← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:6929

RECHTBANK ROTTERDAM Bestuursrecht zaaknummer: ROT 24/6317 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2025 in de zaak tussen [naam eiser] , uit [plaats] , eiser (gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik), en [verweerder] , verweerder (gemachtigde: mr. M.F. Sturmans). Samenvatting 1.

  1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een bestuurlijke boete op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Eiser is het niet eens met de opgelegde boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan eiser opgelegde boete. 1.
  2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder eiser op de juiste gronden een boete van € 720,- heeft opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.
  3. Met het besluit van 21 juli 2023 (primaire besluit) heeft verweerder eiser op grond van de Anw een boete opgelegd van € 720,-. 2.
  4. Met het bestreden besluit van 14 mei 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven. 2.
  5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.
  6. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Totstandkoming van het bestreden besluit
  7. Eiser ontving met ingang van 1 april 2022 een Anw-uitkering. Met het besluit van 17 oktober 2022 is de Anw-uitkering met ingang van 1 mei 2022 beëindigd, omdat is gebleken dat eiser op 25 april 2022 is getrouwd in Marokko. Met het primaire besluit is aan eiser een boete opgelegd van € 720,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
  8. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, omdat hij zijn huwelijk niet tijdig aan verweerder heeft doorgegeven. Verweerder is hier pas van op de hoogte geraakt, nadat hij hierover op 12 oktober 2022 een melding van de gemeente heeft ontvangen. Bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde boete is verweerder uitgegaan van een normale verwijtbaarheid en is tevens rekening gehouden met eisers draagkracht. Beoordeling door de rechtbank
  9. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
  10. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden, omdat hij zijn huwelijk aan de gemeente heeft doorgegeven en hij niet wist dat hij het ook bij verweerder moest melden. Subsidiair stelt eiser dat verweerder op grond van artikel 5:46 van de Awb de boete had kunnen verlagen of zelfs van de boete had kunnen afzien gezien de feiten en omstandigheden, omdat eiser geheel uit eigen beweging naar voren heeft gebracht dat hij is getrouwd in het buitenland. Verder heeft verweerder volgens eiser geen nadeel als er geen boete opgelegd wordt, nu verweerder het te veel uitgekeerde bedrag aan Anw-uitkering al terugvordert. Tot slot stelt eiser meer subsidiair dat ervan moet worden uitgegaan dat er sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat hij het huwelijk uit eigen beweging heeft gemeld bij een overheidsinstantie, echter bij de verkeerde instantie. Eiser had geen kwade bedoelingen. Eiser meent dat een aflossingsperiode van zes maanden gehanteerd zou moeten worden, waarmee de boete zou uitkomen op € 360,-.
  11. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 februari 2025, waarbij de uitspraak van deze rechtbank van 23 april 2024 is bevestigd, in rechte vaststaat dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door zijn huwelijk niet onverwijld aan verweerder te melden en dat hem als gevolg daarvan ten onrechte een nabestaandenuitkering is uitgekeerd.
  12. Omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, was verweerder op grond van artikel 39, eerste lid, van de Anw in beginsel gehouden hem een bestuurlijke boete op te leggen. De rechtbank ziet geen grond om aan te nemen dat eiser verminderd verwijtbaar is. Verweerder is, in tegenstelling tot wat eiser beweert, pas op 12 oktober 2022 door een melding van de gemeente op de hoogte geraakt van het huwelijk. Dat eiser wel melding van zijn huwelijk bij de gemeente heeft gedaan is niet voldoende. Eiser had deze wijziging zelf tijdig aan verweerder moeten doorgeven zoals in artikel 35, eerste lid, van de Anw is bepaald. Verweerder heeft geen toegang tot de administratie van de gemeente en heeft de wijziging dus niet via deze weg kunnen vernemen.
  13. Niet gebleken is dat er sprake is van dringende redenen om af te zien van het opleggen van de boete of van bijzondere omstandigheden om de boete te verlagen. Wat eiser heeft aangevoerd laat zich niet als zodanig kwalificeren. In dit kader wordt opgemerkt dat de boete is verlaagd tot het bedrag dat eiser binnen 12 maanden kan betalen. Bij het bepalen van de hoogte van de boete heeft verweerder rekening gehouden met eisers aflossingscapaciteit. Eiser heeft niet bestreden dat hij, gelet op zijn draagkracht, de boete niet binnen twaalf maanden kan betalen. Conclusie en gevolgen
  14. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. T.T. Nguyen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 juni
  15. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 5:46
  16. De wet bepaalt de bestuurlijke boete die wegens een bepaalde overtreding ten hoogste kan worden opgelegd.
  17. Tenzij de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, stemt het bestuursorgaan de bestuurlijke boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Het bestuursorgaan houdt daarbij zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
  18. Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
  19. Artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. Algemene nabestaandenwet Artikel 35, eerste lid De nabestaande, het ouderloos kind en zijn wettelijke vertegenwoordiger alsmede de instelling aan welke ingevolge artikel 49 of 57 de uitkering wordt uitbetaald, zijn verplicht aan de Sociale verzekeringsbank op haar verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen, waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering of op het bedrag van de uitkering, dat wordt uitbetaald. De verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door de Sociale verzekeringsbank kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is. Artikel 39, eerste lid De Sociale verzekeringsbank legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de nabestaande, het ouderloos kind, of zijn wettelijke vertegenwoordiger van de verplichting, bedoeld in artikel
  20. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in artikel 35, niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld en deze overtreding niet opzettelijk is begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 39, zevende lid De Sociale verzekeringsbank kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Boetebesluit socialezekerheidswetten Artikel 2a
  21. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
  22. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid: a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting; d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid. ECLI:NL:CRVB:2025:
  23. Zaaknummer ROT 23/2662.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.