachte zijn strafbaar. 4Straf en maatregel Vooraf Voor de bewezen verklaarde feiten wordt aan de verdachte een straf opgelegd. In deze strafmotivering zullen kort de feiten en (persoonlijke) omstandigheden worden besproken die bij de strafoplegging een rol spelen. Eis van de officier van justitie De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 502 dagen waarvan 360 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, en een proeftijd van twee jaar geëist. Oordeel van de rechtbank 4.1 Ernst en omstandigheden van het feit De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ruim 7 kilogram van een materiaal dat cocaïne bevat, zijnde cocaïne. Het gebruik en de verkoop van harddrugs brengt schade toe aan de volksgezondheid. Harddrugs leveren immers, eenmaal in de handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers. 4.2 Persoon en persoonlijke omstandigheden 4.2.
- Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij nooit eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen. 4.2.
- Rapport van de reclassering Uit het rapport van het Leger des Heils van 8 oktober 2024 blijkt dat sprake is van een verstandelijke beperking bij de verdachte en dat hij kampt met een ernstige stoornis in alcoholgebruik. Antes ondersteunt hem met dagelijkse vaardigheden, zijn woonsituatie, zijn alcoholgebruik en zijn dagbesteding. Ook hebben zij contact met zijn bewindvoerder. De begeleider van de verdachte, die tijdens de terechtzitting aanwezig was, bevestigt dat deze stand van zaken tot op heden grotendeels hetzelfde is en dat de verdachte in aanmerking komt voor begeleid wonen. Volgens het Leger des Heils lijken bijzondere voorwaarden niet uitvoerbaar en zullen die ook geen invloed hebben op het recidiverisico, omdat de verdachte niet leerbaar is. De rechtbank ziet het als positief dat de verdachte op dit moment voldoende ingebed is in zorg. De verdachte komt binnenkort in aanmerking voor begeleid wonen en de rechtbank verwacht dat daarmee de kans klein is dat de verdachte nogmaals zijn woonruimte ter beschikking stelt voor opslag van verdovende middelen. 4.2.3 Overige persoonlijke omstandigheden Bij de strafmaat heeft de rechtbank in strafverlagende zin rekening gehouden met de context waarbinnen het bewezenverklaarde is begaan. De woning van de verdachte fungeerde hoogstwaarschijnlijk als opslagplaats voor verdovende middelen en werd beheerd door mensen van buitenaf die een sleutel hadden van de woning van de verdachte. De verdachte was de hoofdbewoner van de woning en wordt niet gezien als organisator van het strafbare feit noch als eigenaar van de verdovende middelen. Hij bevond zich bovendien in een zeer kwetsbare positie. Van die kwetsbare positie van de verdachte is mogelijk misbruik gemaakt. Het feit dat er geen geld of waardevolle bezittingen bij de verdachte zijn aangetroffen en het feit dat hij kampt met ernstige alcoholproblematiek, ondersteunen deze algemene ervaringsregel. De rechtbank houdt er in strafverlagende zin ook rekening mee dat het niet ging om 7.382 gram pure cocaïne. Volgens het rapport van het NFI bevatte de aangetroffen zes blokken in de tas ieder een hoeveelheid van 5% cocaïne. Oplegging straf en maatregel Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Daarom wordt een gevangenisstraf van 322 dagen opgelegd, met aftrek van voorarrest. Van deze gevangenisstraf worden 180 dagen voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. Het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat de verdachte niet terug hoeft naar de gevangenis. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt en geeft uitdrukking aan de ernst van het feit. Daarnaast worden alle goederen die in deze zaak in beslag zijn genomen door het openbaar ministerie, onttrokken aan het verkeer. 5Voorlopige hechtenis De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 4 oktober 2024 geschorst. De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst. 6Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 14a, 14b en 14c, 36c en 36d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. 7Beslissingen De rechtbank: Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte het feit 1, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; Straf en maatregel Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 322 (driehonderdtweeëntwintig) dagen; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat 180 dagen (honderdtachtig) van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; In beslag genomen voorwerpen - verklaart de volgende voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, onttrokken aan het verkeer: Blok met verdovende middelen met nummer [beslagnummer 1] Tas met 6 blokken verdovende middelen met nummer [beslagnummer 2] Voorlopige hechtenis heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst; 8Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mrs. A.S. Flikweert en E. van Vliet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D. Yenice, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 5 december
- Mr. E. van Vliet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.