← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:15756

RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven zaaknummer: C/10/699675 / KG ZA 25-438 Vonnis in kort geding van 27 november 2025 in de zaak van de rechtspersoon naar vreemd recht VTA AUSTRIA GMBH, gevestigd te Rottenbach, Oostenrijk, eiseres, advocaten: mrs. J.F. van Nouhuys en C.R.V. Lagendijk te Rotterdam, tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN DE KRIMPENERWAARD, zetelend te Rotterdam, gedaagde, advocaten: mrs. V. Jasarevic en M.A. Visser te Zwolle. Partijen worden hierna VTA en HHSK genoemd. De zaak in het kort Dit kort geding gaat over een door HHSK georganiseerde mini-competitie voor de opdracht tot levering van polyelektrolyt voor de afvalwaterzuiveringsinstallatie van HHSK in Kralingseveer, Rotterdam, waaraan VTA heeft deelgenomen. Bij tussenvonnis van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:12841) heeft de voorzieningenrechter de behandeling van de zaak heropend, omdat op dat moment niet kon worden beoordeeld of de inschrijvers aan een eerlijke competitie zijn onderworpen. In dit vonnis wordt geoordeeld dat dit het geval is geweest en worden de vorderingen van VTA afgewezen. 1De verdere procedure 1.

