vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/681689 / HA ZA 24-571 Vonnis van 11 juni 2025 in de zaak van de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid
(3)We are having doubts whether we can make this deal work as a share deal, as this adds a layer of complexity and extra handling on our side. This is still under consideration. - As discussed earlier, in regard with the higher-than-expected capex and the earlier mentioned fiscal aspects, this is a very important part for us. Our general impression is that the draft does not meet customary market practice terms and conditions for combined real estate/share deals. For this reason, the draft requires serious markup to meet customary market practice standards and to be more in balance from seller’s and buyer’s interest point of view, as it is currently in favour of buyer’s interests. If we were proceed with a share deal, without being exhaustive, amongst others the following stipulations should apply: a. It will have to remain a share deal. We will not agree with buyer being able to switch back to an asset deal. – This is agreed b. The warranties and liabilities of seller would have to be brought (
- i)more in balance and (
- ii)in line with market practice, dovetailing as much as possible with an “as-is’ asset deal. The set of warranties should be structured in a clear way and be limited. Consequences of a breach of warranties are not clear, the scope of ‘damages’ are too broad. The de minimis amount and the threshold amount should meet market practice amounts (0.1% and 1% of the purchase price respectively). We don’t see customary maximum liability for the Seller. The draft should include customary exclusions and limitations of liability of Seller. The term/period of the warranties are too long and there are no distinctions made between the different categories of warranties, each of them with their own warranty period. Customary anti sandbagging clauses are missing. The third-party claim procedure should be redrafted to be more in balance. All information provided by the seller in relation to the due diligence of the buyer should be excluded from the warranties (data room disclosure). - Please make any preferred adjustments to the warranties and liabilities in the attached Word file, and we can review them. c. The purchase price mechanism should refer to a net asset value, whereby the final purchase prices will be settled via a closing accounts mechanism. - This is agreed and can be adjusted in the Word file if needed. 6. We are not okay with buyer being able to transfer its rights under the SPA. - After signing of the SPA we will set up SPV’s tot structure the deal, which is customary as we don’t want to include the asset in our operating company. Furthermore we are looking for one minority stakeholder as each entity can’t hold more then 33% of the shares due to the RETT. We can, however, add an additional provision stating that at least the majority of the rights remain in the hands of an affiliated company of the aforementioned buyers ([eiser 1]/[eiser 2]). Can you let me know this Wednesday at the latest, if you can agree on the abovementioned points? If so, can you then also provide us with a Word version of the SPA so we can do a mark-up? The summary of issues in this mail is not exhaustive and during mark-up other issues will pop-up, but we need to know if you can agree on the above. Otherwise, I don’t see this deal working out.” 2.13. [gedaagden] hebben op 14 mei 2024 medegedeeld niet akkoord te gaan met verlenging van de termijn van exclusiviteit tot na 15 mei 2024 en dat zij zich intern zullen beraden op de reactie van [eisers] 2.14. Op 23 mei 2024 heeft [naam] telefonisch laten weten dat er geen overeenstemming was en dat de verkoop niet door zou gaan. Een dag later heeft hij dat per e-mail bevestigd: “To confirm my call last night: we do not wish to continue our hitherto-fore unsatisfactory negotiations with [eiser 1] regarding [adres], and we have taken the decision to not sign an SPA with you. We thank you and the team at [eiser 1] for your interest in the property and we regret that, on this occasion, an agreement will not be concluded. 2.15. In een e-mail van 4 juni 2024 heeft [eiser 1] medegedeeld dat zij zich op het standpunt stellen dat er een koopovereenkomst tot stand is gekomen. 2.16. [eiser 1] heeft ten laste van [gedaagde 2] conservatoir leveringsbeslag laten leggen op het bedrijfspand. [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4] hebben ten laste van [gedaagde 1] conservatoir leveringsbeslag laten leggen op de aandelen van [gedaagde 1] in [gedaagde 2]. 