← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:15655

Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10-187948-25 Datum zitting en uitspraak: 3 oktober 2025 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] geboren [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] , ingeschreven op het adres [adres] [postcode] [woonplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. M.C.A. Schulpen Officier van justitie: mr. F.J. van der Putten 1Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – de politie en de IND heeft afgeperst dan wel verschillende personen heeft bedreigd, een valse bommelding heeft gedaan en een busje traangas en op vuurwapens gelijkende voorwerpen voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging (hierna: beschuldiging) houdt in dat:

  1. hij op of omstreeks 20 juni 2025 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld de Nederlandse politie en/of de IND, althans een overheidsinstelling, te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 2.500.000 euro en/of verblijfsvergunningen voor zijn vrouw en/of dochter, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n), de politie heeft gebeld en/of (vervolgens) tegen de politie heeft gezegd dat hij zijn woning en/of aangrenzende percelen zou opblazen door explosieven te ontsteken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 20 juni 2025 te Vlaardingen, medewerkers van de politie en/of bewoners van de aangrenzende percelen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door de politie te bellen en/of (vervolgens) tegen de politie te zeggen dat hij zijn woning en/of aangrenzende percelen zou opblazen door explosieven te ontsteken, althans woorden en/of gedragingen van gelijke bedreigende aard en/of strekking.
  2. hij op of omstreeks 20 juni 2025 te Vlaardingen, gegevens heeft doorgegeven, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een al dan niet voor het publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was, waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, door de politie te bellen en/of (vervolgens) tegen de politie te zeggen dat hij 150 kilogram explosieven in zijn woning aanwezig had en/of dat hij, verdachte, een ontsteker voor deze explosieven in zijn handen had.
  3. hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Vlaardingen, een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 6° van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met traangas, zijnde een giftige, verstikkende, weerloosmakende en/of traan verwekkende stof, namelijk een gasbusje (Cs Decontaminant) voorhanden heeft gehad.
  4. hij op of omstreeks 19 juni 2025 te Vlaardingen, meerdere wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk: twee nabootsingen van een pistool (gasdrukwapens), welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Umarex, model T4E TP 50 Compact, en/of een nabootsing van een geweer (luchtdrukwapen), welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, namelijk een geweer van het merk Hammerli Hunter Force (type 1000), heeft vervaardigd en/ of voorhanden gehad. 2Bewijs Vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit
  5. Hij heeft gevorderd dat de verdachte voor de feiten 1, 2 en 4 moet worden veroordeeld. Conclusie van de verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 3 en
  6. De verdediging heeft zich ten aanzien van de feiten 1 en 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Oordeel van de rechtbank Bewezenverklaring Bewezen is dat de verdachte:
  7. primair omstreeks 20 juni 2025 te Vlaardingen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld de Nederlandse politie en de IND te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 2.500.000 euro en verblijfsvergunningen voor zijn vrouw en dochter, die aan een ander dan aan verdachte toebehoorden, de politie heeft gebeld en tegen de politie heeft gezegd dat hij zijn woning en aangrenzende percelen zou opblazen door explosieven te ontsteken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
  8. omstreeks 20 juni 2025 te Vlaardingen gegevens heeft doorgegeven, met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een niet publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig was waardoor een ontploffing kon worden teweeggebracht, door de politie te bellen en tegen de politie te zeggen dat hij 150 kilogram explosieven in zijn woning aanwezig had en dat hij, verdachte, een ontsteker voor deze explosieven in zijn handen had.
