vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/690615 / HA ZA 24-1090 Vonnis van 14 mei 2025 in de zaak van [eiseres] , wonend in Rotterdam, eiseres, advocaat mr. M.F.A. Vreeswijk te Amsterdam, tegen 1 [gedaagde 1], gevestigd in Rotterdam, 2. [gedaagde 2], wonend in Nieuwkoop, 3. [gedaagde 3], wonend in Barendrecht, 4. [gedaagde 4], wonend in Amsterdam, gedaagden, advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam. Eiseres wordt hierna [eiseres] genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk genoemd [gedaagden], en afzonderlijk [gedaagde 1], [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. 1De kern van het geschil [eiseres] stelt overlast te (hebben) ervaren van de bewoners van het appartement boven haar appartement. [gedaagden] zijn eigenaar van het bovengelegen appartement. [eiseres] stelt dat dit komt door een houten vloer in het bovengelegen appartement en dat [gedaagden] daardoor het modelreglement overtreden, en dat daardoor sprake is van onredelijke en onrechtmatige hinder. [gedaagden] betwisten de gestelde overtreding van het modelreglement en de gestelde onredelijke of onrechtmatige hinder. De rechtbank wil best aannemen dat [eiseres] overlast heeft ervaren en mogelijk ook nog ervaart, maar geeft [gedaagden] gelijk dat geen sprake is van een overtreding van het modelreglement en dat geen sprake is van onredelijke of onrechtmatige hinder. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen. 2De procedure 2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 22 november 2024, en de daarin genoemde processtukken; de brief van de rechtbank van 20 december 2024, waarin mondelinge behandeling is bepaald; de brief van de rechtbank van 13 februari 2025, met daarin een zittingsagenda; de akte houdende overlegging producties van [gedaagden], met producties 25 tot en met 33; de akte indienen producties, depot, en wijziging eis van [eiseres], met producties 20 tot en met 24; akte houdende overlegging productie van [gedaagden], met productie 34; de mondelinge behandeling van 27 maart 2025, en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van mrs. Vreeswijk en Posthuma. 2.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank bepaald dat zij op 14 mei 2025 vonnis zal wijzen. 3De feiten 3.1. [eiseres] en [gedaagden] zijn eigenaren van appartementen in een pand uit 1896 aan de [locatie] dat op 6 augustus 2004 is gesplitst. Zij zijn de enige twee leden van de bij splitsing opgerichte VvE. 3.2. [eiseres] bewoont het appartement op de begane grond. 3.3. [gedaagde 1] is een maatschap van [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4]. [gedaagden] verhuren het appartement op de eerste en tweede verdieping (hierna ook te noemen: het bovengelegen appartement). In het voorjaar 2024 is dit appartement een aantal maanden niet verhuurd en onbewoond gebleven. Vanaf juli 2024 is het appartement weer verhuurd en sindsdien wordt het bewoond door die nieuwe huurder. 3.4. Op 31 augustus 2024 heeft [eiseres] [gedaagden] in kort geding gedagvaard. In die dagvaarding stelt [eiseres] dat het bovengelegen appartement op dat moment onbewoond is. [eiseres] eiste dat [gedaagden] geluidsisolatie moesten aanbrengen (in de vorm van een geluidwerende (onder)vloer) en dat het appartement tot die tijd niet meer verhuurd mocht worden. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 25 september 2024 zijn de eisen van [eiseres] afgewezen. 3.5. In het appartement van [gedaagden] ligt een houten vloer met daaronder enige vorm van isolatie, die daarin is gelegd direct na splitsing van het pand door [naam], de toenmalige eigenaar van het bovengelegen appartement. [naam] heeft het bovengelegen appartement op 6 augustus 2004 geleverd gekregen. 3.6. In artikel F van de splitsingsakte van het pand aan de Povenierssingel zijn de bepalingen uit het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie 1992 (hierna: het modelreglement) van toepassing verklaard. In artikel 17 leden 1 en 5 van het modelreglement is bepaald: “1. Iedere eigenaar en gebruiker heeft het recht op uitsluitend gebruik van zijn privé gedeelte, mits hij aan de andere eigenaars en gebruikers geen onredelijke hinder toebrengt” “5. De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt op zodanige wijze dat naar het oordeel van het bestuur geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.” 4Het geschil 4.1. [eiseres] vordert, na wijziging van haar eis, om bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: I. voor recht te verklaren dat [gedaagden] onrechtmatig handelen tegenover [eiseres] door in strijd met de splitsingsakte en artikel 17 lid 5 van het modelreglement een harde vloer(afwerking) in het bovengelegen appartement te hebben; II. voor recht te verklaren dat [gedaagden] onrechtmatig handelen tegenover [eiseres] door een vloer(afwerking) in het bovengelegen appartement te hebben die geluidsoverlast oplevert; III. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van dit vonnis de houten vloer, zijnde een harde vloerafwerking, te verwijderen en verwijderd te houden uit het bovengelegen appartement, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven; IV. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen binnen twee maanden na betekening van dit vonnis een vloerbedekking neer te leggen met een zodanige samenstelling dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan, dit door een geluidwerende (onder)vloer aan te brengen zoals beschreven in randnummer 30 van de dagvaarding en bijgaande producties 15 en 16 (met een demping van 16 respectievelijk 13 dB), dan wel een vloer aan te brengen die ten minste Ico = +10 dB (aan demping) verbetert en met een LnTA kleiner of gelijk aan 49 (een contactgeluidsniveau in het ondergelegen appartement van niet hoger dan 49 dB), en [gedaagden] hoofdelijk te voordelen dat de door hen nieuw aangebrachte vloer voldoet aan de NEN 1070 norm K=2 (een contactgeluidsniveau in het ondergelegen appartement van niet hoger dan 49 dB), op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven; V. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om [eiseres] te informeren over de werkzaamheden wat betreft de materialen en de planning, en binnen een maand na uitvoering van de werkzaamheden gevorderd onder IV [eiseres] toe te staan om een herhaalde geluidsmeting te doen om vast te stellen of de vloer na die werkzaamheden voldoet aan de geluidsnorm zoals bedoeld onder IV, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat [gedaagden] hiermee in gebreke blijven; VI. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten. 4.2. [gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres] in haar vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad. 4.3. Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 5De beoordeling Geen overtreding van artikel 17 lid 5 het modelreglement 5.1. Partijen zijn het erover eens dat de vloer in het appartement van [gedaagden] een parketvloer is in de zin van artikel 17 lid 5 van het modelreglement. De eerste kernvraag is dan of artikel 17 lid 5 van het modelreglement een absoluut verbod tot het hebben van een houten (harde) vloer bevat, ongeacht of een partij die vloer zelf heeft gelegd. 5.2. Bij beoordeling van deze vraag wordt het volgende vooropgesteld. De tekst van de splitsingsakte en het bijbehorende modelreglement moeten naar objectieve maatstaven worden uitgelegd. Het betreft namelijk een goederenrechtelijke regeling, waardoor de uitleg hiervan mede de rechtspositie van derden (die niet betrokken zijn bij de totstandkoming ervan) beïnvloedt. De splitsingsakte en het bijbehorende modelreglement zijn ingeschreven in de openbare registers. Derden, onder wie mogelijke toekomstige kopers, moeten kunnen afgaan op de inhoud van akten die in de registers kunnen worden geraadpleegd. Daarom zijn de bewoordingen van de bepalingen uit de splitsingsakte en het bijbehorende modelreglement, gelezen in het licht van de gehele tekst daarvan en eventuele schriftelijke toelichtingen daarop, daarbij in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daardoor komt het in beginsel niet aan op de achterliggende bedoelingen van de partijen die de splitsingsakte tot stand hebben gebracht. 5.3. Een grammaticale uitleg van artikel 17 lid 5 van het modelreglement is dat daarin alleen is bepaald dat het aanbrengen van een houten vloer niet is toegestaan, tenzij het VvE-bestuur van oordeel is dat met die vloer geen onredelijke hinder wordt veroorzaakt. Deze bepaling betreft daarom geen absoluut verbod, omdat er een uitzondering mogelijk is (de tenzij-regel in artikel 17 lid 5 modelreglement). Daarnaast ziet het verbod op het aanbrengen, en niet op het hebben van een houten vloer. De jurisprudentie waarnaar [eiseres] in haar dagvaarding of tijdens de mondelinge behandeling verwijst is niet vergelijkbaar met haar zaak. In die gevallen is ofwel een vloer aangebracht door de gedaagde partij, of is sprake van een andersoortig verbod doordat
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.