RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11271526 CV EXPL 24-20762 datum uitspraak: 12 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. G.J.C.R. Romet, tegen Hoist Finance AB, vestigingsplaats: Stockholm, gedaagde, gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders te Groningen. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Hoist’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het tussenvonnis van 25 juli 2025 en de daarin genoemde stukken; de akte van Hoist van 19 augustus 2025; de akte van [eiser] van 16 september
- 1.
- Op 20 mei 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: mr. G.J.C.R. Romet als gemachtigde van [eiser] en de heer [persoon A] als gemachtigde van Hoist Finance. 2De verdere beoordeling Samenvatting 2.
- Op 24 juni 2016 is een verstekvonnis (hierna: het verstekvonnis) gewezen waarbij [eiser] is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 97,92 aan Direct Services B.V. (hierna: Direct Pay), in verband met een bestelling die [eiser] heeft gedaan op de webshop van Prettyyou.nl (hierna: Pretty You). Op 9 augustus 2021 is loonbeslag gelegd op het inkomen van [eiser] . Op 1 februari 2023 heeft [eiser] een aanzegging ontvangen dat alle rechten en verplichtingen voortvloeiend uit dit verstekvonnis bij akte van cessie zijn overgedragen aan Hoist. 2.
- Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag of Hoist eigenaar is geworden van de vordering op [eiser] . [eiser] betwist namelijk dat de vordering rechtsgeldig aan Hoist is overgedragen, waardoor Hoist niet bevoegd zou zijn het verstekvonnis te executeren. [eiser] vordert daarom primair in deze procedure dat de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis wordt geschorst. Hoist is het niet eens met de primaire vordering van [eiser] , en stelt dat de vordering op [eiser] wél rechtsgeldig aan haar is overgedragen. 2.
- [eiser] heeft ook subsidiaire vorderingen ingesteld, zoals benoemd in rechtsoverweging 2.2 van het tussenvonnis van 25 juli
- Voordat de kantonrechter daarop kan ingaan, moet eerst worden vastgesteld of de vordering rechtsgeldig aan Hoist is overgedragen. Op dit punt kan de kantonrechter nog geen eindbeslissing nemen. Hieronder wordt uitgelegd waarom. Het tussenvonnis 2.
- In het tussenvonnis van 25 juli 2025 heeft de kantonrechter overwogen dat indien een vordering rechtsgeldig is overgedragen, de nevenrechten, waaronder de bevoegdheid executoriale titels ten uitvoer te leggen, ook overgaan op de nieuwe schuldeiser (artikel 6:142 lid 1 BW). Daarvoor is wel vereist dat de vordering op de juiste wijze is overgedragen. Voor een rechtsgeldige overdracht van een vordering gelden twee constitutieve vereisten op grond van artikel 3:94 lid 1 BW; er moet sprake zijn van een daartoe bestemde akte van cessie én van een mededeling daarvan aan de schuldenaar. 2.
- De kantonrechter komt in het tussenvonnis tot het voorlopige oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van de mededeling zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW. De inhoud van de overgelegde mededeling komt namelijk niet overeen met de standpunten die door Hoist in deze procedure zijn ingenomen. Daardoor is het onduidelijk wie als cedent in de mededeling had moeten worden vermeld. De zaak is verwezen naar de rol zodat partijen zich over dit voorlopige oordeel konden uitlaten. Aan de vereiste mededeling, zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW, is voldaan 2.
- Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft Hoist aangevoerd dat wél sprake is van een correcte mededeling van de cessie. Zij licht toe dat in de mededeling van 1 februari 2023 per abuis de passage is opgenomen: “rechtsopvolger onder bijzondere titel krachtens akte van cessie van de besloten vennootschap CE Medical Factoring B.V. handelend onder de naam Anders Medical Factoring”. Volgens Hoist blijkt uit het exploot echter duidelijk dat het gaat om het verstekvonnis dat is gewezen tussen [eiser] en Direct Pay. Uit de tekst van het exploot blijkt ook dat het verstekvonnis was bijgevoegd. In het begeleidend schrijven is bovendien duidelijk vermeld dat Direct Pay haar vordering heeft overgedragen aan Hoist en dat Hoist vanaf dat moment als schuldeiser moet worden aangemerkt. Voor [eiser] zou daarmee voldoende duidelijk moeten zijn op welke vordering de mededeling betrekking had en wie de nieuwe schuldeiser daarvan werd. Verder verduidelijkt Hoist dat Direct Pay de vordering niet als eigenaar heeft gecedeerd aan Hoist, maar als lasthebber van CE Credit Management B.V. III (hierna: CECM III). Voor zover de mededeling op 1 februari 2023 onvoldoende duidelijk zou zijn, heeft Hoist in haar akte van 19 augustus 2025 alsnog mededeling gedaan van de cessie. 2.
- [eiser] heeft in zijn akte van 16 september 2025 de stelling van Hoist, namelijk dat wél sprake is van een correcte mededeling, en de nadere toelichting daarop, niet betwist. De kantonrechter concludeert daarom dat, in afwijking van het voorlopige oordeel, de mededeling van 1 februari 2025 voldoet aan het wettelijke vereiste van artikel 3:94 lid 1 BW. 2.
- [eiser] heeft in reactie op het tussenvonnis wel nog aangevoerd dat Direct Pay volgens hem nooit beschikkingsbevoegd is geweest om de vordering over te dragen. Hij stelt dat geen akte van cessie tussen Afterpay B.V. en Direct Pay is overgelegd, waardoor de vordering volgens hem nooit tot het vermogen van Direct Pay heeft behoord en zij deze vordering dus niet aan Hoist heeft kunnen overdragen, ook niet op grond van een lastgevingsovereenkomst met CECM III. 2.