  9. op 19 juni 2025 te Vlaardingen meerdere wapens als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie gelet op 3, onder a van de Regeling wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie aangewezen voorwerp dat zodanig op een wapen gelijkt dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is, namelijk: twee nabootsingen van een pistool (gasdrukwapens), welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, namelijk een pistool van het merk Umarex, model T4E TP 50 Compact, en een nabootsing van een geweer (luchtdrukwapen), welke door vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertonen met een vuurwapen, namelijk een geweer van het merk Hammerli Hunter Force (type 1000), heeft voorhanden gehad. Bewijsmotivering De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. Dit verkorte vonnis bevat geen bewijsmiddelen. Als hoger beroep wordt ingesteld, zal het vonnis worden aangevuld met een bijlage met daarin de inhoud van de bewijsmiddelen. Vrijspraak De beschuldiging onder feit 3 is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren. 3Kwalificatie en strafbaarheid Kwalificatie De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
  10. primair afpersing
  11. gegevens doorgeven met het oogmerk een ander ten onrechte te doen geloven dat op een niet publiek toegankelijke plaats een voorwerp aanwezig is waardoor een ontploffing kan worden teweeggebracht
  12. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte De feiten en de verdachte zijn strafbaar. 4Straf Eis van de officier van justitie De verdachte moet voor feiten 1, 2 en 4 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, met aftrek van het voorarrest. Standpunt van de verdediging De verdediging heeft verzocht om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. Oordeel van de rechtbank Ernst en omstandigheden van de feiten De verdachte heeft in de nacht van 20 juni 2025 de meldkamer van de politie gebeld en gedreigd met het laten ontploffen van 150 kilogram explosieven in de woning waarin hij zich bevond indien niet werd voldaan aan zijn verzoeken, te weten het afdragen van een geldbedrag van 2.500.000 euro en twee verblijfsvergunningen. Met deze melding heeft de verdachte de politie en IND gedwongen tot afgifte onder bedreiging met geweld en heeft hij (wat later bleek) een valse bommelding gedaan. Daarnaast heeft de verdachte drie op vuurwapens gelijkende voorwerpen voorhanden gehad. Door de melding van de verdachte is de politie en andere hulpverlening zoals de brandweer uitgerukt om eventueel gevaar af te wenden. Zij konden op dat moment dus niet worden ingezet voor ander incidenten. Het handelen van de verdachte heeft ook geleid tot maatschappelijke onrust in de buurt. Persoon en persoonlijke omstandigheden Strafblad Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 24 juni 2025 blijkt dat de verdachte in 2013 onherroepelijk is veroordeeld voor een (aan afpersing) soortgelijk strafbaar feit. Rapporten van deskundige en de reclassering In het rapport van psychiater [persoon A] van 14 augustus 2025 staat – samengevat – het volgende. Ten tijde van het ten laste gelegde leed de verdachte aan een autistische stoornis, aan ernstige stoornissen in het gebruik van alcohol en cannabis en aan een floride psychotische stoornis met achtervolgingswaan, waarschijnlijk veroorzaakt door alcohol en cannabis. Hierdoor werden zijn gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Aangezien de verdachte al sinds zijn jeugdjaren lijdt aan ernstige verslavingen aan alcohol en cannabis, verslavingen waar hij zich door beperkingen veroorzaakt door een autismespectrumstoornis slecht tegen kan verzetten, wordt geadviseerd hem het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat. Een klinische behandeling van de stoornissen in het gebruik van middelen van de verdachte is aangewezen, met inachtneming van zijn autistische beperkingen, gevolgd door aansluitende resocialisatie naar begeleid of beschermd wonen, in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel, onder toezicht van de reclassering. Gezien de voorgeschiedenis van de verdachte, zijn autistische beperkingen en het gebrek aan succes van eerdere behandelingen heeft behandeling in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) de voorkeur boven behandeling in een Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) of een forensische verslavingskliniek, door ruimere behandelmogelijkheden en een in het algemeen langere opnameduur in een FPK. In het rapport van Verslavingsreclassering GGZ van 24 september 2025 staat – samengevat – het volgende. Vanwege het beperkte strafblad van de verdachte en de ruime interval tussen de gepleegde feiten kan niet worden gesproken van een delictpatroon, wel van een zorgelijk gedragspatroon onder invloed van middelen. De verdachte kampt al langere tijd met forse verslavingsproblematiek op het gebied van alcohol en cannabis. Onder invloed van alcohol (met name whisky) laat de verdachte verward, agressief en risicovol gedrag zien, zowel voor zichzelf als voor anderen, waar hij zich later vaak niets meer van herinnert. Ambulante