RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11407977 CV EXPL 24-28750 datum uitspraak: 28 maart 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Cornerhouse Investments B.V., vestigingsplaats: Rotterdam, eiseres, gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V., tegen [gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam] , vestigingsplaats: [plaats 1] , gedaagde, die zelf procedeert. De partijen worden hierna ‘Cornerhouse’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 11 november 2024, met bijlagen; de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord; de brief van Cornerhouse van 13 februari 2025 met bijlage; 1.
- Op 25 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: de heer [persoon A] , directeur en indirect bestuurder van Cornerhouse samen met de heer [persoon B] (werknemer van Cornerhouse), bijgestaan door hun gemachtigde M. Spruit. Verder was aanwezig de heer [gedaagde] . 2De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.
- [gedaagde] huurt van Cornerhouse een bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 2] . [gedaagde] heeft een huurachterstand laten ontstaan. Cornerhouse eist daarom in deze procedure dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bedrijfsruimte te ontruimen. Verder eist Cornerhouse dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan haar de huurachterstand met rente en kosten te betalen. Tot slot vordert zij de volgens haar verschuldigd geworden contractuele boete. 2.
- [gedaagde] bevestigt dat er sprake is van een huurachterstand. Wel is hij van mening dat de contractuele boete onredelijk hoog is. [gedaagde] moet een huurachterstand van € 9.799,75 betalen 2.
- [gedaagde] wordt veroordeeld om € 9.799,75 aan Cornerhouse te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand februari 2025 zit hier dus bij. De huurovereenkomst wordt ontbonden 2.
- De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is in geval van een bedrijfsruimte meestal zo bij een achterstand van meer dan twee maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat er sprake is van een huurachterstand van ruim zes maanden en dat ook de lopende huur niet wordt betaald door [gedaagde] . [gedaagde] moet de bedrijfsruimte ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen 2.
- Omdat de huurovereenkomst wordt ontbonden, moet [gedaagde] de bedrijfsruimte met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 1.542,75 per maand betalen (artikel 7:225 BW). Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur. Contractuele boete 2.
- Cornerhouse vordert een bedrag van € 10.800,- aan contractuele boete. Deze boete volgt uit artikel 23.2 van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn verklaard op de huurovereenkomst. Daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, met een minimum van € 300,- voor iedere maand dat de huur niet op tijd wordt betaald. De gevorderde boete zal slechts voor een gedeelte worden toegewezen. Hieronder zal worden uitgelegd waarom. 2.
- Cornerhouse wil dat [gedaagde] de boete iedere maand opnieuw moet betalen totdat de gemiste maand is betaald. Een dergelijke boete leidt al snel tot een zodanig hoog boetebedrag dat daarmee de huurachterstand wordt overstegen. Dat is ook in dit geval aan de orde. Verder is van belang dat het Cornerhouse als verhuurder is die de algemene voorwaarden op de verhouding van [gedaagde] van toepassing heeft willen verklaren en dat niet is gesteld of gebleken dat partijen over de algemene bepalingen – met name over de daarin opgenomen boetebepalingen- hebben onderhandeld. Tot slot is onweersproken dat [gedaagde] als kleine ondernemer heeft te gelden. Bovenstaande leidt tot het oordeel dat de voor [gedaagde] gunstige uitleg van het boetebeding moet prevaleren. 2.
- De kantonrechterechter wijst een boete toe van € 2.700,-. Dit bedrag wordt berekend als volgt. [gedaagde] is een boete van € 300,- verschuldigd voor iedere maand dat de huur te laat is betaald. Nu [gedaagde] de huur negen maanden te laat heeft betaald, is hij een boete van € 2.700,- verschuldigd geworden. Het restant van de gevorderde boete wordt afgewezen. [gedaagde] moet € 613,55 incassokosten betalen 2.
- De incassokosten van € 613,55 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). [gedaagde] moet rente betalen 2.
- De rente wordt toegewezen, omdat Cornerhouse genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Omdat hiervoor een deel van de gevorderde boete is afgewezen, zal [gedaagde] alleen rente verschuldigd zijn over het toegewezen bedrag aan huurachterstand en boete. [gedaagde] moet de proceskosten betalen 2.
- De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Cornerhouse moet betalen op € 115,12 aan dagvaardingskosten, € 1.409,- aan griffierecht, € 812,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 406,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.471,
- Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
- Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Cornerhouse dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- veroordeelt [gedaagde] om aan Cornerhouse te betalen € 13.113,30 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf mei 2024 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald; 3.
- ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de bedrijfsruimte aan [adres] te [plaats 1] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Cornerhouse te stellen; 3.
- veroordeelt [gedaagde] om vanaf maart 2025 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan Cornerhouse te betalen € 1.542,75 per maand met de verhoging die is toegestaan; 3.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Cornerhouse worden begroot op € 2.471,12; 3.
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
- wijst al het andere af. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken. 64362 Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 februari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:993, r.o. 6.6 & 6.7