- De kantonrechter overweegt hierover, zoals reeds in het tussenvonnis uiteen is gezet, dat tussen Direct Pay en [eiser] een verstekvonnis is gewezen waarbij [eiser] is veroordeeld tot betaling € 97,92 aan Direct Pay. Daarmee staat vast dat Direct Pay een vordering heeft (gehad) op [eiser] , waardoor de beschikkingsbevoegdheid van Direct Pay geen geschilpunt meer vormt. Ten aanzien van de primaire vordering van [eiser] ligt enkel nog ter beoordeling voor of de overdracht van de vordering op [eiser] , op rechtsgeldige wijze van Direct Pay aan Hoist heeft plaatsgevonden, waardoor Hoist gerechtigd is tot executie van het verstekvonnis. Hoist krijgt een bewijsopdracht ten aanzien van de akte van cessie 2.
- De kantonrechter zal zich vervolgens moeten buigen over de vraag of aan het tweede constitutieve vereiste is voldaan, namelijk de akte van cessie. [eiser] heeft zowel tijdens de mondelinge behandeling als in zijn akte van 16 september 2025 betwist dat een akte van cessie, zoals bedoeld in artikel 3:94 lid 1 BW, is overgelegd waaruit de overdracht van de vordering van Direct Pay aan Hoist blijkt. 2.
- De kantonrechter stelt voorop dat voor een akte van cessie geldt dat de te overdragen vordering overeenkomstig artikel 3:84 lid 2 BW in voldoende mate door de akte moet worden bepaald. Volgens vaste rechtspraak is voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Met andere woorden, de vordering hoeft niet met absolute precisie te worden omschreven, maar wél zodanig dat zij voldoende bepaalbaar is aan de hand van de inhoud van de akte, eventueel in samenhang met aanvullende informatie. 2.
- Omdat Hoist stelt dat sprake is van een rechtsgeldige overdracht, rust op haar de stelplicht en de bewijslast van deze stelling (artikel 150 Rv). Ter onderbouwing van deze stelling heeft Hoist een “Deed of assignment” overgelegd tussen CECM III als “seller” en Hoist als “ purchaser” (productie 6 bij conclusie van antwoord). De kantonrechter stelt echter vast dat uit deze Deed of assignment niet zonder meer blijkt dat de vordering op [eiser] tot de gecedeerde vorderingen behoort. In de Deed of assignment worden uitsluitend dossiernummers opgesomd, zonder nadere aanduidingen zoals namen van debiteuren, vorderingsbedragen of factuurnummers. Hoewel één van de dossiernummers is gearceerd, kan dit met de informatie die is overgelegd door partijen vooralsnog niet worden gekoppeld aan de vordering op [eiser] . 2.
- Omdat uit de akte niet, ook niet achteraf, kan worden vastgesteld dat de onderhavige vordering is overgedragen, staat vooralsnog niet vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 3:94 lid 1 BW jo. 3:84 lid 2 BW. Daarmee staat vooralsnog ook niet vast dat Hoist bevoegd is tot executie van het verstekvonnis (artikel 6:142 BW). 2.
- De kantonrechter zal daarom Hoist, overeenkomstig haar bewijsaanbod tijdens de mondelinge behandeling, in de gelegenheid stellen te bewijzen dat de onder 2.12 genoemde Deed of assignment (mede) betrekking heeft op de vordering waar het in deze zaak over gaat. 2.
- Direct nadat Hoist bewijs heeft geleverd, mag [eiser] (tegen)bewijs leveren. De partijen mogen pas op elkaars bewijs reageren als het leveren van bewijs door beide partijen is afgerond. De kantonrechter beoordeelt daarna of het bewijs is geleverd. Artikel 431a Rv 2.
- [eiser] heeft tot slot nog aangevoerd dat in het procesdossier geen betekening zoals bedoeld in artikel 431a Rv aanwezig is, zodat Hoist volgens [eiser] niet aan haar wettelijke verplichtingen heeft voldaan. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet, omdat de stelling van [eiser] op dit punt feitelijk onjuist is. In het exploot van 1 februari 2023, waarin de overgang van de vordering op Hoist wordt medegedeeld, staat duidelijk dat met dat exploot aan het vereiste van betekening, zoals bepaald in artikel 431a Rv, is voldaan. De kantonrechter heeft geen reden om daar anders over te denken. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- draagt Hoist op te bewijzen dat de onder 2.12 genoemde Deed of assignment (mede) betrekking heeft op de vordering die het onderwerp is van het verstekvonnis van de kantonrechter Rotterdam van 24 juni 2016 tussen Direct Pay en [eiser] ; schriftelijk bewijs 3.
- bepaalt dat als Hoist schriftelijk bewijs wil leveren dit bewijs uiterlijk een dag voor de rolzitting van dinsdag 13 januari 2025 om 11:30 in tweevoud moet zijn ontvangen op de rechtbank; getuigenbewijs 3.
- bepaalt dat als Hoist getuigen wil laten horen, zij uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd het aantal en de personalia van de getuigen moet opgeven en de verhinderdata van de getuigen en beide partijen voor de maanden maart, april en mei
- 3.
- wijst erop dat Hoist na het bepalen van een datum en plaats voor het getuigenverhoor zelf de getuigen moet oproepen; ander bewijs 3.
- bepaalt dat als Hoist op een andere manier bewijs wil leveren, Hoist uiterlijk een dag voor de rolzitting die hiervoor is genoemd aan de kantonrechter moet laten weten hoe; 3.
- houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken. 64362 Hoge Raad 16 juni 1995, NJ 1996/508, Ontvanger/Rabo.