← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:7427

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11248699 CV EXPL 24-19380 datum uitspraak: 28 maart 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van 1 [eiser sub 1] ,

  1. [eiser sub 2], woonplaats: [plaats] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, gemachtigde: mr. E.J. Eijsberg, tegen [gedaagde] , die handelt onder de naam [gedaagde], vestigingsplaats: [plaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, gemachtigde: S. van Dijk. De partijen worden hierna ‘ [eiser sub 1] ’, ‘ [eiser sub 2] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1De procedure 1.
  2. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 29 juli 2024, met bijlagen; het antwoord met een eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen; het antwoord in reconventie, met een vermeerdering van de eis in conventie, met bijlagen; de mail namens [eiser sub 1] en [eiser sub 2] van 24 februari 2025, met een vermeerdering van de eis in conventie, met een bijlage; bijlagen 15 tot en met 17 die de gemachtigde van [gedaagde] tijdens de zitting heeft overhandigd. 1.
  3. Op 26 februari 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een zitting met de partijen besproken. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] waren aanwezig met hun gemachtigde. Namens [gedaagde] zijn [persoon A] (enig bestuurder en aandeelhouder) en de gemachtigde verschenen. 2De beoordeling Wat is de kern? 2.
  4. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een keuken gekocht bij [gedaagde] en zijn overeengekomen dat [gedaagde] die bij hen zou plaatsen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben daarvoor € 215.640,- betaald. Zij hebben deze koop- en aannemingsovereenkomst later ontbonden, omdat volgens hen [gedaagde] te lang deed over het afronden van de keuken en ook steken liet vallen bij het afmonteren van de keuken. Zij eisen dat de kantonrechter voor recht verklaart dat zij dit terecht hebben gedaan. Ze vragen de kantonrechter verder om [gedaagde] te veroordelen om aan hen uiteindelijk een schadevergoeding van € 49.750,66 te betalen, met rente en proceskosten. 2.
  5. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij stelt dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden. Volgens haar hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook geen recht op een schadevergoeding, omdat [gedaagde] niet in verzuim verkeerde en de schade onvoldoende is onderbouwd. [gedaagde] stelt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] juist nog € 19.166,79 aan haar moet betalen, voor meerwerk. Zij eist dat de kantonrechter hen veroordeelt om dat bedrag aan haar te betalen, met rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. 2.
  6. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn het niet eens met de tegeneis. Zij voeren aan dat zij als meerwerk wel een spiegel hebben aangeschaft voor € 1.180,
  7. Zij betwisten dat zij verder opdracht hebben gegeven voor meerwerk, of in ieder geval geen meerwerk waarvoor zij ook moeten betalen. De kosten voor de spiegel hebben zij al verrekend met het bedrag dat zij in conventie eisen. Daarom vinden zij dat de hele eis van [gedaagde] moet worden afgewezen. 2.
  8. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] om € 30.679,56 te betalen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . De tegeneis wordt afgewezen. In dit vonnis legt de kantonrechter dit oordeel uit. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden 2.
  9. In een brief aan [gedaagde] van 10 juni 2024 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de overeenkomst ontbonden. Tijdens de zitting heeft hun gemachtigde toegelicht dat zij de overeenkomst daarmee gedeeltelijk hebben willen ontbinden, namelijk alleen voor het deel dat toen nog niet was uitgevoerd. Door [gedaagde] is niet betwist dat die ontbinding zo begrepen moet worden. Daarom gaat de kantonrechter daar ook vanuit. Zij oordeelt dat die gedeeltelijke ontbinding rechtsgeldig is, omdat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en [gedaagde] op het moment van de ontbinding in verzuim verkeerde (artikel 6:265 BW). De verklaring voor recht wordt dus toegewezen. Hierna licht zij dat verder toe. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst 2.
  10. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in de dagvaarding gesteld dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Het gaat er enerzijds om dat er kleurverschil zit in de fronten van de keukenkasten. Anderzijds gaat het erom dat de installatie op 12 september 2023 was begonnen, maar in januari 2024 nog niet was afgerond, terwijl de partijen hadden afgesproken dat de keuken al eerder klaar zou zijn. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verwezen naar een mail die [eiser sub 2] op 12 januari 2024 naar [gedaagde] heeft gestuurd, waarin de onafgeronde punten zijn opgesomd. 2.
