← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:7429

RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11378163 CV EXPL 24-26936 datum uitspraak: 21 maart 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van Zavor Coffee Experience Schiedam V.O.F., vestigingsplaats: Schiedam, eiseres, gemachtigde: mr. E. Schijlen, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: [plaats] , gedaagde, gemachtigde: mr. H.J.B. van Nieuwenhuijzen. 1De procedure 1.

  1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 16 oktober 2024; de akte van Zavor van 30 oktober 2024, met bijlagen; het antwoord, met bijlagen; de brief van Zavor van 3 februari 2025, met bijlagen; de mail van [gedaagde] van 6 februari 2025, met een bijlage; de spreekaantekeningen van P.C. Grundlehner , namens Zavor, met een bijlage; de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde] . 1.
  2. Op 17 februari 2025 heeft de kantonrechter de zaak tijdens een zitting met de partijen en hun gemachtigden besproken. 2De beoordeling Wat is er gebeurd? 2.
  3. Zavor huurde twee panden van [gedaagde] . Op de begane grond van die panden had zij een lunchroom/koffiezaak en op de eerste en tweede verdieping een bed & breakfast. In en na de coronaperiode heeft Zavor minder huur betaald, met toestemming van [gedaagde] . Op een gegeven moment is tussen de partijen een discussie ontstaan of dit een huurkorting of -opschorting was (de ‘coronadiscussie’). 2.
  4. In februari 2024 heeft Zavor het horecagedeelte verkocht aan [persoon A] . Zij heeft [gedaagde] gevraagd om mee te werken aan indeplaatsstelling. [gedaagde] heeft eerst als voorwaarde gesteld dat Zavor ook gelijk afspraken met haar maakte over afhandeling van de coronadiscussie. Na protest van Zavor heeft zij deze discussie losgekoppeld van de indeplaatsstelling en heeft zij aan de indeplaatsstelling meegewerkt. De drie partijen hebben op 6 juni 2024 een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin zij de contractsovername hebben geregeld. Wat is de kern van deze procedure? 2.
  5. Zavor eist dat de kantonrechter voor recht verklaard dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het afhandelen van de coronadiscussie eerst als voorwaarde te stellen voor indeplaatsstelling. Zij stelt dat zij hierdoor € 32.603,- schade heeft geleden en eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om die schade te vergoeden. Verder eist ze dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een deel van de waarborgsom terug te betalen, omdat de huur nu lager is dan bij de start van de huurovereenkomst. 2.
  6. [gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij vindt dat zij niet onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij het recht had om de coronadiscussie te betrekken bij de indeplaatsstelling. Zij stelt dat de partijen bovendien in de contractsovername-overeenkomst al finale kwijting aan elkaar hebben verleend. In die overeenkomst staat ook dat de gestorte waarborgsom gehandhaafd blijft. Om die reden heeft Zavor volgens haar ook geen recht op terugbetaling daarvan. 2.
  7. De kantonrechter wijst de eisen van Zavor af. In dit vonnis legt ze dat uit. De kernvraag is of [gedaagde] de coronadiscussie mocht koppelen aan indeplaatsstelling 2.
  8. Zavor heeft een moeilijk leesbare verklaring voor recht gevraagd, van meer dan tien regels. Met name door de conclusie van antwoord en de toelichting van de heer Grundlehner tijdens de zitting is het de kantonrechter duidelijk geworden wat de kern is. Zij begrijpt dat het erom gaat of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door de afhandeling van de coronadiscussie als voorwaarde te stellen voor de indeplaatsstelling. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Dat licht ze hierna toe. [gedaagde] heeft geen algemene plicht om mee te werken aan indeplaatsstelling 2.
  9. Het uitgangspunt is dat Zavor het huurcontract alleen door [persoon A] kon laten overnemen als zij daarover overeenstemming kon bereiken met [gedaagde] (artikel 6:159 BW). Als de partijen geen overeenstemming konden bereiken, dan kon Zavor aan de kantonrechter vragen om een machtiging. De kantonrechter zou dan een beslissing hebben genomen op basis van de wettelijke voorwaarden en de omstandigheden van het geval (artikel 7:307 BW). Er bestond dus geen algemene plicht voor [gedaagde] om mee te werken aan de indeplaatsstelling. [gedaagde] heeft dus niet gehandeld in strijd met een wettelijke plicht (artikel 6:162 lid 2 BW). Zij heeft dit ook niet gedaan door een contractsovername-overeenkomst op te stellen. Dat is voor een contractsovername namelijk vereist (artikel 6:159 BW). [gedaagde] heeft geen ongefundeerd of onredelijk standpunt ingenomen bij de onderhandelingen 2.
