Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10-196086-25 Datum uitspraak: 19 november 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachhte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:[adres 1] , [postcode] [plaatsnaam] , preventief gedetineerd in [naam PI] , raadsman mr. W.B. Lisi, advocaat te Utrecht. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 november 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. D.D.B. Reuter heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden met aftrek van voorarrest; oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) voor de duur van twee jaren met een vervangende hechtenis van vijf dagen per overtreding en een maximale duur van zes maanden, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor het adres [adres 2] . 4Waardering van het bewijs 4.1. Vrijspraak zonder nadere motivering (feit 2) Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 4.2. Bewijswaardering (feit 1 primair) 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Aangevoerd is dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) en dat als gevolg daarvan de resultaten van het volledige digitale onderzoek aan de telefoon van het bewijs moeten worden uitgesloten. De telefoon van de verdachte is zonder toestemming van de rechter-commissaris uitgelezen, terwijl daarbij niet slechts sprake was van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, nu op voorhand was te voorzien dat inzicht zou worden verkregen in bijvoorbeeld foto’s en inhoud van uitgewisselde communicatie. Verder heeft de verdediging betoogd dat de twee ambtshalve herkenningen dusdanig onbetrouwbaar zijn dat deze niet tot bewijs kunnen dienen. Bovendien heeft de verdachte een alibi: twee getuigen bevestigen de verklaring van de verdachte dat hij op 2 juni 2025 bij zijn ouders in Oldenzaal verbleef. 4.2.2. Standpunt officier van justitie De officier van justitie rekwireert tot verwerping van de verweren. Aangevoerd is dat niet meer dan een beperkte inbreuk op de levenssfeer van de verdachte is gemaakt en dat daarom geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De herkenningen laten geen twijfel toe. Op basis van de getuigenverklaringen kan niet worden vastgesteld dat de verdachte op het moment suprême bij zijn ouders was. 4.2.3. Beoordeling Vormverzuim onderzoek telefoon verdachte De rechtbank stelt vast dat de telefoon van de verdachte is onderzocht voordat de rechter-commissaris op 4 juli 2025 een machtiging daartoe heeft afgegeven. Uit het dossier blijkt dat voorafgaand aan die machtiging inzicht is verkregen in uitgewisselde communicatie, een video in die communicatie en persoonsgegevens. Dit heeft geleid tot een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Nu voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris daartoe ontbrak, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim (vgl. Hoge Raad 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409). Bij de beantwoording van de vraag of aan dit verzuim rechtsgevolgen moeten worden verbonden, en zo ja welke, moet rekening worden gehouden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren: het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een inbreuk op het recht op privacy zoals neergelegd in artikel 8 EVRM, nu op de telefoon van de verdachte persoonlijke gegevens zijn aangetroffen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het geconstateerde vormverzuim niet behoeft te leiden tot bewijsuitsluiting. Het betrof een onderzoek naar een ernstig strafbaar feit, waarbij de aard en ernst van het delict een onderzoek aan de telefoon rechtvaardigden. Deze rechtvaardiging blijkt bovendien uit de latere, op juiste wijze verkregen machtiging van de rechter-commissaris van 4 juli 2025. De inbreuk op het recht op privacy is achteraf bezien relatief beperkt gebleven en de verdachte is door het vormverzuim niet in een nadeligere positie gebracht ten opzichte van de situatie waarbij dit vormverzuim niet zou zijn begaan. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank geen consequenties verbinden aan het vormverzuim. De rechtbank volstaat met de enkele constatering daarvan. Betrouwbaarheid herkenningen De aangeefster verklaarde dat bij het openen van de deur van haar woning, er een man voor haar stond. Deze man stapte vervolgens direct haar woning binnen en begon een verhaal dat de waterleiding kapotgetrokken was. De man liep door meerdere vertrekken van de woning en deed alles heel snel. Op enig moment is de man op de slaapkamer van het echtpaar gekomen en heeft hij gezegd dat de kluis geopend moest worden. Dit heeft de echtgenoot van de aangeefster gedaan. Vervolgens griste de man twee enveloppen weg. Later bleek dat in deze enveloppen