Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/213737-24 Datum uitspraak: 23 december 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2006, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] in [plaatsnaam] , raadsvrouw mr. M.A.J. van Dam, advocaat te Gouda, waarnemend voor mr. R.B. Schmidt, advocaat te Noordwijk. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 9 december 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd: - bewezenverklaring van het ten laste gelegde; - veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 120 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan een contactverbod met het [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ). 4. Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor een veroordeling. De verdachte ontkent enige betrokkenheid bij het tenlastegelegde. De herkenning van de verdachte door de aangever is onvoldoende concreet en is ook in het licht van andere onderzoeksbevindingen niet betrouwbaar. Onduidelijk is door wie en wanneer het screenshot is verstuurd van het chatgesprek tussen de [medeverdachte] en zijn moeder, waarin de verdachte als een van de daders wordt genoemd. Dat het snapaccount [accountnaam] op de telefoon van de verdachte is aangetroffen, biedt volgens de verdediging onvoldoende steun voor de conclusie dat de verdachte ook degene is geweest die de afspraak met de aangever heeft gemaakt en daarna bij de beroving aanwezig is geweest. Beoordeling De rechtbank stelt op grond van de in bijlage II genoemde bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van het account [accountnaam] op 1 juli 2024 via Snapchat een afspraak heeft gemaakt voor de verkoop door de aangever van zestien vapes. De verkoop zou plaatsvinden aan de achterzijde van de Plusmarkt aan de Emmastraat in Rozenburg. De aangever heeft verklaard dat hij bij aankomst op de afgesproken plek door een jongen werd beetgepakt en aan zijn tas werd getrokken. Ondanks gezichtsbedekking herkende de aangever deze jongen aan zijn ogen en stem als de verdachte, zijn voormalige teamgenoot [verdachte] bij de voetbalclub. Toen hij de tas niet wilde loslaten, trok [verdachte] volgens de aangever een vuurwapen en dreigde hij hiermee te “blazen” als de aangever de tas niet zou loslaten. Vervolgens kwamen de drie medeverdachten uit de bosjes gerend, van wie de aangever er één herkende als de [medeverdachte] . De rechtbank ziet geen aanleiding om de betrouwbaarheid van de herkenningen door de aangever in twijfel te trekken. De aangever heeft bij aangifte direct verklaard dat hij de verdachte had herkend en bevestigde dit later nogmaals aan de hand van de camerabeelden in het dossier. In een chatgesprek tussen de [medeverdachte] en diens moeder worden de voornamen van de verdachte en de medeverdachten genoemd als betrokkenen bij een gevecht met een jongen. Uit de inhoud van de chats leidt de rechtbank af dat deze betrekking hebben op het tenlastegelegde. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bevriend is met de [medeverdachte] en dat hij op 1 juli 2024 bij hem langs is geweest. Uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat hij vlak voor en direct na de beroving veelvuldig contact had met de medeverdachten. Voorts heeft de verdachte ter zitting erkend dat hij gebruik maakt van het op zijn telefoon gevonden Snapchataccount [accountnaam] . De verklaring van de verdachte ter zitting dat mogelijk iemand anders met dezelfde voornaam via dit account met de aangever zou hebben afgesproken, is niet verifieerbaar en vindt ook geen steun in het dossier. In samenhang met de overige bewijsmiddelen acht de rechtbank deze verklaring niet geloofwaardig. De rechtbank stelt vast dat de verdachte degene is geweest die de afspraak met de aangever heeft gemaakt en die hem vervolgens onder bedreiging met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) samen met de medeverdachten heeft beroofd van zijn rugtas met inhoud. Het pleidooi tot vrijspraak wordt verworpen. Conclusie Het ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam op of aan de openbare weg(
- en)de Emmastraat en/of de de Alkenburg, althans op een of meer openbare wegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugtas met daarin (onder andere) 16, althans een of meer vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer] vast te pakken en tegen hem te zeggen "vapes afstaan", althans iets van een soortgelijke aard of strekking, - een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer] en/of naar hem te roepen of tegen hem te zeggen: "laat los of ik ga je blazen", althans iets van een soortgelijke dreigende aard of strekking, - aan genoemde rugtas te rukken en/of trekken, - die [slachtoffer] (meermaals) te schoppen en/of slaan en/of één of meer knietjes te geven en/of (daarbij) ook met genoemd vuurwapen of daarop lijkend voorwerp, althans met een hard voorwerp op diens hoofd te slaan, - die [slachtoffer] ten val te brengen, en/of - met die [slachtoffer] in gevecht te gaan. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd samen met drie anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld en bedreiging met geweld. Via Snapchat had de verdachte met de aangever afgesproken om vapes van hem te kopen. De verdachte heeft vervolgens samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn tas met daarin 16 vapes beroofd. Het slachtoffer is daarbij bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp). Daarnaast is hij geschopt en geslagen, en heeft hij onder meer een hoofdwond opgelopen. De verdachten zijn er vervolgens met de tas met vapes vandoor gegaan. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijk feit, zeker wanneer daarbij een wapen wordt gebruikt, daar nog gedurende lange tijd psychisch last van kunnen hebben. Dat het feit ook op de aangever en zijn familie grote impact heeft (gehad), blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Ook leveren dit soort feiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid en angst op in de maatschappij. De verdachte heeft zich daar kennelijk niet door laten weerhouden en slechts zijn eigen belangen en die van zijn vrienden voor ogen gehad. