Rechtbank Rotterdam Team familie Zaaknummer / rekestnummer: C/10/673148 / FA RK 24-875 Beschikking van 1 oktober 2025 over vervangende toestemming erkenning, wijziging geslachtsnaam en het ouderlijk gezag in de zaak van: [naam man] , hierna: de man, wonende te [woonplaats 1] , advocaat mr. M. Ahmadi te Rotterdam. tegen [naam vrouw] , hierna: de vrouw, wonende te [woonplaats 2] , advocaat mr. R.F.H. Tamboenan te Barendrecht. In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden: [naam 1] , advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator. 1De procedure 1.1. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 7 februari 2024; de beschikking van deze rechtbank van 8 april 2024, waarbij [naam 1] is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige; het verslag van bevindingen, het aanvullend verslag en de aanvullende informatie van de bijzondere curator; het proces-verbaal van 7 juli 2025. 1.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 7 juli 2025. Daarbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door zijn advocaat; de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam 2] . De bijzondere curator is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen. 1.3. Na de mondelinge behandeling zijn van de man nog berichten ontvangen op 18 juli 2025 en op 11 september 2025. De vrouw was in de gelegenheid hierop te reageren. 2De vaststaande feiten 2.1. De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad. 2.2. Op [datum] 2016 is te [plaatsnaam] uit de vrouw geboren: [minderjarige] , hierna te noemen [minderjarige] . 2.3. De man is de verwekker van [minderjarige] . 2.4. Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit. 3De beoordeling 3.1. Afspraken 3.1.1. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn neergelegd in een proces-verbaal dat door partijen is ondertekend. 3.2. Vervangende toestemming 3.2.1. De man heeft op 7 februari 2024 verzocht om vervangende toestemming voor erkenning van [minderjarige] . 3.2.2. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij de erkenning van [minderjarige] door de man en de wijziging van de achternaam van [minderjarige] zelf gaan regelen op 17 juli 2025. 3.2.3. Van de vrouw (in persoon) heeft de rechtbank op 17 juli 2025 een emailbericht ontvangen over de invulling van de omgangsregeling, waarbij zij nadere verzoeken indient, waarop de rechtbank de vrouw heeft laten weten dat alleen een advocaat bij de rechtbank een verzoek kan indienen en haar bericht daarom niet in behandeling wordt genomen. 3.2.4. Uit het bericht van de man van 18 juli 2025 is de rechtbank gebleken dat de erkenning niet heeft plaatsgevonden. Omdat de rechtbank de indruk had dat het niet zo zeer tussen partijen fout is gegaan, maar tussen de vrouw en de ambtenaar van de burgerlijke stand, heeft de rechtbank de zaak vervolgens aangehouden tot 15 september 2025 om partijen in de gelegenheid te stellen de erkenning alsnog gezamenlijk te gaan regelen. De vrouw kon hierdoor ook nog ingaan op het bericht van de man van 18 juli 2025. 3.2.5. De man heeft de rechtbank op 11 september 2025 bericht dat geen nieuwe afspraak voor de erkenning is gemaakt omdat de vrouw hier niet aan meewerkt. Van de vrouw heeft de rechtbank geen reactie ontvangen. Het verzoek tot vervangende toestemming voor erkenning is tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken onder de voorwaarde dat de erkenning op 17 juli 2025 daadwerkelijk plaatsvindt. Nu de erkenning niet heeft plaatsgevonden, heeft de man belang bij een beslissing van de rechtbank ten aanzien van de erkenning. Het verzoek om vervangende toestemming ligt dus inhoudelijk ter beoordeling en beslissing voor. 3.2.6. De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek. 3.2.7. De bijzondere curator heeft in zijn verslag van 30 augustus 2024 en het aanvullend verslag van 16 oktober 2024 geadviseerd het verzoek van de man toe te wijzen. 3.2.8. Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan vervangende toestemming worden verleend, tenzij de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige schaadt of door de erkenning een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt, mits de man de verwekker is van de minderjarige. De rechtbank moet daarbij de belangen van de minderjarige, de man en de vrouw wegen. De vrouw heeft met name belang bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met de minderjarige. De man heeft belang bij het ontstaan van een familierechtelijke betrekking tussen hem en de minderjarige. De belangen van de minderjarige kunnen zowel zijn gelegen in een ongestoorde verhouding met de vrouw als in het ontstaan van een familierechtelijke betrekking met de man. Die afweging mag niet leiden tot schade aan de belangen van de minderjarige of de vrouw. Van schade aan de belangen van de minderjarige is sprake als ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. 3.2.9. Op grond van de stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is niet gebleken dat de erkenning de belangen van de vrouw bij het in stand houden van een ongestoorde verhouding met [minderjarige] zal schaden. Evenmin is gebleken dat ten gevolge van de erkenning voor hem een reëel risico ontstaat dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. Het is juist in zijn belang dat de juridische situatie in overeen-stemming wordt gebracht met de feitelijke situatie. Gelet hierop zal het verzoek van de man worden toegewezen. 3.2.10. Wellicht ten overvloede wijst de rechtbank de man erop dat hij zelf met deze beschikking naar de ambtenaar van de burgerlijke stand moet gaan om de akte van erkenning op te laten maken. 3.2.11. De rechtbank verklaart de vervangende toestemming uitvoerbaar bij voorraad, omdat het verzoek daartoe is gegrond op de wet en geen belangen zijn gesteld of gebleken die zich verzetten tegen uitvoerbaarheid bij voorraad. 3.2.12. Teneinde problemen bij de tenuitvoerlegging van deze beschikking te voorkomen, wijst de rechtbank de ambtenaar van de burgerlijke stand op haar eerdere beschikkingen van 26 juli 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:7118, in het bijzonder rechtsoverwegingen 3.7 tot en met 3.7.2.2) en 31 oktober 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:10910, in het bijzonder rechtsoverweging 2.4). Daarin is uitgelegd dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een akte van erkenning moet opmaken als de rechtbank vervangende toestemming verleent en deze uitvoerbaar bij voorraad verklaart. De ambtenaar mag dus niet wachten op onherroepelijkheid van de vervangende toestemming; daar is geen enkele wettelijke grondslag voor. 3.3. Wijziging achternaam 3.3.1. De man verzoekt te bepalen dat [minderjarige] de geslachtsnaam [geslachtsnaam] zal dragen. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek tot het wijzigen van de geslachtsnaam ter gelegenheid van de erkenning. Dit verzoekt ontbeert een wettelijke grondslag. De keuze van een geslachtsnaam ten tijde van de erkenning, is aan de ouders. Immers, artikel 1:5 lid 2 BW bepaalt dat indien een kind door erkenning in familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, het de geslachtsnaam van de moeder houdt, tenzij de moeder en de erkenner gezamenlijk verklaren dat het kind de geslachtsnaam van de vader zal hebben. De man is niet-ontvankelijk in dit verzoek. 3.4. Zorgregeling en informatieregeling 3.4.1. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de omgang/zorgregeling en de informatieregeling, waarna de man deze verzoeken heeft ingetrokken. Deze verzoeken worden afgewezen. 3.5. Ouderlijk gezag 3.5.1. De man verzoekt tezamen met de vrouw te worden belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . 3.5.2. Hij legt aan dit verzoek ten grondslag dat er geen contra-indicaties zijn voor gezamenlijk gezag en stelt dat dit juist in belang is van de minderjarige. 3.5.3. De vrouw voert gemotiveerd verweer. 3.5.4. De raad begrijpt dat de vrouw, die acht jaar lang alleen voor [minderjarige] heeft gezorgd, het moeilijk vindt om het gezag te delen met de man. Echter, de man is als vader betrokken in het leven van [minderjarige] , wil hem erkennen en wil zijn verantwoordelijkheid nemen. Hier hoort volgens de raad gezamenlijk gezag bij. 3.5.5. Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Als de andere ouder met het gezamenlijk gezag niet instemt, wordt een dergelijk verzoek op grond van het tweede lid van genoemd wetsartikel slechts afgewezen als (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.