een geldbedrag van € 30.000,- zat. De aangeefster heeft een signalement van de man gegeven. Op de camerabeelden van het wooncomplex waar de aangeefster woont en op camerabeelden buiten het wooncomplex wordt, in een tijdsframe van enkele uren voor en na het incident, één man herkend die voldoet aan het door de aangeefster gegeven signalement. Schermafbeeldingen van de camerabeelden van het wooncomplex waar de aangeefster woont en camerabeelden van de looproute van de man zijn later uitgezet ter herkenning. Aan de hand van twee ambtshalve herkenningen is de verdachte geïdentificeerd als de man die de enveloppen heeft weggenomen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van een herkenning is een aantal elementen van belang. Dit betreft ten eerste de vraag of de camerabeelden of stills van voldoende kwaliteit en helderheid zijn om een herkenning op te kunnen baseren. Daarnaast is van belang hoe goed de herkenner de herkende verdachte kent. Daarbij spelen de aard, frequentie en het tijdsverloop sinds de ontmoetingen een rol. Verder is het aantal onafhankelijk van elkaar gedane herkenningen van belang, evenals de vraag of zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid van de herkenning ondermijnen. In deze zaak zijn de camerabeelden en de daaruit verkregen stills van goede kwaliteit: de beelden zijn helder en daarop is het gezicht van de verdachte man meermaals en vanuit verschillende gezichtspunten in beeld. Vast staat verder dat beide verbalisanten die de herkenningsprocessen-verbaal hebben opgemaakt, de verdachte in het recente verleden meerdere malen in persoon hebben ontmoet en hem herkenden aan het totaalbeeld van zijn kenmerken. Dat zij de verdachte meerdere malen hebben ontmoet, blijkt ook uit de door de verdachte afgelegde verklaring op de terechtzitting, inhoudende dat hij van mening was dat bovengenoemde verbalisanten het op hem hadden gemunt. Verder blijkt uit de aanvullende processen-verbaal dat de verdachte wordt herkend aan de hand van meerdere intern gedeelde foto’s. De rechtbank acht de beide herkenningen dan ook betrouwbaar, waarmee vaststaat dat de man op de camerabeelden de verdachte is. Alibi De verdachte verklaarde dat zijn moeder en haar buurvrouw kunnen bevestigen dat hij op 2 juni 2025 bij zijn ouders was in Oldenzaal. De moeder van de verdachte verklaarde dat zij wist dat haar zoon in Oldenzaal was ten tijde van de verdenking, maar zij kan niet aangeven hoe zij dit zo zeker weet en verwart in haar verklaring bovendien voortdurend verschillende data. De rechtbank acht die verklaring dan ook niet betrouwbaar. De buurvrouw heeft tegenover de politie verklaard dat zij niet met zekerheid kan zeggen dat de persoon die zij in de ochtend zag, de verdachte was. Bovendien, zelfs als de persoon die zij in de ochtend in Oldenzaal heeft gezien wel de verdachte was, leidt dit niet tot een sluitend alibi, nu de overval in Rotterdam plaatsvond rond half vier in de middag. 4.2.4. Conclusie Gelet op al het voorgaande, acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. 4.3. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Rotterdam,in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres 2][adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van derechthebbende bevond, een geldbedrag van 30.000 euro, in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feit Het bewezen feit levert op: 1. diefstal, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feit waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een substantieel geldbedrag uit de woning van twee bejaarde slachtoffers. De verdachte heeft voorgewend dat de waterleiding kapot was getrokken. Hij deed alsof hij kwam controleren of alles weer in orde was. Hij is daarbij direct de woning ingestapt en heeft de woning indringend doorzocht. Hij heeft de slachtoffers bestolen van een geldbedrag van € 30.000,-. De verdachte heeft door middel van een misleidende babbeltruc en intimiderend gedrag toegang verkregen tot de woning van de slachtoffers. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan, temeer nu ouderen in het algemeen niet in staat zijn adequaat weerstand te bieden aan dergelijk gedrag. De verdachte heeft bij het plegen van dit feit louter uit financieel gewin gehandeld en zich in het geheel niet bekommerd om de gevolgen voor deze kwetsbare slachtoffers. Ook weegt de rechtbank in het nadeel van de verdachte mee dat de diefstal bij de slachtoffers in de woning heeft plaatsgevonden, een plek waar zij zich veilig zouden moeten voelen. Met zijn geraffineerde handelwijze heeft de verdachte het gevoel van veiligheid van de slachtoffers in en rondom hun huis ernstig aangetast. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een 53 pagina’s tellend uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 oktober 2025, waaruit blijkt dat de verdachte veelvuldig is veroordeeld voor (onder meer soortgelijke) strafbare feiten. 7.3.2. Rapportage Stichting Verslavingsreclassering GGZ, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd op 18 september 2025. Dit rapport houdt onder andere het volgende in. Door de ontkennende houding van de verdachte heeft de reclassering geen goede analyse kunnen maken van de criminogene factoren. Uit dossieronderzoek komen signalen dat sprake is van middelen- en psychische problematiek. De reclassering beschikt echter over onvoldoende informatie. Daarnaast ontkent de verdachte dat sprake is van enige problematiek. De verdachte heeft een pro-criminele houding. Bij een veroordeling ontbreekt het hem aan wroeging en het nemen van verantwoordelijkheid. Gezien de langdurige en hardnekkige problematiek is het van belang dat de verdachte meewerkt aan hulpverlening en dat een stabiele maatschappelijk basis wordt bewerkstelligd. De verdachte heeft echter tot op heden geen medewerking verleend. 7.4. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank is, in tegenstelling tot het advies van de reclassering, van oordeel dat een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden, mede gezien de houding van de verdachte ter terechtzitting, niet passend en geboden is. De verdachte heeft ter terechtzitting bevestigd, dat hij geen medewerking wenst te verlenen aan reclasseringstoezicht. Anders dan door de officier van justitie is verzocht, legt de rechtbank geen 38v-maatregel op inhoudende een contact- en locatieverbod, nu uit het dossier niet blijkt van een aanleiding daartoe. Bij een eenmalige of niet-persoonlijke woninginbraak ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank het concrete beschermingsbelang dat oplegging van een dergelijke maatregel rechtvaardigt. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet. 8Voorlopige hechtenis 8.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis op te heffen gelet op het anticipatiegebod zoals bedoeld in artikel 67a lid 3 Sv. 8.2. Beoordeling Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen. De ernstige bezwaren en de gronden waarop de voorlopige hechtenis is gebaseerd, zijn nog aanwezig. De situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor gelet op de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf. 9In beslag genomen voorwerpen 9.1. Standpunt officier van justitie Gelet op de rol die de telefoon heeft gespeeld in de nasleep van het strafbare feit, ziet de officier van justitie aanleiding om te vorderen dat de in beslag genomen telefoon verbeurd wordt verklaard. 9.2. Standpunt verdediging De verdediging verzoekt de teruggave te gelasten van de onder de verdachte in beslag genomen telefoon. 9.3. Beoordeling Ten aanzien van de in beslag genomen telefoon zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, nu enig relevant verband met het bewezenverklaarde ontbreekt. 10Vorderingen benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen Als benadeelde partijen hebben zich [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in het geding gevoegd. [benadeelde partij 1] vordert vergoeding van € 30.000,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade. [benadeelde partij 2] vordert vergoeding van € 750,- aan immateriële schade. 10.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen. 10.2. Standpunt verdediging Gelet op de bepleite vrijspraak moeten de vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Subsidiair wordt verzocht de door [benadeelde partij 1] gevorderde materiële schade af te wijzen, omdat deze onvoldoende onderbouwd is met stukken, dan wel het schadebedrag te verlagen, omdat uit de overgelegde bankafschriften een lager bedrag dan gevorderd naar voren komt. Ten aanzien van beide vorderingen tot toekenning van immateriële schade wordt verzocht om het schadebedrag te verlagen. 10.3. Beoordeling 10.3.1. Materiële schade Vast is komen te staan dat aan de [benadeelde partij 1] door het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank zal de vordering, ondanks de (gedeeltelijke) betwisting hiervan door de verdachte, toewijzen. De rechtbank overweegt dat ruimte bestaat voor toewijzing van het gevorderde contante geldbedrag, ook als daarvan voor een gedeelte geen opnamebewijzen kunnen worden overlegd. De aangeefster heeft vanaf het begin consequent verklaard over de hoogte van het weggenomen geldbedrag. Zij heeft in haar aangifte verklaard dat in de weggenomen enveloppen geld zat voor de uitvaarten van haar en haar echtgenoot. Voorts is een gedeelte van het gevorderde bedrag onderbouwd in het schade-onderbouwingsformulier en de bijlagen daarbij. Het geld is over een langere periode van de rekeningen afgehaald en in de kluis bewaard. De rechtbank ziet al met al geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster, inhoudende dat het bedrag in de gestolen enveloppen € 30.000,- betrof. Dit deel van de vordering zal worden toegewezen. 