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Rapportage De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Uit het onderzoek komt het algemeen recidiverisico uit op hoog en het dynamisch risicoprofiel komt uit op heel laag. De grootste beschermende factoren komen naar voren op de domeinen gezin, vrije tijd, financiën, relaties, houding en vaardigheden. De verdachte is een first offender en ontkent betrokkenheid bij het tenlastegelegde. De verdachte lijkt zich positief te ontwikkelen. Hij heeft zijn schooldiploma behaald en beschikt over een positieve en gestructureerde vrijetijdsbesteding en over pro-sociale relaties. Er zijn geen concrete zorgen over zijn houding naar voren gekomen en er zijn geen vaardigheidstekorten geconstateerd. De verdachte heeft momenteel geen dagbesteding, maar staat ingeschreven voor een nieuwe opleiding waar hij in februari 2026 mee zal starten. Indien het aandeel van de verdachte in het ten laste gelegde delict groter is dan hij bij de Raad heeft aangegeven, zal dit de risicofactoren vergroten. Om het risico op herhaling van delictgedrag te verlagen, vindt de Raad het belangrijk dat de verdachte een vaste dagbesteding heeft en de juiste keuzes blijft maken ten aanzien van relaties. De Raad adviseert een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Bij het bepalen van de strafmodaliteit en de omvang van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor minderjarige verdachten voor een diefstal met geweld (straatroof) (vanaf) 60 uur werkstraf of dienovereenkomstige jeugddetentie wordt opgelegd, waarbij bedreiging met een vuurwapen (of daarop gelijkend voorwerp) een strafverzwarende omstandigheid is. De rechtbank ziet aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie, gelet op de ernst van het feit, de initiatiefnemende rol hierbij van de verdachte en het gegeven dat hij op geen enkel moment hiervoor enige verantwoordelijkheid heeft genomen. De rechtbank zal – ook rekening houdend met het tijdsverloop in deze zaak – aan de verdachte een werkstraf en een geheel voorwaardelijke jeugddetentie opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel heeft mede als doel om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal hieraan de voorwaarde worden verbonden dat de verdachte geen contact zal opnemen met de aangever – direct of indirect –, tenzij dit gebeurt in overleg met het Openbaar Ministerie in het kader van eventuele herstelbemiddeling. Alles afwegend vindt de rechtbank een werkstraf voor de duur van 60 uur en daarnaast een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 1 maand een passende straf. 8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij] , ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 219,46 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft aangegeven daarnaast ook immateriële schade te hebben geleden, maar heeft daarbij in de vordering en ter zitting geen schadebedrag genoemd. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade (een bedrag van € 219,46) kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft verzocht dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen samen met de medeverdachten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie opgemerkt dat weliswaar aannemelijk is dat de benadeelde partij door het tenlastegelegde nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden, maar dat hierbij geen concreet schadebedrag is gevorderd. De benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit onderdeel van de vordering. 8.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, gezien de verzochte vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging bepleit om de aangevoerde materiële schade niet ontvankelijk te verklaren, nu deze vordering in het geheel niet met stukken is onderbouwd. Ook de vordering tot immateriële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard. 8.3. Beoordeling Gelet op de aangifte en de rest van het dossier is voor de rechtbank komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Weliswaar is deze vordering niet met stukken onderbouwd, maar ten aanzien van de vapes en de kapotte trainingsbroek volgen deze schadeposten ook specifiek uit de aangifte. Voor het overige komt de gevorderde materiële schade de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat dit deel van de vordering (een bedrag van in totaal € 219,46) zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er is geen concreet schadebedrag is gevraagd. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024. Nu de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.4. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 219,46, vermeerderd met de wettelijke rente en door de benadeelde eventueel te maken proceskosten. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte (ten tijde van het plegen van het feit) zal geen gijzeling worden toegepast. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 30 (dertig) dagen; bepaalt dat deze jeugddetentie niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op een 2 (twee) jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde: - gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] in [geboorteland] , waarbij in overleg met het Openbaar Ministerie een uitzondering kan worden gemaakt indien contact plaatsvindt in het kader van herstelbemiddeling; legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren; beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij] , te betalen een bedrag van € 219,46 (zegge: tweehonderdnegentien euro en zesenveertig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 219,46 (hoofdsom, zegge: tweehonderdnegentien euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.M.L. van Mulbregt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J.C. Tijink en J.S. van den Berge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025. De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam op of aan de openbare weg(
- en)de Emmastraat en/of de de Alkenburg, althans op een of meer openbare wegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugtas met daarin (onder andere) 16, althans een of meer vapes , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer] vast te pakken en tegen hem te zeggen "vapes afstaan", althans iets van een soortgelijke aard of strekking, - een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer] en/of naar hem te roepen of tegen hem te zeggen: "laat los of ik ga je blazen", althans iets van een soortgelijke dreigende aard of strekking, - aan genoemde rugtas te rukken en/of trekken, - die [slachtoffer] (meermaals) te schoppen en/of slaan en/of één of meer knietjes te geven en/of (daarbij) ook met genoemd vuurwapen of daarop lijkend voorwerp, althans met een hard voorwerp op diens hoofd te slaan, - die [slachtoffer] ten val te brengen, en/of - met die [slachtoffer] in gevecht te gaan.