  10. Het uitgangspunt is dus dat de partijen proberen samen afspraken te maken over de indeplaatsstelling. In die onderhandeling kunnen beide partijen standpunten innemen. Het kan dat Zavor het niet eens is met bepaalde standpunten van [gedaagde] , maar dan kan zij daarover in gesprek gaan met [gedaagde] . Het innemen van een standpunt in die onderhandelingen is in principe niet te zien als onrechtmatig handelen of misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW). 2.
  11. Als een verhuurder volstrekt ongefundeerde of onredelijke eisen stelt aan de contractsovername, is niet ondenkbaar dat dit in sommige omstandigheden onrechtmatig handelen zou kunnen opleveren. Als Zavor vindt dat daarvan sprake is, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Uit de stukken blijkt dat [gedaagde] alleen als voorwaarde heeft gesteld dat de partijen overeenstemming zouden bereiken over de coronadiscussie. Dat vindt de kantonrechter geen onredelijke voorwaarde. Deze coronadiscussie ziet namelijk ook op het deel van de huurovereenkomst dat wordt overgedragen, te weten het horecagedeelte. In het kader van de indeplaatsstelling moest dus ook afgesproken worden hoe om te gaan met die coronadiscussie en wie aansprakelijk zou zijn voor een eventuele huurachterstand (Zavor of [persoon A] ). De kantonrechter kan zich voorstellen dat [gedaagde] dit punt direct wilde afkaarten. 2.
  12. [gedaagde] heeft dus niet als eis gesteld dat haar standpunt volledig wordt gevolgd of dat Zavor de volledige korting/opschorting van (blijkbaar) ruim € 32.000,- alsnog aan haar betaalt. Zij heeft slechts voorgesteld dat de partijen hierover samen afspraken zouden maken. Zavor had hierover het gesprek kunnen aangaan. 2.
  13. Voor zover Zavor bedoeld heeft dat zelfs het aangaan van het gesprek een onredelijk eis is, omdat het standpunt van [gedaagde] dat sprake is van opschorting nergens op is gebaseerd, heeft zij dat onvoldoende onderbouwd. Zavor heeft niet gesteld wat de coronadiscussie precies inhoudt. De kantonrechter begrijpt dat Zavor vanaf de start van de coronapandemie in maart 2020 tot en met oktober 2023 minder huur heeft betaald. Welke afspraken hier destijds over zijn gemaakt en waaruit Zavor afleidt dat dit een huurkorting betrof heeft zij niet gesteld. Het enige concrete aanknopingspunt is een mail van 17 december 2020 (productie 26) waarin onder andere staat “Uitgangspunt is dat er geen schuldenlast wordt opgebouwd”. Wat die zin betekent en wat volgens Zavor de afspraken zijn over de minder betaalde huur, heeft Zavor niet gesteld. 2.
  14. Zonder die onderbouwing ziet de kantonrechter niet in waarom gedurende de volledige periode tot en met oktober 2023 per definitie sprake zou zijn van een huurkorting. De beperkende coronamaatregelen waren namelijk in 2022 al van de baan, zodat zeker voor de periode daarna denkbaar is dat geen sprake is van een korting. [gedaagde] heeft de contractsovername niet onnodig vertraagd 2.
  15. Als Zavor heeft bedoeld dat [gedaagde] de contractsovername onnodig heeft vertraagd, volgt de kantonrechter dit standpunt ook niet. Al met al is het traject namelijk vrij snel verlopen. 2.
  16. Over de gang van zaken rond de contractsovername heeft [gedaagde] in het antwoord een concrete tijdslijn geschetst. Ze heeft die ook onderbouwd met bewijsstukken. Zavor heeft die tijdslijn niet betwist, zodat die vaststaat. Daaruit volgt dat Zavor op 26 februari 2024 het horecagedeelte heeft verkocht. Het eerste overleg over de contractovername heeft op 18 maart 2024 plaatsgevonden, 11 april 2024 heeft [gedaagde] een intentieverklaring afgegeven en begin juni 2024 hebben de partijen hier een overeenkomst voor gesloten. 2.
  17. Veel korter dan drie maanden zal zo’n traject doorgaans niet duren. Een verhuurder zal in alle gevallen namelijk tijd nodig hebben om te kunnen nagaan of zij in zee wil gaan met de nieuwe partij. Zo zal zij vaak op zijn minst willen weten waarom de oude huurder weg wil, wat de plannen van de nieuwe huurder zijn, hoe realistisch die zijn en hoe kapitaalkrachtig de nieuwe huurder is. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] dit traject niet onnodig heeft vertraagd. 2.