10.3.2. Immateriële schade De rechtbank zal beide benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in het deel van de vorderingen dat ziet op immateriële schade. Hoewel zeer voorstelbaar is dat de gebeurtenis voor hen ingrijpend is geweest, hebben zij onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op basis waarvan het bestaan van een door de wet vereiste aantasting in hun persoon kan worden vastgesteld. 10.3.3. Wettelijke rente en kostenverdeling De [benadeelde partij 1] heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2025. Nu de vordering van de [benadeelde partij 1] in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Nu de vordering van de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. 10.4. Conclusie De verdachte moet de [benadeelde partij 1] ter zake van schadevergoeding een bedrag betalen van € 30.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Voor wat betreft de vordering van de [benadeelde partij 2] wordt in deze procedure over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen. 11Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f en 311 Wetboek van Strafrecht. 12Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 13Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt: - gelast de teruggave aan verdachte van: de telefoon iPhone 16; [benadeelde partij 1] veroordeelt de verdachte, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de [benadeelde partij 1] , te betalen een bedrag van € 30.000,- (zegge: dertigduizend euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 2 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de [benadeelde partij 1] gemaakt, tot op heden aan de zijde van de [benadeelde partij 1] begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij 1] te betalen € 30.000,- (hoofdsom, zegge: dertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juni 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 30.000,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 185 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; verstaat dat betaling aan de [benadeelde partij 1] tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd; [benadeelde partij 2] verklaart de [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de [benadeelde partij 2] de vordering slechts kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de [benadeelde partij 2] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele, voorzitter, en mrs. J.L. Luiten en J. Langeveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Rotterdam,in een woning en/of op een besloten erf waarop een woning stond, gelegen aan [adres 2][adres 2] , alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van derechthebbende bevond, een geldbedrag van 30.000 euro, in elk geval enig goed,dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een andertoebehoorde(
- n)heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijktoe te eigenen; ( art 311 lid 1 ahf/sub 3 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden: hij op of omstreeks 2 juni 2025 te Rotterdam, althans in Nederland,met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelendoor het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of doorlistige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,[slachtoffer 1] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van eendienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/ofhet teniet doen van een inschuld, te weteneen geldbedrag van 30.000 euro, door- de woning van die [slachtoffer 1] te betreden en/of- zich voor te doen als reparateur van een waterleiding en/of- die [slachtoffer 1] te vertellen dat er sprake is van een lekkage in haar woning en/of- die [slachtoffer 1] te bewegen om een kast en/of (vervolgens) een kluis te openen en/of- uit voornoemde kluis een geldbedrag van 30.000 euro weg te nemen; ( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 2hij in of omstreeks de periode van 2 juni 2025 tot en met 3 juni 2025 te Rotterdam,althans in Nederland,een telefoon (iPhone 16), althans een voorwerpheeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,terwijl hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerponmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf; ( art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art 420bis lid 1 ahf/ond bWetboek van Strafrecht, art 420quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht, art420quatr lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht )