Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/228908-24 Datum uitspraak: 23 december 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres], [postcode] in [plaatsnaam], raadsman mr. L.H.E.M. Berendse-de Gruijl, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 9 december 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. K. Broere heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan een contactverbod met het [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] ([geboorteland]). 4Waardering van het bewijs 4.1. Bewijswaardering Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte samen met de medeverdachten de aangever heeft beroofd van een tas met vapes. De aangever is daarbij meerdere keren geschopt en geslagen en hij heeft een knietje gekregen. Hij is bedreigd met een vuurwapen of een voorwerp dat daarop leek en hij heeft een hoofdwond opgelopen. Dat betekent dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen. 4.2. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam op of aan de openbare weg(
- en)de Emmastraat en/of de de Alkenburg, althans op een of meer openbare wegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugtas met daarin (onder andere) 16, althans een of meer vapes, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of en gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer] vast te pakken en tegen hem te zeggen "vapes afstaan", althans iets van een soortgelijke aard of strekking, - een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer] en/of naar hem te roepen of tegen hem te zeggen: "laat los of ik ga je blazen", althans iets van een soortgelijke dreigende aard of strekking, - aan genoemde rugtas te rukken en/of trekken, - die [slachtoffer] (meermaals) te schoppen en/of slaan en/of één of meer knietjes te geven en/of (daarbij) ook met genoemd vuurwapen of daarop lijkend voorwerp, althans met een hard voorwerp op diens hoofd te slaan, - die [slachtoffer]ten val te brengen, en/of - met die [slachtoffer] in gevecht te gaan. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd samen met drie anderen schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld. Bij een afspraak via Snapchat met een van de medeverdachten om vapes te verkopen is het slachtoffer door de vier verdachten van zijn tas beroofd met daarin 16 vapes. Hij is daarbij bedreigd met een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp), is geschopt en geslagen, en heeft onder meer een hoofdwond opgelopen. De verdachten zijn er vervolgens met de tas met vapes vandoor gegaan. Door zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van een dergelijk feit, zeker wanneer daarbij een wapen wordt gebruikt, daar nog gedurende lange tijd psychisch last van kunnen hebben. Dat het feit ook op de aangever en zijn familie grote impact heeft (gehad), blijkt ook uit de ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Ook leveren dit soort feiten, gepleegd op de openbare weg, gevoelens van onveiligheid en angst op in de maatschappij. De verdachte heeft zich daar kennelijk niet door laten weerhouden en slechts zijn eigen belangen en die van zijn vrienden voor ogen gehad. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Rapportage De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 4 juni 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. Het algemeen recidiverisico komt uit op midden. Het dynamisch risicoprofiel komt uit op laag, wat betekent dat er veranderbare punten zijn in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die van invloed zijn op het recidiverisico. Er worden beschermende factoren gesignaleerd, met name op de domeinen gezin en school. De grootste risicofactoren worden gezien op de domeinen vrije tijd, relaties, houding en agressie. Vanwege deze risicofactoren en vanwege de ernst van de verdenking heeft de Raad de inzet van jeugdreclassering overwogen. De pleegmoeder lijkt echter in samenwerking met moeder en met pleegzorg voldoende toezicht en begeleiding te bieden, waardoor jeugdreclassering momenteel niet als noodzakelijk wordt gezien. Het is voor de Raad moeilijk om tot een passend strafadvies te komen, omdat er weinig duidelijkheid bestaat over het aandeel van de verdachte in de verdenking. Omdat de verdachte een first offender is en er uit onderzoek veel beschermende factoren naar voren komen die de kans op herhaling verkleinen, is de Raad van mening dat ondanks de ernst van de verdenking, een onvoorwaardelijke werkstraf passend zou kunnen zijn. De verdachte dient de consequenties van zijn handelen te ervaren als blijkt dat hij schuldig zou zijn. De Raad vindt daarnaast een voorwaardelijke werkstraf passend als stok achter de deur. Dit kan de verdachte eraan herinneren dat antisociaal gedrag niet wordt geaccepteerd in de samenleving en dat hij goed moet nadenken over de keuzes die hij maakt. De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de omvang van de werkstraf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de rol van de verdachte en het feit dat hij ter terechtzitting top op zekere hoogte verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Een geheel voorwaardelijke werkstraf, zoals door de verdediging is verzocht, vindt zij echter niet passend vanwege de ernst van het feit. Wel zal zij een deel van de voorgenomen werkstraf voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel heeft ook als doel om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal hieraan de voorwaarde worden verbonden dat de verdachte geen contact zal opnemen met de aangever – direct of indirect -, tenzij in overleg met het Openbaar Ministerie in het kader ven eventuele herstelbemiddeling. Alles afwegend acht de rechtbank een werkstraf van 100 uur, waarvan 60 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, een passende straf. 8Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde partij], ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 219,46 aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft aangegeven daarnaast ook immateriële schade te hebben geleden, maar heeft daarbij in de vordering en ter zitting geen schadebedrag genoemd. 8.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade (een bedrag van € 219,46) kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft verzocht dit bedrag hoofdelijk toe te wijzen samen met de medeverdachten. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie opgemerkt dat weliswaar aannemelijk is dat de benadeelde partij door het tenlastegelegde nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden, maar dat hierbij geen concreet schadebedrag is gevorderd. De benadeelde partij dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard in dit onderdeel van de vordering. 8.2. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. 8.3. Beoordeling Gelet op de aangifte en de rest van het dossier is voor de rechtbank komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. Weliswaar is deze vordering niet met stukken onderbouwd, maar ten aanzien van de vapes en de kapotte trainingsbroek volgen deze schadeposten specifiek uit de aangifte. De overige in de schriftelijke vordering genoemde posten aan materiële schade zijn niet betwist en komen de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voor. Dit deel van de vordering (een bedrag van in totaal € 219,46) zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk worden verklaard, nu er geen concreet schadebedrag is gevraagd. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partij betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024. Nu de vordering van de benadeelde partij (deels) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. 8.4. Conclusie De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 219,46, vermeerderd met de wettelijke rente en door de benadeelde eventueel te maken proceskosten. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren; bepaalt dat een gedeelte van de taakstraf groot 60 (zestig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; beveelt dat, voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op 2 (twee) jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde: - gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met het [slachtoffer], geboren op [geboortedatum 2] 2006 in [geboorteplaats 2] in [geboorteland], waarbij in overleg met het Openbaar Ministerie een uitzondering kan worden gemaakt indien contact plaatsvindt in het kader van herstelbemiddeling; veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 219,46 (zegge: tweehonderdnegentien euro en zesenveertig eurocent), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de [benadeelde partij] te betalen € 219,46 (hoofdsom, zegge: tweehonderdnegentien euro en zesenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen; verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd. Dit vonnis is gewezen door: mr. J.M.L. Mulbregt, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. J.C. Tijink en J.S. van den Berge, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Borges Dias, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 december 2025. De oudste rechter de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 1 juli 2024 te Rozenburg, gemeente Rotterdam op of aan de openbare weg(
- en)de Emmastraat en/of de de Alkenburg, althans op een of meer openbare wegen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een rugtas met daarin (onder andere) 16, althans een of meer vapes , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(
- s)toebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door - die [slachtoffer] vast te pakken en tegen hem te zeggen "vapes afstaan", althans iets van een soortgelijke aard of strekking, - een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp te tonen aan die [slachtoffer] en/of naar hem te roepen of tegen hem te zeggen: "laat los of ik ga je blazen", althans iets van een soortgelijke dreigende aard of strekking, - aan genoemde rugtas te rukken en/of trekken, - die [slachtoffer] (meermaals) te schoppen en/of slaan en/of één of meer knietjes te geven en/of (daarbij) ook met genoemd vuurwapen of daarop lijkend voorwerp, althans met een hard voorwerp op diens hoofd te slaan, - die [slachtoffer] ten val te brengen, en/of - met die [slachtoffer] in gevecht te gaan.