RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 23/5472 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen [eiseres], uit Spijkenisse, eiseres (gemachtigde: mr. J.D. van Alphen), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV (gemachtigde: [naam]). Inleiding
- Eiseres heeft op 3 juni 2021 een aanvraag ingediend voor een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft met het besluit van 20 december 2022 aan eiseres een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend met ingang van 26 augustus 2021 (datum in geding). De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 63,87% met een restverdiencapaciteit van € 921,20 per maand (het primaire besluit). 1.
- Met het besluit van 21 juli 2023 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij deze beslissing gebleven (het bestreden besluit). Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 1.
- Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. Het UWV heeft een nader verweerschrift ingediend. 1.
- De rechtbank heeft beroep op 20 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het UWV mr. S. Roodenburg. Totstandkoming van het bestreden besluit
- Eiseres was laatst werkzaam als administratief medewerker en taxichauffeur bij haar (ex)werkgever, voor 41,84 uur per week. Zij heeft zich voor dit werk ziek gemeld per 29 augustus
- 2.
- Op de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet WIA heeft het UWV na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen zoals genoemd in de inleiding. Standpunt eiseres
- Eiseres stelt in beroep dat het UWV haar medische beperkingen onjuist heeft vastgesteld en dat onvoldoende rekening is gehouden met de aard en ernst van haar klachten. Zij stelt volledig arbeidsongeschikt te zijn, althans verdergaand beperkt te zijn voor hoofdbewegingen en frequent reiken tijdens het werk. Haar whiplash associated disease is ten onrechte niet in WAD graad 4 ingedeeld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Boven schouderhoogte actief zijn is voor eiseres in het geheel niet mogelijk. Zij is verdergaand beperkt voor werkzaamheden met een hoog handelingstempo en tempo in het dagelijks functioneren. Ook is ten onrechte geen beperking aangenomen in verband met de hooikoorts van eiseres. Ten onderbouwing van deze standpunten heeft eiseres verwezen naar informatie van haar therapeut, een in beroep opgestelde rapportage van een verzekeringsarts van Triage van 8 juli 2024 en een rapportage van een psychiater van 16 mei
- 3.
- Eiseres stelt verder dat zij gelet op haar klachten en beperkingen de geselecteerde functies niet kan verrichten. De functie van receptionist overschrijdt haar mogelijkheden ten aanzien van schrijven, reiken en hoofdbewegingen. De functie van assemblagemedewerker besturingskasten en panelen overschrijdt haar mogelijkheden ten aanzien van reiken en hoofdbewegingen. De functie medewerker tuinbouw is niet passend vanwege de allergie van eiseres en omdat deze functie haar mogelijkheden ten aanzien van reiken en hoofdbewegingen overschrijdt. Ter onderbouwing van deze standpunten heeft eiseres verwezen naar een rapportage van een arbeidscoach van Just4Work van 2 juni
- Wettelijk kader
- Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. 4.
- Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. 4.
- Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Op grond van het derde lid wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak de vaststelling door het UWV van het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per de datum in geding, 26 augustus 2021, naar een mate tussen de 35% en 80%. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of het UWV de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat moet worden geacht de geselecteerde functies te verrichten. 5.
- De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De beoordeling van de medische grondslag
- In de eerste plaats oordeelt de rechtbank dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 6 juli 2023 overtuigend heeft gemotiveerd dat geen sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid wegens geen benutbare mogelijkheden. 6.
- Partijen verschillen van inzicht over de medische beperkingen die eiseres op de datum in geding ondervond van de whiplash die zij heeft overgehouden aan een aanrijding achterop in augustus
- Eiseres heeft hiertoe in de beroepsfase een verzekeringsarts bij Triage ingeschakeld om nader verzekeringsgeneeskundig onderzoek te doen naar haar medische toestand op de datum in geding. Deze verzekeringsarts heeft gerapporteerd (rapport 8 juli 2024) op basis van de al beschikbare medische stukken, een rapportage van een psychiater van 5 april 2024 en eigen fysiek onderzoek. Er is sprake van whiplash in graad I/II; de klachten van eiseres die door haar als ‘wipkipsensatie’ en ‘flipperkastgevoel’ worden aangeduid, evenals het krachtverlies, en klachten van een zwalkende gang/evenwichtsklachten, zijn passend bij een functioneel neurologische stoornis (FNS). Op basis hiervan motiveert deze verzekeringsarts dat bij de diagnose FNS rekening moet worden gehouden met reële klachten en fysieke beperkingen. Hij rapporteert dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 6 juli 2023 (die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt) de belastbaarheid van eiseres per de datum in geding heeft overschat. Voor eiseres betekent dit volgens de verzekeringsarts dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) die op 30 november 2022 is vastgesteld onvoldoende beperkingen bevat voor ‘hoofdbewegingen’ (sterk beperkt), ‘boven schouderhoogte actief zijn’ (niet mogelijk), en ‘frequent reiken tijdens het werk’ (sterk beperkt). Ook waren volgens de verzekeringsarts beperkingen aangewezen in de categorieën ‘werkzaamheden die met een hoog handelingstempo gepaard gaan’, ‘handelingstempo in het dagelijks functioneren’ en ‘schrijven’. Voor de categorieën ‘tillen tijdens het werk’ en ‘dragen tijdens het werk’ had een toelichting in de FML opgenomen moeten worden gelet op de verkrampingen/blokkades in de armen. Tot slot motiveert de verzekeringsarts dat gelet op de hooikoorts van eiseres in de FML een beperking had moeten worden opgenomen in de rubriek 3 bij item 9.1, ‘allergie’. De verzekeringsarts merkt hierover op dat hij betwijfelt dat de functie ‘medewerker tuinbouw’ geselecteerd had mogen worden. 6.