  11. [gedaagde] heeft deze stellingen niet betwist, niet in de processtukken en evenmin in de correspondentie die bij de processtukken is gevoegd. Daarom staat vast dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. [gedaagde] verkeerde in verzuim 2.
  12. [gedaagde] heeft er in haar verweer vooral aandacht aan besteed dat zij niet in verzuim zou verkeren. Dat verweer volgt de kantonrechter niet. Zij oordeelt namelijk dat [gedaagde] in een schriftelijke aanmaning in gebreke is gesteld, waarin haar ook een redelijke termijn voor nakoming is gegeven en dat de nakoming in die termijn is uitgebleven (artikel 6:82 BW). Dat werkt zij hierna uit. 2.
  13. De schriftelijke aanmaning betreft de mail van 12 januari
  14. In die mail schrijft [eiser sub 2] al in de inleiding “Met deze brief stellen wij je in gebreke …”. Vervolgens zijn in die mail de gebreken opgesomd. Na die opsomming herhaalt [eiser sub 2] onder het kopje ‘ingebrekestelling’ dat zij en [eiser sub 1] [gedaagde] hierbij formeel in gebreke stellen. 2.
  15. [eiser sub 2] heeft in de mail van 12 januari 2024 ook een duidelijke termijn gegeven om de genoemde gebreken alsnog op te lossen. Ze schrijft namelijk onder andere: “De bovengenoemde installatie werkzaamheden kunnen worden afgerond, daar dit niet iets te maken heeft met het niet conforme spuitwerk van de deuren/fronten. De benodigde onderdelen zijn allen aanwezig. We verwachten dat je dit zult af ronden voor 24-1-2024.” Ook voor andere tekortkomingen zijn soortgelijke termijnen opgenomen. [gedaagde] betwist dat [eiser sub 2] haar een duidelijke termijn heeft gegeven. Zij lijkt dat standpunt te baseren op de omstandigheid dat de termijn is opgenomen onder het kopje ‘schikkingsvoorstel’. Dat vindt de kantonrechter niet doorslaggevend. Uit de hele mail blijkt namelijk voldoende dat [eiser sub 2] [gedaagde] een laatste kans geeft om de overeenkomst alsnog na te komen. 2.
  16. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gesteld dat de termijn van 12 dagen ook redelijk is voor het afronden van de werkzaamheden. Zij hebben er daarbij op gewezen dat volgens [gedaagde] voor de gehele klus normaal gesproken vier weken wordt uitgetrokken en dat alle benodigde spullen al in het appartement aanwezig waren. [gedaagde] heeft weliswaar betwist dat dit een redelijke termijn is, maar dat heeft zij niet onderbouwd. Zij heeft niet concreet gemaakt waarom dat onhaalbaar is en wat volgens haar dan wel redelijk is. 2.
  17. Het staat vast dat [gedaagde] de keuken niet binnen die 12 dagen heeft afgerond. Zij is daarom op 24 januari 2024 in verzuim komen te verkeren. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verkeerden niet in schuldeisersverzuim 2.
  18. [gedaagde] heeft gesteld dat zij op 24 januari 2024 niet in verzuim kon geraken, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zelf in schuldeisersverzuim verkeerden (artikel 6:61 BW). Zij heeft daarbij gewezen op een mail die zij op 20 december 2023 heeft gestuurd. Volgens haar heeft zij in die mail aangeboden om de overeenkomst na te komen op korte termijn, maar zijn [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zelf niet op dit aanbod ingegaan. Dit verweer slaagt niet. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk tijdens de zitting aangevoerd dat zij de mail zo hebben begrepen dat [gedaagde] alleen de overeenkomst wilde nakomen als eerst de bij die mail gevoegde meerwerkfactuur zou zijn betaald. [gedaagde] heeft niet aangevoerd dat die mail anders moet worden gelezen. Zoals verder uit dit vonnis zal volgen hoeven [eiser sub 1] en [eiser sub 2] deze meerwerkfactuur niet te betalen. Omdat [gedaagde] deze ongegronde voorwaarde heeft verbonden aan de nakoming, kan niet worden gezegd dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de nakoming van de overeenkomst hebben verhinderd. Zij verkeerden dus niet in schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW). De tekortkoming rechtvaardigt gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst 2.
  19. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gesteld dat de tekortkoming een goede reden vormt voor ontbinding van de overeenkomst. [gedaagde] heeft niet gesteld dat de tekortkoming van onvoldoende gewicht is. De kantonrechter ziet daarom geen reden om anders te oordelen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] wachtten al lang op de afronding van de keuken. Het is begrijpelijk dat zij ervoor hebben gekozen om de overeenkomst voor het resterende deel te ontbinden, zodat zij de keuken (sneller) door een andere partij kunnen laten afronden. [gedaagde] moet een schadevergoeding van € 28.607,77 betalen voor het afronden van de keuken 2.
  20. [gedaagde] moet de schade vergoeden die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] lijden doordat de overeenkomst is ontbonden (artikel 6:277 BW). De kantonrechter wijst hiervoor een schadevergoeding van € 28.607,77 toe. Dat bedrag is als volgt opgebouwd. 2.
  21. In de dagvaarding hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] gesteld dat het afronden van de keuken € 27.027,77 kost. Ze hebben als onderbouwing verwezen naar een offerte die zij hebben laten uitbrengen door [bedrijf 1] . In de offerte is gespecificeerd welke werkzaamheden nog moeten plaatsvinden en wat de kosten daarvan zijn. [gedaagde] heeft daar geen verweer tegen gevoerd. Dit bedrag wordt daarom toegewezen. 2.
  22. Later hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun eis op dit punt vermeerderd met € 15.257,
  23. Als onderbouwing hebben zij gesteld dat het nodig blijkt dat alle fronten van de kastjes worden vervangen. Zij hebben daarvoor verwezen naar een mail van [bedrijf 2] , die daarvoor (ongespecificeerd) een bedrag van € 42.285,- noemt. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen (de hoogte van) deze eisvermeerdering. Zij heeft er terecht op gewezen dat [bedrijf 1] in haar offerte ook al is uitgegaan van het vervangen van alle fronten. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben vervolgens niet verder onderbouwd waarom de kosten van het vervangen nu opeens € 15.257,23 hoger zouden zijn. Dit deel van de geëiste schadevergoeding wordt daarom afgewezen. 2.
  24. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben tijdens de zitting wel benoemd dat zij de fronten graag willen laten vervangen door een [bedrijf 3] leverancier, omdat anders de [bedrijf 3] garantie vervalt. Voor zover zij dat hebben bedoeld als een onderbouwing van de eisvermeerdering slaagt dit betoog niet. [gedaagde] heeft gesteld dat nooit is overeengekomen dat de [bedrijf 3] garantie zou gelden. Zij heeft erop gewezen dat in de offerte staat dat er sprake is van vijf jaar garantie, maar dat dit de garantie vanuit [gedaagde] betreft. Vervolgens hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet verder onderbouwd waaruit blijkt dat de partijen hebben afgesproken dat [bedrijf 3] garantie zou gelden. Als [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de fronten willen laten vervangen door [bedrijf 3] , dan staat dat hen uiteraard vrij. De (hogere) kosten hiervan zijn dan echter niet het gevolg van de ontbinding van de overeenkomst met [gedaagde] , zodat die voor hun eigen rekening blijven. 2.
  25. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verder gesteld dat de kosten van het afmonteren van de vaatwasser en de waterbase € 1.580,- bedragen. [gedaagde] heeft niet betwist dat deze onderdelen nog afgemonteerd moesten worden en heeft de hoogte van het bedrag ook niet betwist. Dit deel van de eis wordt daarom toegewezen. De schadevergoeding voor tevergeefs ingeschakelde derden wordt afgewezen 2.
  26. In de dagvaarding hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] verder een bedrag van € 1.980,- geëist. Zij hebben daarvoor gesteld dat zij meerdere keren mensen hebben ingeschakeld om werkzaamheden te verrichten, maar dat vervolgens [gedaagde] haar afspraken niet nakwam en niemand namens [gedaagde] verscheen. In haar antwoord heeft [gedaagde] deze eis al betwist, omdat deze niet is onderbouwd. Tijdens de zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat zij altijd op de afgesproken tijdstippen aanwezig is geweest. In reactie op het verweer van [gedaagde] hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] deze eis niet verder onderbouwd. Zij hebben niet concreet gemaakt in welk opzicht [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en ook hebben zij niet concreet gemaakt welke schade zij daardoor hebben geleden. Deze schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De schadevergoeding voor inhuur van een medewerker wordt afgewezen 2.
