RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11846490 VZ VERZ 25-5726 datum uitspraak: 18 december 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoekster] , vestigingsplaats: Rotterdam, verzoekster, gemachtigde: mr. E.W. Kingma, tegen [verweerder] , woonplaats: Rotterdam, verweerder, die niet heeft gereageerd. De partijen worden hierna ‘[verzoekster]’ en ‘[verweerder]’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit het verzoekschrift met bijlagen en de mail van [verzoekster] van 19 november 2025 met een bijlage, zijnde een oproepingsexploot. 1.
- Op 16 december 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was namens [verzoekster] [naam] aanwezig, met de gemachtigde van [verzoekster]. [verweerder] is, hoewel hij daartoe bij exploot is opgeroepen, niet verschenen op de zitting. 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
- De kantonrechter stelt voorop dat, omdat [verweerder] niet heeft gereageerd in deze procedure en dus de stellingen van [verzoekster] niet heeft betwist, uitgegaan wordt van de juistheid van die stellingen. 2.
- [verweerder] is sinds 22 november 2021 bij [verzoekster] in dienst. De functie van [verweerder] is Operator Productie A. [verweerder] heeft zich op 18 april 2025 ziekgemeld. Op 24 april 2025 heeft [verweerder] aan zijn leidinggevende bericht dat hij zich fysiek en mentaal uitgeput voelt, geen motivatie meer heeft, kampt met depressieve gevoelens en dat zijn langste tijd bij [verzoekster] erop zit. Op 28 april 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen partijen, waarbij [verweerder] heeft aangegeven dat hij niet meer terug wilde keren bij [verzoekster]. Daarna heeft [verzoekster], ondanks pogingen daartoe, geen contact meer kunnen krijgen met [verweerder]. [verzoekster] heeft op 1 mei 2025 de arbodienst ingeschakeld, maar [verweerder] is steeds niet verschenen op gesprekken met de bedrijfsarts, waarvoor hij werd uitgenodigd. [verzoekster] heeft met ingang van 1 juli 2025 de loonbetaling aan [verweerder] gestaakt. Dit heeft er niet toe geleid dat [verweerder] contact opnam met [verzoekster]. 2.
- [verzoekster] verzoekt nu de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op de kortst mogelijke termijn te ontbinden, primair omdat sprake is verwijtbaar handelen of nalaten (e-grond). De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden 2.
- De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Als het opzegverbod tijdens ziekte geldt, gaat de kantonrechter ervan uit dat het verzoek hier geen verband mee houdt (artikel 7:671b lid 6 BW). Er is verder voldaan aan de voorwaarden voor opzegging (artikel 7:669 lid 1 BW). Dit laatste wordt hierna toegelicht. Er is een redelijke grond 2.
- Een voorwaarde voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is dat daar een redelijke grond voor is (artikel 7:669 lid 1 BW). 2.
- [verzoekster] stelt (primair) dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder], waardoor het niet redelijk is om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren (artikel 7:669 lid 3 onder e BW). De kantonrechter vindt dat sprake is van deze redelijke grond. [verweerder] onttrekt zich immers structureel aan contact met [verzoekster] en de bedrijfsarts, en als er sprake is van arbeidsongeschiktheid, dan weigert hij op deze manier ook medewerking te verlenen aan herstel en re-integratie. Dit acht de kantonrechter zodanig verwijtbaar dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is. [verweerder] kan niet worden herplaatst 2.
- Voor ontbinding is verder vereist dat [verweerder] niet binnen een redelijke termijn kan worden herplaatst in een andere passende functie (artikel 7:669 lid 1 BW). Omdat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder], ligt het niet voor de hand dat [verweerder] kan worden herplaatst. De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 februari 2026 2.
- Het einde van de arbeidsovereenkomst wordt bepaald op 1 februari 2026 (artikel 7:671b lid 9 BW). Daarbij is rekening gehouden met de opzegtermijn en de duur van deze procedure, omdat niet wordt aangenomen dat sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder]. Hoewel niet is vastgesteld wat de gezondheidssituatie van [verweerder] precies is, lijkt hij in een slechte psychische toestand te verkeren. [verzoekster] heeft op de zitting beaamd dat dat inderdaad het geval lijkt te zijn. Het kan daarom niet worden vastgesteld dat de gedragingen van [verweerder] hem in ernstige mate kunnen worden toegerekend. Daarmee kan niet worden geconstateerd dat sprake is van ernstige verwijtbaarheid. [verweerder] moet de proceskosten betalen 2.
- [verweerder] wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerder] aan [verzoekster] moet betalen op € 135,00 aan griffierecht, € 543,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 813,
- Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend. De beschikking is voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad 2.
- Deze beschikking wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 februari 2026; 3.
- veroordeelt [verweerder] in de proceskosten, die aan de kant van [verzoekster] worden begroot op € 813,00; 3.
- verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. 3.
- wijst al het andere af. Deze beschikking is gegeven door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken. 757