  18. Het lijkt erop dat Zavor de dupe is geworden van haar eigen handelswijze. Zij heeft eerst een koopovereenkomst gesloten met [persoon A] en pas daarna [gedaagde] op de hoogte gebracht. In de koopovereenkomst stond als ontbindende voorwaarde dat het huurrecht binnen twee maanden zou zijn overgedragen. Door deze ongebruikelijke volgorde heeft zij zelf veel druk op de onderhandelingen gezet, maar dat probleem kan zij niet op het bord van [gedaagde] leggen. Als er iets anders is bedoeld met de verklaring voor recht heeft Zavor onvoldoende gesteld 2.
  19. Zavor eist ook dat de kantonrechter voor recht verklaart dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door eigenrichting voor te stellen. Uit de dagvaarding maakt de kantonrechter op dat het erom gaat dat [gedaagde] heeft voorgesteld dat zij zich na een bepaalde periode vrij voelt om een huurverhouding aan te gaan met een derde partij. Waarom hierdoor sprake is van eigenrichting en waarom dit onrechtmatig is heeft Zavor niet gesteld. Dit deel van de verklaring voor recht wordt dus afgewezen. 2.
  20. Hetzelfde geldt voor de verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door belangrijke bedrijfsinformatie te verzwijgen. De kantonrechter begrijpt dat het gaat om informatie over de erfpacht. Welke informatie [gedaagde] ‘verzwegen’ heeft, waarom zij die wel had moeten melden en waarom het ‘verzwijgen’ hiervan onrechtmatig is, heeft Zavor niet gesteld. Ook dit deel van de verklaring wordt dus afgewezen. 2.
  21. Voor zover Zavor nog iets anders heeft bedoeld te eisen met haar verklaring voor recht, wordt deze eis ook afgewezen, omdat Zavor daarvoor niets heeft gesteld. Conclusie: [gedaagde] heeft niet onrechtmatig gehandeld 2.
  22. De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] niet onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van Zavor. De volledige verklaring voor recht wordt dus afgewezen. Dit betekent dat ook de eis dat [gedaagde] wordt veroordeeld om een schadevergoeding van € 32.603,- aan Zavor te betalen wordt afgewezen. [gedaagde] hoeft niet een deel van de waarborgsom terug te betalen 2.
  23. Bij de start van de huurovereenkomst heeft Zavor een waarborg van € 4.675,- betaald. Dat kwam neer op 1,5 x keer de overeengekomen huurprijs van € 3.117,-. Zavor stelt dat de huur (na de contractsovername) € 2.047,- is. Volgens haar moet de waarborgsom daarom worden bijgesteld naar € 3.070,-, namelijk 1,5 x € 2.047,-. Ze eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld om € 1.605,- aan haar terug te betalen (€ 4.675,- min € 3.070,-). 2.
  24. Zavor heeft niet gesteld op basis waarvan [gedaagde] verplicht zou zijn om de waarborgsom terug te betalen. In de huurovereenkomst (artikel 7) en de toepasselijke algemene voorwaarden (artikel 26) staat niet dat de borg naar beneden wordt bijgesteld, als de huur wordt verlaagd. Alleen al om die reden moet deze eis worden afgewezen. Zavor moet de proceskosten betalen 2.
  25. De proceskosten komen voor rekening van Zavor, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Zavor aan [gedaagde] moet betalen op € 1.900,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 950,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 2.035,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen. 2.
  26. Zavor hoeft dus niet alle kosten te vergoeden die [gedaagde] heeft gemaakt, zoals [gedaagde] heeft verzocht. Dat hoeft namelijk alleen maar als sprake is van buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dit kan niet snel worden aangenomen, omdat iedereen het recht heeft om een zaak te laten beoordelen door de rechter (artikel 6 EVRM). In dit geval zijn er niet zulke buitengewone omstandigheden. 2.
  27. De vraag of [gedaagde] wel of niet onrechtmatig heeft gehandeld is een juridische kwestie. De kantonrechter volgt de stellingen van Zavor niet, maar zij oordeelt dat ook niet gezegd kan worden dat deze stellingen zo ongegrond zijn dat Zavor misbruik heeft gemaakt van procesrecht. Wel kent de kantonrechter een hoger tarief toe aan het gemachtigdensalaris dan het tarief dat past bij een belang tot € 40.000,-. Door de omvang van de dagvaarding en de onduidelijke stellingen die daarin worden ingenomen, heeft de gemachtigde extra tijd aan de conclusie van antwoord moeten besteden. Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad 2.
  28. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en Zavor daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
  29. wijst de eis van Zavor af; 3.
  30. veroordeelt Zavor in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 2.035,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald; 3.
  31. verklaart 3.2 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken. 33394

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.