  27. Dezelfde redenering geldt voor de € 320,- die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] eisen voor de inhuur van een medewerker die heeft geholpen bij het installeren van de waterbase. [gedaagde] heeft ook dit deel van de eis al bij het antwoord betwist. Tijdens de zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat er geen derden zijn ingehuurd, maar dat [persoon A] zelf heeft geholpen. Vervolgens is ook deze eis niet verder onderbouwd, zodat die wordt afgewezen. De schadevergoeding voor het verplaatsen van dozen en apparatuur wordt afgewezen 2.
  28. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben verder een vergoeding van € 360,- geëist, voor het verplaatsen van dozen en apparatuur die in de weg stonden. Tijdens de zitting hebben zij echter zelf verklaard dat de huismeester deze spullen heeft verplaatst en daarvoor geen kosten in rekening heeft gebracht. Daarom hebben zij onvoldoende gesteld dat zij in dit opzicht schade hebben geleden. Dit deel van de eis wordt dus afgewezen. De schadevergoeding voor de eindschoonmaak wordt afgewezen 2.
  29. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] eisen een schadevergoeding van € 240,- voor de eindschoonmaak. [gedaagde] heeft in het antwoord aangevoerd dat deze eis niet is onderbouwd. Tijdens de zitting heeft zij daaraan toegevoegd dat er geen eindschoonmaak is afgesproken. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben daarop gesteld dat het niet zozeer gaat om het schoonmaken, maar meer om het opruimen van de materialen en het bezemschoon opleveren van de keuken. [gedaagde] heeft weliswaar niet betwist dat er wat materialen en rommel zijn blijven liggen, maar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben onvoldoende gesteld waarom zij daardoor schade lijden. Dat vindt de kantonrechter zonder verdere onderbouwing ook niet aannemelijk. Deze schadevergoeding wordt daarom ook afgewezen. [gedaagde] moet € 3.500,- terugbetalen voor niet geleverde accessoires 2.
  30. Uit het voorgaande volgt dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de overeenkomst rechtsgeldig hebben ontbonden, voor zover die nog niet was uitgevoerd. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben gesteld dat [gedaagde] nog geen accessoires had geleverd. Door de ontbinding hoeft [gedaagde] dat ook niet meer te doen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben onbetwist gesteld dat zij daarvoor al wel € 3.500,- hadden betaald. Dat bedrag moet [gedaagde] daarom terugbetalen (artikel 6:271 BW). [gedaagde] hoeft de kosten van het proces-verbaal van de deurwaarder niet te vergoeden 2.
  31. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben een deurwaarder ingeschakeld. Deze heeft op 5 februari 2024 een bezoek gebracht aan de woning en een proces-verbaal van constatering opgesteld, waarin hij heeft vastgelegd hoe de keuken er toen uitzag. Hij heeft daarvoor € 726,- in rekening gebracht. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] eisen dat [gedaagde] die kosten vergoed. Deze eis wijst de kantonrechter af. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben namelijk niet gesteld waarom zij zich genoodzaakt zagen om deze kosten te maken. Zonder verdere toelichting valt niet in te zien wat de toegevoegde waarde is van dit proces-verbaal. De kantonrechter ziet in het dossier niet dat er discussie was over de staat van de keuken. Deze kosten zijn dus niet veroorzaakt door het tekortschieten van [gedaagde] . [gedaagde] hoeft de kosten daarom niet te vergoeden (artikel 6:96 lid 2 onder b BW). De eis met betrekking tot de sleutels is ingetrokken 2.
  32. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hadden ook geëist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om sleutels van hun appartementencomplex af te geven. Hierover hebben de partijen tijdens de zitting al afspraken gemaakt, waarna [eiser sub 1] en [eiser sub 2] deze eis hebben ingetrokken. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten € 1.180,34 betalen voor het meerwerk 2.
  33. Op 20 december 2023 heeft [gedaagde] een meerwerkfactuur van € 19.166,79 gestuurd naar [eiser sub 1] en [eiser sub 2] . [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben die factuur niet betaald. [gedaagde] eist daarom dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden veroordeeld om die factuur te betalen. De kantonrechter oordeelt dat zij slechts € 1.180,34 hoeven te betalen. Dat licht zij hierna toe. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten € 1.180,34 betalen voor de spiegel 2.
