RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/5320 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaken tussen [naam eiseres] , eiseres (gemachtigden: mr. S.C. Blonk en mr. N. Krüger), en [naam verweerder] , verweerder (gemachtigde: mr. I.C.M. Nijland). Inleiding 1. Bij besluit van 19 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 3 november 2023 waarbij aan eiseres een boete is opgelegd van € 525,- ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiseres beroep ingesteld. 1.1. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend. 1.2. De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. N. Krüger, vergezeld door [persoon A] , bestuurder bij eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Azdad en mr. I.C.M. Nijland. Ook is verschenen [persoon B] , werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Totstandkoming van het besluit 2. Eiseres is fabrikant van onder meer houten speelgoed. Deze zaak gaat over een set met een houten, niet-aangedreven speelgoedtrein, met diverse losse onderdelen. De trein bestaat uit één locomotief en drie wagons, die door middel van magneten met elkaar kunnen worden verbonden en is voorzien van illustraties in een prinsessenthema. Naast de trein zelf bevat de set ook twee stukken spoor en een stopblok, die gecombineerd kunnen worden met een uitbreidingsset. De set zal in het vervolg van deze uitspraak aangeduid worden als ‘het speelgoed’. 2.1. Op 9 februari 2023 heeft een toezichthouder van de NVWA twee stuks van het speelgoed aangeschaft en vervolgens ter onderzoek aangeboden aan het laboratorium. De bevindingen van het laboratorium zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 15 mei 2023 (het onderzoeksrapport). Naar aanleiding van het onderzoeksrapport heeft de toezichthouder zijn bevindingen neergelegd in een op 1 september 2023 opgemaakt rapport van bevindingen (het rapport). 3. Aan verweerders besluitvorming ligt ten grondslag dat het speelgoed blijkens het onderzoeksrapport niet voldoet aan de essentiële en bijzondere veiligheidseisen van artikel 10 en bijlage II van Richtlijn 2009/48 (de Richtlijn). Uit het onderzoeksrapport volgt dat bij de trekproef als bedoeld in paragraaf 5.1, onder b van de norm EN 71-1 bleek dat de gele schoorsteen loskwam bij een kracht van 87,34 N. Ook bleek bij de stootproef dat een stopblok op een railstuk klapte en daarna nog slechts met een lijmrand vastzat zodat het blok gemakkelijk en zonder krachtsinspanningen van de rail kon worden losgenomen. Omdat het speelgoed volgens verweerder aan de hand van het document CEN-ISO/TR 8124-8 “Age determination guidelines” geschikt is voor kinderen vanaf 18 maanden, is het speelgoed volgens verweerder onveilig. Nu zowel de schoorsteen als het stopblok in de cilinder voor kleine onderdelen paste bestond er namelijk een ernstig risico op gevaar voor verstikking (beboetbaar feit 1). Daarnaast is uit het onderzoeksrapport gebleken dat bij de trekproef als bedoeld in paragraaf 4.23.2 onder b van de norm EN 71-1 bleek dat een magneet van de locomotief loskwam bij een kracht van 75,06 Newton (N), de magnetische fluxindex van deze magneet 107,55 kG2mm2 bedroeg, terwijl deze kleiner dan 50 kG2mm2 moet zijn en dat de magneet geheel paste in de cilinder voor kleine onderdelen. Hierdoor voldoet het speelgoed niet aan de eisen die de norm EN 71-1 stelt aan speelgoed (bestemd voor alle leeftijden) met magneten. Indien meer dan één magneet, of een magneet en een voorwerp van ferromagnetisch materiaal worden ingeslikt, kunnen deze elkaar aantrekken door tussenliggende darmwanden heen en daarbij perforaties en blokkades veroorzaken, die ernstige verwondingen met fatale gevolgen kunnen opleveren (beboetbaar feit 2). 3.1. Op grond hiervan heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het speelgoed niet overeenkomstig de eisen in artikel 10 en bijlage II bij de Richtlijn heeft vervaardigd en daarmee in strijd heeft gehandeld met artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit, gelezen in samenhang met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en h. Vanwege de samenhang tussen beide feiten heeft verweerder voor beide overtredingen slechts eenmaal het standaard boetebedrag van € 525,- aan eiseres opgelegd. Beoordeling door de rechtbank Leeftijdsclassificatie 4. Eiseres voert aan dat verweerder de leeftijdsbepaling van het speelgoed volgens de norm CEN-ISO/TR 8124-8 onjuist heeft toegepast en ten onrechte tot de conclusie komt dat het speelgoed geschikt