- De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een nadere rapportage van 26 september 2024 gesteld dat de rapportage van Triage van 8 juli 2024 geen aanleiding geeft het standpunt over de medische grondslag te wijzen. 6.
- De rechtbank oordeelt dat de medische grondslag van het bestreden besluit onzorgvuldig is. In de rapportage van 26 september 2024 stelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de hooikoorts niet zodanig is dat het ontbreken van een beperking aanleiding vormde voor het maken van een opmerking in bezwaar. Dit is feitelijk onjuist. Uit de rapportage van de verzekeringsarts van 8 juli 2024 blijkt namelijk dat de hooikoorts naar het oordeel van de verzekeringsarts aanleiding geeft om een aanvullende beperking in rubriek 3.1 van item 9.1 ‘allergie’ van de FML op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is die constatering in de rapportage van 8 juli 2024 in lijn met de in het dossier beschikbare medische informatie van eiseres. Uit de informatie van de huisarts blijkt immers dat eiseres rond de datum in geding bekend was met hooikoorts en daarvoor medicatie gebruikte (hooikoortstabletten/neusspray, foster zo nodig). Dit heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het vaststellen van de FML ten onrechte niet onderkend. Dat eiseres daarover in bezwaar niet heeft geklaagd, maakt niet dat een beperking voor ‘allergie’ niet opgenomen hoeft te worden in de FML. De rechtbank ziet hierin aanleiding voor het oordeel dat het beroep gegrond is. 6.
- Wat betreft de beoordeling van de overige beperkingen die in de FML zijn opgenomen, merkt de rechtbank op dat de door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts in de rapportage van 8 juli 2024 uitgaat van dezelfde, maar zwaardere beperkingen in de FML dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 6 juli
- Gelet op de omstandigheid dat het beroep van eiseres over de medische grondslag slaagt, laat de rechtbank in het midden of de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapportage van 6 juli 2023 stand kan houden. De beoordeling van de arbeidsdeskundige grondslag
- Nu het beroep tegen de medische grondslag slaagt, slaagt ook het beroep van eiseres tegen de arbeidsdeskundige grondslag voor zover dat betrekking heeft op de geduide functie ‘medewerker tuinbouw’. Uit de Resultaat Functiebeoordeling van 13 juli 2023 volgt dat bij deze functie als kenmerkende belasting onder meer sprake is van stuifmeel(pollen) en meeldraden in bloemknop. 7.
- Het UWV heeft aan het bestreden besluit geen reservefuncties ten grondslag gelegd, zodat door het vervallen van de functie ‘medewerker tuinbouw’ niet het vereiste minimum van drie functies ten grondslag ligt. De rechtbank ziet ook hierin aanleiding voor het oordeel dat het beroep gegrond is. Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden wordt vernietigd. Het UWV wordt, met toepassing artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, opgedragen om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak deze nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met in achtneming van deze uitspraak. 8.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres het griffierecht vergoed van het UWV. Zij krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten van het UWV. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 907,-, en wegingsfactor 1). De kosten van het inschakelen van de deskundige (verzekeringsarts, rapportage 8 juli 2024, van € 1.250,-) komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat de beoordeling door de rechtbank niet ziet op de kwestie waarover de deskundige in zijn rapport schrijft zodat geen sprake is van kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 21 juli 2023; draagt het UWV op om binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108,-; bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van Z. Schaaders, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 7 mei
- De griffier is niet in staat de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. WGA = werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten. In de zin van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.