  34. De factuur ziet onder andere op een spiegel van € 1.180,34 inclusief btw. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben erkend dat zij de kosten voor deze spiegel moeten betalen.. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben niet ingestemd met de posten met referentie 8036 2.
  35. De factuur ziet verder onder andere op twee posten met referentie
  36. Het gaat (inclusief btw) om € 9.548,- voor extra keukenelementen en om € 1.850,- aan meerkosten van het (Corian) aanrechtblad. [gedaagde] heeft op 12 november 2023 een opdrachtbevestiging gestuurd voor die posten. Volgens [gedaagde] hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet binnen 30 dagen bezwaar gemaakt en moeten zij daarom in ieder geval dit bedrag van € 11.398,- (inclusief btw) betalen. Zij baseert zich daarbij op haar algemene voorwaarden. 2.
  37. De algemene voorwaarden worden echter vernietigd, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat hebben verzocht. Tijdens de zitting waren de partijen het er namelijk over eens dat deze voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zijn gesteld (artikel 6:233 onder b en 234 BW). Omdat de algemene voorwaarden worden vernietigd gaat deze redenering van [gedaagde] niet op, voor zover een dergelijke uitleg overigens al uit de algemene voorwaarden volgt. 2.
  38. Dit is het enige dat [gedaagde] concreet gesteld heeft als onderbouwing van deze eis. Ook als de kantonrechter de rechtsgronden aanvult, op basis van wat [gedaagde] verder in haar eis in reconventie heeft geschreven, kan deze eis niet worden toegewezen. Dat licht zij hierna nog toe. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoeven niet te betalen voor de extra keukenelementen 2.
  39. De kantonrechter begrijpt uit de toelichting van de partijen tijdens de zitting dat de extra keukenelementen gaan om afwerkingen van de open zijkanten van de keuken. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben in de dagvaarding onbetwist gesteld dat deze extra keukenelementen uiteindelijk niet zijn geplaatst. Inmiddels is de overeenkomst ontbonden, dus die elementen hoeven ook niet meer geplaatst te worden. Alleen al om die reden moet deze eis worden afgewezen, nog los van de vraag of [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hadden moeten begrijpen dat zijkanten van de keuken niet bij het afgesproken bedrag waren inbegrepen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoeven niet extra te betalen voor het aanrechtblad 2.
  40. Voor de meerprijs van het aanrechtblad heeft [gedaagde] gesteld dat de partijen een stelpost (richtprijs) zijn overeengekomen. Volgens haar is de prijs uiteindelijk hoger uitgevallen omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hun wensen hebben bijgesteld, op het gebied van materiaal, afmeting en wijze van bevestiging. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben dat betwist. Zij hebben erop gewezen dat [gedaagde] bij de laatste offerte van 17 augustus 2023 heeft gemeld: “‘Ik verwacht begin volgende week de definitieve prijzen en tekeningen van het staal en Corian te hebben en volgende week spreek ik (waarschijnlijk) ook de spuiter in Waalwijk over de afwerking van de fronten zoals jullie die nu hebben gekozen. Als daar geen hele gekke dingen meer uitkomen dan blijft deze versie van de order ook de definitieve versie.” Zij voeren aan dat [gedaagde] niet meer is teruggekomen op deze ‘gekke dingen’, dus dat die offerte heeft te gelden als overeenkomst. [gedaagde] heeft vervolgens niet verder onderbouwd waarom de stelpost die toen is overeengekomen (en betaald) de kosten van het aanrechtblad niet dekt. De rest van de meerwerkfactuur hoeven [eiser sub 1] en [eiser sub 2] ook niet te betalen 2.
  41. Voor de rest van de meerwerkfactuur is de enige onderbouwing die [gedaagde] heeft gegeven dat dit “het gevolg is van de vele wijzigingen die door [eiser sub 1] c.s. en diens architect zijn doorgevoerd.” [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben dit betwist. Zij hebben erop gewezen dat de offerte van 17 augustus 2023 de definitieve overeenkomst is. Bovendien hebben ze aangevoerd dat zij nooit hebben ingestemd met extra kosten en ook niet hebben begrepen dat er nog kosten bij zouden komen. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen (zeker naar aanleiding van het verweer) te onderbouwen dat de partijen dit meerwerk zijn overeengekomen en dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn gewezen op de noodzaak van prijsverhoging, of dat zij dit hadden moeten begrijpen (artikel 7:755 BW). Dat heeft zij echter nagelaten. Omdat dit deel van de eis onvoldoende is onderbouwd, wordt dit afgewezen. Conclusie: [gedaagde] moet € 30.927,43 betalen aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] 2.
  42. [gedaagde] moet dus € 32.107,77 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] betalen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moeten op hun beurt € 1.180,34 betalen aan [gedaagde] . Zij hebben zich beroepen op verrekening. Dat verzoek is op de wet gebaseerd en niet door [gedaagde] betwist en wordt daarom toegewezen (artikel 6:127 BW). Dat betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om € 30.927,43 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te betalen. [gedaagde] moet rente betalen vanaf 20 maart 2024 2.
  43. [gedaagde] moet een schadevergoeding betalen, maar heeft dat tot op heden niet gedaan. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben daarom recht op de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). Zij eisen deze vanaf 20 maart
  44. Op dat moment verkeerde [gedaagde] in verzuim (artikel 6:83 onder b BW). Daarom wordt deze eis toegewezen. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoeven niets te betalen aan [gedaagde] 2.
  45. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moesten dus wel een bedrag van € 1.180,34 betalen aan [gedaagde] , maar zij hebben zich succesvol beroepen op verrekening. Zij hoeven ook geen wettelijke rente te betalen over dit bedrag. De rente hoeven zij namelijk alleen te betalen vanaf het moment dat zij in verzuim verkeerden voor dit bedrag (artikel 6:119 BW). Volgens [gedaagde] zijn zij 15 dagen na ontvangst van de aanmaning van 15 oktober 2024 in verzuim geraakt. Op dat moment was de betalingsverplichting echter al door verrekening teniet gegaan, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toen al een verrekeningsbevoegdheid hadden (artikel 6:127 lid 1 en 6:129 BW). 2.
  46. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hoeven om dezelfde reden ook geen buitengerechtelijke kosten van [gedaagde] te vergoeden. Op het moment dat [gedaagde] die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht was de betalingsverplichting van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] namelijk al tenietgegaan. 2.
  47. De overige eisen van [gedaagde] waren gebaseerd op de algemene voorwaarden. Die eisen heeft zij tijdens de zitting ingetrokken. [gedaagde] moet de proceskosten, inclusief de beslagkosten, betalen 2.
  48. De proceskosten komen zowel in conventie als reconventie voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] in conventie aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] moet betalen op € 135,96 aan dagvaardingskosten, € 706,- aan griffierecht en € 1.086,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 543,-). Voor kosten die [eiser sub 1] en [eiser sub 2] maken na deze uitspraak moet [gedaagde] een bedrag betalen van € 135,-. In conventie bedragen de kosten dus in totaal € 2.062,
  49. In reconventie worden de kosten begroot op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde (1/2 x 2 punten x € 543,-). 2.
  50. Gedurende deze procedure hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] conservatoir derdenbeslag laten leggen ten laste van [gedaagde] . Zij hebben recht op vergoeding van de beslagkosten, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was (artikel 706 Rv). Dat van het laatste sprake is, heeft [gedaagde] niet gesteld en dat is ook niet gebleken. [gedaagde] moet daarom de beslagkosten vergoeden. Deze worden vastgesteld op € 614,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt), € 304,93 voor het beslagexploot en € 107,24 voor het overbetekeningsexploot. Dat is in totaal € 1.026,
  51. 2.
  52. De proceskosten bedragen dus in totaal € 3.089,13 in conventie (inclusief de beslagkosten) en € 543,- in reconventie. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
  53. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] dat eisen en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  54. verklaart voor recht dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de overeenkomst met [gedaagde] rechtsgeldig hebben ontbonden; 3.
  55. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] te betalen € 30.927,43 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf 20 maart 2024 tot de dag dat volledig is betaald; 3.
  56. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie en reconventie, die aan de kant van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] worden begroot op € 3.089,13 in conventie en € 543,- in reconventie met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 135,- vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.
  57. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; 3.
  58. wijst al het andere, waaronder de eis in reconventie, af. Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken. 33394 Hoge Raad 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1581, 3.2.1 en 3.2.2 Hoge Raad 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:586, 3.5

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.