is voor kinderen jonger dan 36 maanden. Daartoe betoogt zij, kort samengevat weergegeven, dat wanneer de uiterlijke kenmerken van het speelgoed worden gekoppeld met de beschrijvingen in CEN-ISO/TR 8124-8, moet worden vastgesteld dat kinderen met een leeftijd van drie jaar en ouder zich aangetrokken zullen voelen tot de kleurrijke en gedetailleerde trein en ook de vereiste kennis en vaardigheden bezitten om het speelgoed op de rails te laten rijden, de trein aan elkaar te koppelen en de containers van de wagons te verwisselen. Ook andere marktdeelnemers hebben hun eigen vergelijkbare producten geclassificeerd als speelgoed voor de leeftijd van drie jaar en ouder. Eiseres meent dat het speelgoed in zijn kenmerken duidelijk afwijkt van speelgoedtreinen geschikt voor kinderen jonger dan drie jaar en juist veel gelijkenissen vertoont met speelgoedtreinen gericht op kinderen van drie jaar en ouder, zoals bijvoorbeeld de afbeelding weergegeven in Annex 7, onder no. 6 van het Guidance Document. Daarnaast betoogt eiseres dat het spelen met de trein, het verwisselen van de wagons en containers een nauwkeurige hand-oogcoördinatie en gevorderde fijne motoriek vereist, omdat de pinnen waarop de wagons bevestigd moeten worden klein, dun en kort zijn. Over deze vaardigheden beschikken kinderen van 18 tot 24 maanden nog niet. Eiseres meent dat het speelgoed dan ook valt onder subcategorie 4.17 van de CEN-ISO/TR 8124-8 en gericht is tot kinderen van drie jaar en ouder. Het speelgoed is immers ontworpen om op rails voort te bewegen en verschilt wat grootte en hoeveelheid details betreft van de door verweerder toegepaste subcategorie 4.08 van de CEN-ISO/TR 8124-8 en past veel beter bij de beschrijving van subcategorie 4.17. Verweerder heeft dan ook ten onrechte het veiligheidsvereiste in paragraaf 5.1 onder b van de norm EN 71-1 voor speelgoed van toepassing geacht. Nu het speelgoed voldoet aan de norm die geldt voor speelgoed voor de leeftijdscategorie van drie jaar en ouder, wordt voldaan aan de eisen uit de Richtlijn en is dus geen sprake van een overtreding, aldus eiseres. 4.1. De Richtlijn bepaalt in artikel 10, tweede lid, dat, voor zover speelgoed is bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden of voor andere nader omschreven leeftijdsgroepen, rekening wordt gehouden met de vaardigheden van de gebruikers en, in voorkomend geval, van degenen onder wier toezicht zij het speelgoed gebruiken. In Bijlage II, onderdeel 1, van de Richtlijn is onder meer bepaald dat de afmetingen van speelgoed en onderdelen daarvan zodanig moeten zijn dat zij geen enkel risico van verstikking opleveren door afsluiting van de luchtstroom als gevolg van obstructie door voorwerpen die in de mond of keelholte of bij de ingang van de lagere luchtwegen klem zitten. Speelgoed dat kennelijk bestemd is voor gebruik door kinderen jonger dan 36 maanden, alsook de onderdelen of afneembare delen daarvan, zijn groot genoeg om niet te kunnen worden ingeslikt of ingeademd. Deze leeftijdsindeling dient aldus vooraf te gaan aan de voorgeschreven veiligheidsbeoordeling, omdat die mede bepalend is voor de te verrichten veiligheidsbeoordeling. Deze bepalingen sluiten niet uit dat speelgoed zowel geschikt is voor kinderen tot 36 maanden als ook voor kinderen vanaf 36 maanden. Wel volgt daaruit dat, voor zover het speelgoed (mede) is bestemd voor kinderen jonger dan 36 maanden, gerichte (strengere) veiligheidseisen aan het speelgoed worden gesteld. 4.2. Hoewel het aan de fabrikant is om de leeftijdsclassificatie van een product vast te stellen en aan de hand daarvan zorg te dragen dat het speelgoed veilig is, laat dit onverlet dat controleambtenaren van de NVWA, gelet op artikel 25, eerste lid, aanhef en onder a, van de Warenwet in verbinding met de Aanwijzing toezichthoudende ambtenaren Voedsel en Waren Autoriteit, toezicht houden op de naleving van artikel 2, eerste lid, van het Warenwetbesluit, waarin is bepaald dat het verboden is speelgoed te vervaardigen of te verhandelen dat niet aan de voorschriften van dat besluit voldoet. 4.3. Toezichthouders van verweerder kunnen zich bij de vraag of de fabrikant tot een juiste leeftijdsclassificatie van het speelgoed is overgegaan mede baseren op documenten die geen algemeen verbindende voorschriften zijn, evenmin als de zogenoemde NEN-normen dat zijn. Dergelijke documenten kunnen bij de uitleg van wettelijke normen een handvat bieden (zie eerder ECLI:NL:RBROT:2018:8990). Dat geldt ook voor de door verweerder in deze zaak toegepaste Guidelines CEN-ISO/TR 8124-8, dat richtlijnen voor leeftijdsbepaling bevat, en het in Europees verband opgestelde Guidance document. 