  1. In het tussenvonnis van 20 augustus 2025 (hierna: het tussenvonnis) is de behandeling van de zaak heropend. Daarbij zijn partijen in de gelegenheid gesteld om hun standpunten schriftelijk nader toe te lichten en nadere stukken in te dienen. Ook mocht de mondelinge behandeling worden voortgezet indien partijen dat wenselijk vonden. Uit de berichten van partijen nadien is gebleken dat zij dit op prijs stelden. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november
  2. 1.
  3. Na het tussenvonnis zijn de volgende stukken aan het dossier toegevoegd: de akte houdende een nadere schriftelijke toelichting en overlegging van producties van VTA, met producties 14 tot en met 16, de akte houdende een nadere, schriftelijke toelichting en overlegging van aanvullende producties van HHSK, met producties D tot en met G, de akte houdende overlegging aanvullende producties van VTA, met producties 17 tot en met 20, de pleitaantekeningen van mr. Van Nouhuys, de pleitnota van mr. Visser. 2De verdere beoordeling 2.
  4. Voor de vaststaande feiten wordt verwezen naar 2.
  5. tot en met 2.
  6. van het tussenvonnis. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat VTA niet heeft weersproken dat het polyelektrolyt (PE) in een aparte aanmaakinstallatie wordt aangelengd met water vóórdat het via de aanvoerleiding tussen de aanmaakinstallatie en de inloopkamer van de centrifuge gedoseerd aan het te ontwateren slib wordt toegevoegd. 2.
  7. De behandeling van de zaak is heropend omdat ten tijde van het wijzen van het tussenvonnis niet kon worden beoordeeld of de inschrijvers door HHSK aan een eerlijke competitie zijn onderworpen. Daarbij is in aanmerking genomen dat tussen partijen vast staat dat de competitie plaatsvond met gebruikmaking van het in de normale bedrijfsvoering van HHSK te ontwateren slib (door HHSK wel aangeduid als een natuurproduct), dat niet steeds van precies dezelfde samenstelling is en in het bijzonder niet steeds hetzelfde gehalte aan droge stof bevat. Gelet op dat uitgangspunt is volstrekte gelijkheid tussen de inschrijvers niet mogelijk en ook niet noodzakelijk, maar komt het erop aan of voldoende compensatiemogelijkheden zijn geboden om een gelijk speelveld te creëren. In het bijzonder kon eerder niet worden vastgesteld of de omstandigheid dat het drogestofgehalte in het aan elk van de inschrijvers aangeboden slib wellicht niet gelijk is geweest, in combinatie met de (on)mogelijkheden van het inregelen van de centrifuge, ertoe heeft geleid dat de ene inschrijver bij de praktijkdag is bevoordeeld ten opzichte van de andere(n). 2.
  8. Anders dan VTA stelt, gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat de centrifuge, afhankelijk van de instellingen en het gewenste ontwateringsresultaat, een maximale hydraulische belasting van 50.000 liter slibdebiet per uur heeft en daarmee slib met een drogestofgehalte van 3,68% kan verwerken bij een doorzet van 800 kg/ds. De producent van de slibontwateringsinstallatie waarvan de centrifuge onderdeel uitmaakt, Alfa Laval Benelux B.V., heeft zulks bevestigd in een e-mail van 6 oktober
  9. Dat de installatie als zij vrijwel maximaal belast wordt mogelijk niet optimaal presteert, zoals ter zitting is besproken, is niet van belang omdat in dit geval van (bijna) maximale belasting geen sprake is geweest. 2.
  10. Volgens HHSK hebben de drogestofgehaltes in het te ontwateren slib tijdens de praktijktesten gevarieerd tussen 3,48% en 3,77%. Dit betekent dat de drogestofgehaltes in het aan de inschrijvers aangeboden slib niet gelijk zijn geweest. Ook is in alle gevallen het drogestofgehalte lager geweest dat het in de uitnodigingsbrief genoemde jaargemiddelde van 4,3%. 2.
  11. Tussen partijen is in geschil of en in hoeverre het drogestofgehalte in het ingaande slib van invloed is op de ontwaterbaarheid van dat slib. VTA stelt dat het drogestofgehalte in het ingaande slib een aanzienlijke invloed heeft. Ter onderbouwing van die stelling heeft zij onder andere een rapportage van de heer [persoon A] en een analyse van het Institut für Klärschlammanalytik UG overgelegd. Ook heeft zij erop gewezen dat zij er tijdens een eerdere, soortgelijke aanbestedingsprocedure van HHSK wel in is geslaagd om aan de garantie-eis van een drogestofgehalte van minimaal 21% in het ontwaterde slib te voldoen. Volgens VTA kwam dit doordat het drogestofgehalte in het ingaande slib toen 4,46% bedroeg. HHSK stelt dat de daadwerkelijke ontwaterbaarheid van slib (hoe goed het PE werkt) primair samenhangt met de slibsamenstelling en het gebruikte PE; het drogestofgehalte is volgens HHSK iets anders dan de slibsamenstelling en maakt daar geen onderdeel van uit. Ter onderbouwing hiervan heeft HHSK een memo in het geding gebracht van de heer [persoon B] , een gerenommeerd slibspecialist verbonden aan Royal HaskoningDHV Nederland B.V., die ook bij de voortgezette mondelinge behandeling aanwezig is geweest. 2.
  12. De voorzieningenrechter overweegt dat partijen het erover eens zijn dat bij het ontwateren van slib, los van het drogestofgehalte, de instellingen van de centrifuge en het aanlengen van het PE in de aanmaakinstallatie van belang zijn. Tijdens de inregeldag en de praktijkdag (tussen 08:00 en 09:00 uur) konden de inschrijvers de instellingen van de centrifuge en de aanmaakconcentratie van het PE aanpassen. Inschrijvers hadden bijvoorbeeld de mogelijkheid om het trommeltoerental en het verschiltoerental tussen de trommel en de schroef van de centrifuge te wijzigen en meer of minder water aan het PE toe te voegen. Zelfs als het drogestofgehalte van invloed is op de ontwaterbaarheid van het slib, heeft HHSK daarmee naar voorlopig oordeel voldoende gelijke mogelijkheden aan de inschrijvers geboden om de garantie-eis van een drogestofgehalte van minimaal 21% in het ontwaterde slib te halen, gelet op de werking van de installatie, het memo en de toelichting ter zitting van [persoon B] . De inschrijvers konden immers, anders dan VTA eerder betoogde, meerdere maatregelen nemen (“aan verschillende knoppen draaien”) om de werking van het PE te beïnvloeden en dus de garantie-eis te halen. HHSK heeft daarmee naar voorlopig oordeel een level playing field gecreëerd door de inschrijvers zoveel als mogelijk in staat te stellen om een concurrerende inschrijving te doen. Zij zijn aan een eerlijke competitie onderworpen. 2.
  13. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling heeft VTA voorts betoogd dat haar manager Benelux, de heer [persoon C] , voor de aanvang van de praktijkdag (dus vóór 08:00 uur) aan de heer [persoon D] van HHSK heeft gevraagd of hij de aanmaakconcentratie kon aanpassen (het PE zo dik mogelijk kon maken). Volgens VTA zou [persoon D] daarop hebben geantwoord dat dit niet meer mocht. HHSK ( [persoon D] ) heeft dit weersproken. Hoewel HHSK het verloop van de praktijkdag in haar logboek slechts summier heeft doen vastleggen, en daardoor niet precies kan worden achterhaald wat [persoon C] met wie besproken heeft, staat vast dat [persoon C] hierover in zijn brief aan HHSK van 9 april 2025 niet heeft geklaagd. Daarmee heeft VTA dit punt te laat aan de orde gesteld. Paragraaf 2.5.
  14. van de uitnodigingsbrief schrijft immers voor dat “eventuele bezwaren met betrekking tot de locatietest (…) binnen twee

(2)werkdagen na het ontstaan van de situatie waarop het bezwaar betrekking heeft, schriftelijk [dienen] te worden ingediend via [persoon E] .” Dit betekent dat ook dit betoog van VTA faalt. 2.
  1. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van VTA worden afgewezen. VTA wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van HHSK veroordeeld. De proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot op: - griffierecht: € 714,00 - salaris advocaat: € 1.661,00 - nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal: € 2.553,00 2.
  2. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 3De beslissing De voorzieningenrechter 3.
  3. wijst de vorderingen af, 3.
  4. veroordeelt VTA in de proceskosten van € 2.553,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als zij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet zij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 3.
  5. veroordeelt VTA in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 3.
  6. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. P. de Bruin op 27 november
  7. [2971/106]

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.