2.17. [gedaagden] zijn een opheffingskortgeding gestart, waarin op 18 september 2024 vonnis is gewezen. De voorzieningenrechter heeft de conservatoire beslagen op de aandelen en op het bedrijfspand opgeheven in verband met de summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van de aan de beslagen ten grondslag liggende vorderingen van [eisers] 2.18. Op 24 september 2024 is in het Kadaster ingeschreven de koopovereenkomst van 20 september 2024 waarbij [gedaagde 2] het bedrijfspand voor € 5.250.000,00 heeft verkocht aan een derde. Op 15 januari 2025 is het bedrijfspand aan die derde geleverd. 3Het geschil 3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen, na wijziging van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Primair: I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot het vergoeden aan [eisers] van alle schade die [eisers] hebben geleden als gevolg van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door [gedaagden], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, Subsidiair: II. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eisers] van € 250.000,00 te verhogen met de daarover verschuldigde wettelijke handelsrente, te rekenen vanaf 15 januari 2025 tot de dag van betaling. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen verder een hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de proceskosten. 3.2. [gedaagden] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van de vorderingen van [eisers], met hoofdelijke veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [eisers] in de proceskosten. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan. 4De beoordeling Procedureel Eiswijziging 4.1. Bij dagvaarding werd door [eisers] – kortgezegd – nakoming van de gestelde koopovereenkomst gevorderd, met een veroordeling tot (primair) levering van de aandelen van [gedaagde 1] in [gedaagde 2] dan wel (subsidiair) het bedrijfspand. In verband met de verkoop en levering van het bedrijfspand aan een derde (zie 2.18) hebben [eisers] hun eis gewijzigd. Op het moment van de eiswijziging was nog geen datum voor vonnis bepaald, zodat deze in beginsel toelaatbaar is (artikel 130 Rv). [gedaagden] hebben te kennen gegeven dat zij ondanks de late indiening geen bezwaar hebben tegen de schriftelijke eiswijziging. [eisers] hebben ter zitting verduidelijkt dat de nieuwe eis moet worden gelezen als ingesteld door [eiser 1] en [eiser 2] en als een vermindering tot nihil, ofwel intrekking van de vorderingen van [eiser 3] en [eiser 4]. Dit betekent dat de rechtbank zal beslissen op de gewijzigde eis, zoals die in 3.1 staat vermeld. Grondslagwijziging 4.2. Eerst in hun spreekaantekeningen tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiser 1] en [eiser 2] aan hun eis ten grondslag gelegd dat [gedaagden] onrechtmatig hebben gehandeld door het afbreken van onderhandelingen toen dat volgens [eiser 1] en [eiser 2] niet meer mocht. Van [eiser 1] en [eiser 2] had verwacht mogen worden dat zij die nieuwe grondslag tijdig zouden aankondigen zodat [gedaagden] daarop adequaat konden reageren. Dat hebben zij niet gedaan en dat maakt de nieuwe grondslag uit oogpunt van de goede procesorde ontoelaatbaar. Inhoudelijk: wel of geen koopovereenkomst 4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat op het moment dat [naam] schreef “we have a deal” (zie 2.6) niet op alle onderdelen waarover partijen onderhandelden, overeenstemming was bereikt. [eiser 1] en [eiser 2] menen echter dat de mededeling van [naam] niettemin bindend is en dat op dat moment een overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagden] betwisten dat en voeren aan dat op essentiële onderdelen nog geen overeenstemming is bereikt. 4.4. Het antwoord op de vraag of ten aanzien van een overeenkomst, bij de totstandkoming waarvan een aantal onderling samenhangende verbintenissen moet worden geregeld, overeenstemming omtrent een of meer onderdelen een overeenkomst doet ontstaan zolang omtrent andere onderdelen nog geen overeenstemming bestaat, is afhankelijk van de bedoeling van partijen zoals deze op grond van de betekenis van hetgeen wel en niet geregeld is, van het al dan niet bestaan van het voornemen tot verder onderhandelen en van de verdere omstandigheden van het geval moet worden aangenomen (ECLI:NL:HR:2003:AF9414 (Regiopolitie/Hovax)). 4.5. Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of partijen het eens waren over de essentialia zoals bedoeld in deze maatstaf. In dat licht kan de mededeling ‘we have a deal’, niet zonder meer worden beschouwd als definitieve overeenstemming die slechts nog schriftelijke vastlegging behoefde, zoals [eiser 1] en [eiser 2] betogen. Weliswaar waren partijen op het moment van die mail het er over eens dat een transactie gericht op overdracht van het bedrijfspand op initiatief van [eiser 1] in beginsel zou worden vormgegeven door een aandelenoverdracht en dat de koopprijs € 5.000.000,00 zou bedragen, maar [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet onderbouwd gesteld dat daarmee op dat moment aan alle essentialia was voldaan. [gedaagden] hebben onderbouwd betoogd dat over voor hen essentiële onderdelen nog geen overeenstemming bestond. Ten eerste schrijft [naam] in de bewuste e-mail dat een deal interne goedkeuring behoeft en die goedkeuring is er niet gekomen. Verder hebben [gedaagden] onder meer het belang van fiscale aspecten waarover nog onduidelijkheid was helder gemaakt en als niet-onderhandelbare voorwaarde gesteld (zie 2.12) dat kopers zekerheid dienden te verstrekken die [gedaagden] voldoende comfort zou bieden. Op die punten liep het spaak. De rechtbank acht het begrijpelijk dat [gedaagden] substantiële zekerheid verlangden bij levering op de langere termijn en dat de aangeboden zekerheid onvoldoende werd geacht. Daarbij komt dat [eisers] kennelijk wegens fiscale voordelen aan hun zijde, de transactie wilden doen met vier kopers, maar dit bij de aan [gedaagden] toegezonden conceptovereenkomst nog niet kenbaar hadden gemaakt, terwijl voor verkopers ook van belang was te weten wie de kopers zijn om te kunnen beoordelen of zij met een gegoede partij zaken doen en of zij daarbij geen onnodige (financiële en/of reputatie-) risico’s lopen. Weliswaar staat in de LOI dat koop kan plaatsvinden door een nader te noemen meester, maar dat betekent niet dat zonder meer iedere willekeurige partij als wederpartij moet worden geaccepteerd (zie ook 3:67 BW). Over al deze (samenhangende) essentialia was op 10 april 2024 geen overeenstemming bereikt. 4.6. Daarbij komt dat de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] dat op 10 april 2024 bindende overeenstemming is bereikt niet verenigbaar is met de door [eiser 1] voor zichzelf (en [eiser 2]) als koper(
- s)in artikel 3 van de LOI bedongen voorwaarden voor binding aan een overeenkomst. Daaruit volgt dat sprake moet zijn van (
- i)definitieve overeenstemming, (
- ii)een door koper op te stellen overeenkomst en (iii) goedkeuring door de investeringscommissie. Dat stadium was op het moment van de mail van [naam] (en is ook daarna) niet bereikt. Dat de investeringscommissie kennelijk bestaat uit de heren [eiser 4] en [eiser 3], die kopers vertegenwoordigen, maakt dat niet anders. 4.7. De conclusie is dat geen koopovereenkomst tot stand is gekomen. Dit betekent dat de vorderingen worden afgewezen wegens gebrek aan grondslag. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat die beslissing naar het zich laat aanzien niet anders zou zijn in geval van gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiser 1] en [eiser 2] dat die overeenkomst tot stand zou komen. Een vordering op die grondslag is immers niet verenigbaar met artikel 9 van de LOI, waarin partijen in de kern uitsluiting van eventuele aanspraken op schadevergoeding in de precontractuele fase zijn overeengekomen. Proceskosten 4.8. [eisers] worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden – op basis van het liquidatietarief dat past bij de door [eisers] genoemde bedragen waartegen [gedaagden] verweer hebben gevoerd – begroot op: Griffierecht € 688,00 Advocaatkosten € 8.714,00 (2 punten × tarief VIII van € 4.357,00) Nakosten € 178,00 (plus de in de beslissing vermelde verhoging) Totaal € 9.580,00 4.9. De rechtbank acht deze proceskostenveroordeling ook in het licht van het beroep van [gedaagden] op schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door [eisers] passend. Weliswaar hebben [eisers] bij dagvaarding aanvankelijk niet de juiste versie van de concept koopovereenkomst overgelegd, maar niet gebleken is van moedwilligheid daarbij en uiteindelijk is het debat tussen partijen voldoende gevoerd op basis van de feitelijke situatie, zonder dat dat tot vertraging of andere benadeling heeft geleid. Daarbij komt dat de eiswijziging al heeft geleid tot een hoger tarief, terwijl die wijziging slechts geringe invloed heeft gehad op het inhoudelijke verweer van [gedaagden] Voor veroordeling van [eisers] tot vergoeding van een hoger bedrag aan proceskosten dan in overeenstemming met het liquidatietarief bestaat geen grond. 4.10. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat de daartoe strekkende vordering een wettelijke grondslag heeft en niet is bestreden. 5De beslissing De rechtbank 5.1. wijst de vorderingen af; 5.2. veroordeelt [eisers] hoofdelijk, zo dat als de een betaalt ook de ander in zoverre zal zijn bevrijd, in de proceskosten van [gedaagden], tot op heden begroot op € 9.580,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend; 5.3. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Arts, mr. C. Bouwman en mr. M.J. Drop en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025. 3268/3028/1729/3455