4.4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar het onderzoeksrapport niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het speelgoed geschikt is voor kinderen in de leeftijd van 18 maanden en ouder. In de Guidelines worden richtlijnen gegeven ter bepaling van de minimumleeftijd waarop kinderen met bepaalde soorten speelgoed gaan spelen. De Guidelines bevat de Annex A met tabellen die per speelgoed zijn gerubriceerd. Subcategorie 4.08 uit tabel A.4 verwijst naar de leeftijd “18 months +”. Hierin staat onder meer vermeld: “Simple vehicles miniatures, without mechanisms – cars, trains, motorcycles, trucks, aircrafts, boats and ships, and others”. Het speelgoed betreft een houten, niet-aangedreven speelgoedtrein, bestaande uit één locomotief en drie wagons, die door middel van magneten met elkaar verbonden zijn en met de hand voortbewogen kunnen worden op een houten rails. Ook kunnen de wagon-blokken handmatig op de wagons worden gestapeld. Gelet op deze eigenschappen van het speelgoed heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de trein een simpele uitvoering van een voertuig betreft en daarmee valt onder subcategorie 4.08 uit tabel A.4 van Annex A van de Guidelines. Ook heeft verweerder, onder verwijzing naar de paragrafen 3.4 tot en met 3.8 van de Guidelines, erop kunnen wijzen dat de basisvaardigheden om het speelgoed te kunnen voortbewegen, te ontkoppelen en te stapelen vanaf de leeftijd van 18 maanden aanwezig kunnen worden geacht. Zo wordt de vaardigheid om kleine speelgoedvoertuigen voort te duwen aanwezig geacht bij kinderen in de leeftijd vanaf 12 maanden en krijgen kinderen vanaf 18 maanden een meer verfijnde motoriek en een toegenomen grove motoriek en gebruiken kinderen van die leeftijd blokken om bouwwerken te creëren. Vanaf 24 maanden vertonen kinderen een nog verder verbeterde fijne en grove motoriek en hebben zij een grotere behendigheid en laten zij een groter vermogen zien om met hand- en vingerbewegingen een meer gecoördineerde grijpbeweging te maken. Gelet hierop slaagt het betoog van eiseres niet dat het speelgoed vanwege de uiterlijke kenmerken en de ontwikkelings- en gedragskenmerken (enkel) past bij een leeftijd van 36 maanden of ouder. In dat verband wijst verweerder er nog terecht op dat eventuele nadere motoriek, coördinatie en vaardigheden, zo zij al niet worden beheerst, kunnen worden ontwikkeld door het spelend leren, wat een elementair onderdeel is van spelen en speelgoed, zoals blijkt uit de in voormelde paragrafen genoemde termen van ‘exploration play’ en ‘trial and error’. 4.5. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het speelgoed vergelijkbaar is met het voertuig dat in de Annex 6, onder no. 3 van het Guidance document is opgenomen als speelgoed voor kinderen vanaf 18 maanden. Ook het daar afgebeelde voertuig bestaat uit aparte onderdelen, waarbij losse onderdelen op pinnen gevestigd zijn en worden de losse treinstellen met elkaar verbonden door middel van magneten. Voor zover eiseres er terecht op wijst dat haar speelgoed op een houten rail rijdt en het in de Annex weergegeven voertuig niet, biedt dat onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder van een onjuiste leeftijdsclassificatie is uitgegaan. In Annex 7, onder no. 3 wordt immers een vergelijkbare rails getoond waarbij wordt aangegeven dat deze geschikt is voor kinderen jonger dan drie jaar. 4.6. Het standpunt van eiseres dat het speelgoed een afzonderlijk onderdeel is van een veel grotere set (de ‘Fairy set’), en dat deze set beter past bij de als voor 3 jaar en ouder aangemerkte set van de afbeelding in Annex 7, onder no. 6, maakt dit niet anders. In dat verband heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het speelgoed los wordt verkocht en daarom als zodanig moet worden beoordeeld. Ook als onderdelen van de Fairy set (zoals verkeersborden of een brug) die set uitsluitend geschikt zouden maken voor kinderen van 3 jaar of ouder, laat dit onverlet dat het speelgoed zoals hier getest die onderdelen niet heeft en als zodanig wel geschikt is vanaf de leeftijd van 18 maanden. 4.7. Voor zover eiseres in beroep heeft gewezen op concurrerende producten, wijst verweerder er terecht op dat het hier gaat om (zoals ook blijkt uit de in het beroepschrift opgenomen foto’
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.