behandeling en diverse detox-opnames hebben niet tot langdurige abstinentie en stabilisatie geleid; de verdachte viel telkens terug in gebruik of stelde zich zorgmijdend op. Indien de verdachte geen forensisch klinisch behandeltraject zal volgen wordt het recidiverisico hoog ingeschat. Naast problemen op het gebied van middelengebruik en het psychisch functioneren, zijn er ook op andere leefgebieden problemen geconstateerd; de verdachte heeft geen afgeronde opleiding, geen structurele dagbesteding, geen zelfstandige huisvesting, een minimaal besteedbaar inkomen en inmiddels een (beperkte) schuldenlast. In detentie is de verdachte tot rust gekomen. Hij is inmiddels abstinent, gebruikt medicatie en stelt zich welwillend op ten aanzien van onder andere een klinische opname en reclasseringstoezicht, wat de reclassering als beschermend aanmerkt. Ook zijn familie staat achter een hulpverleningstraject en wordt als steunend contact gezien. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, inhoudende een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, drugsverbod, alcoholverbod en het inspannen voor dagbesteding. Op basis van het rapport van de psychiater [persoon A] stelt de rechtbank vast dat bij de verdachte een psychische stoornis bestond en dat deze het gedrag van de verdachte tijdens het begaan van de strafbare feiten beïnvloedde. Het advies van de psychiater om de verdachte het ten laste gelegde in een verminderde mate toe te rekenen stelt de rechtbank voor de vraag in welke mate. De rechtbank ziet de door de psychiater beschreven toestand van de verdachte ten tijde van de feiten terug in het politiedossier en de verklaring van de verdachte op de zitting. Zo blijkt uit het dossier hoe de politie de woning na de melding heeft aangetroffen: door de woning liepen allerlei draden (niet zijnde onderdelen van daadwerkelijke explosieven). Op de terechtzitting is ook dit met de verdachte besproken. Hij heeft daaraan geen enkele herinnering, zo heeft hij verklaard, maar hij was ‘echt helemaal de weg kwijt’ en had allerlei waanideeën, zoals dat zijn vriendin werd bedreigd door een Mexicaans kartel. Dit alles maakt dat de rechtbank de mate van toerekenbaarheid inkleurt in de richting van een sterk verminderde mate. Oplegging straf Straf Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met de (persoonlijke) omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf wordt 6 maanden voorwaardelijk opgelegd. Dat de rechtbank een groter voorwaardelijk deel oplegt dan de officier van justitie heeft gevorderd, is omdat de rechtbank de mate van toerekening iets anders invult. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De door de reclassering geadviseerde begeleiding en bijzondere voorwaarden zal de rechtbank overnemen. Dit voorwaardelijk strafdeel biedt de verdachte de kans om zijn leven anders vorm te geven. De algemene en bijzondere voorwaarden helpen hem hierbij, enerzijds als waarschuwing om niet nogmaals de fout in te gaan en anderzijds om middels hulpverlening en behandeling onder toezicht van de reclassering te werken aan zijn (verslavings)problematiek en een positievere toekomst. 5Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 142a, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van Wet wapens en munitie. 6Beslissingen De rechtbank: Vrijspraak verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair, 2 en 4, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; Kwalificatie en strafbaarheid stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; Straf Gevangenisstraf veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat 6 (zes) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: - de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; stelt als bijzondere voorwaarden dat: de verdachte meldt zich binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij de verslavingsreclassering in de regio van de klinische plaatsing. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; de verdachte laat zich opnemen in forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start aansluitend aan de hechtenis. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; de verdachte laat zich behandelen door een nog nader te bepalen forensisch ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische opname. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt; de verdachte verblijft in instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; de verdachte gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd; de verdachte gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd; de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden genoemd onder nummers 1 tot en met 7 en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte: meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen; meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. 7Samenstelling rechtbank en ondertekening Dit vonnis is gewezen door: mr. J.H. Janssen, voorzitter, en mrs. I. Tillema en L.F.M. Venderbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 3 oktober 2025.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.