RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11623745 VV EXPL 25-182 datum uitspraak: 16 juni 2025 Vonnis in kort geding van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: Den Haag, eiser, gemachtigde: mr. I.I. Feenstra, tegen [gedaagde] , vestigingsplaats: Rotterdam, gedaagde, gemachtigde: mr. M.A.W. Holdtgrefe. De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 17 april 2025, met bijlagen; de (voorwaardelijke) conclusie van antwoord, met bijlagen, de pleitnota van [eiser]; de pleitnotities van Erfgoedhaven. 1.
- Op 19 mei 2025 is de zaak (samen met de zaak 11664790 VZ VERZ 25-2947) tijdens een zitting in het gerechtsgebouw te Dordrecht met partijen besproken. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. I.I. Feenstra. Namens [gedaagde] waren [persoon 1] (bestuurder) en [persoon 2] (oud-bestuurder) aanwezig, bijgestaan door mr. M.A.W. Holdtgrefe. 2De beoordeling Wat is de kern? 2.
- [eiser] is bij [gedaagde] in dienst als senior havenmeester. [eiser] is arbeidsongeschikt sinds juni 2024 en hij wil dat [gedaagde] hem weer toelaat tot zijn functie, zodat hij met zijn re-integratie kan starten. De kantonrechter wijst deze vordering af. Hierna wordt toegelicht waarom. Wat is er gebeurd? 2.
- [eiser] werkt sinds 1 december 2019 bij [gedaagde] in de functie van senior havenmeester. Op 24 juni 2024 heeft [eiser] zich ziekgemeld. De Arboarts heeft op 19 november 2024 geoordeeld dat [eiser] geschikt is voor zijn eigen werk vanaf 2 december 2024 en dat [eiser] geleidelijk zijn werk kan hervatten. De Arboarts heeft daarnaast geadviseerd om met elkaar in gesprek te gaan om de spanningen in de werksituatie op te lossen. 2.
- Op 14 januari 2025 zijn de heer [persoon 1] (directeur/bestuurder van [gedaagde]) en [eiser] in mediation met elkaar in gesprek gegaan. De mediation heeft niet geleid tot een oplossing en is op 30 januari 2025 beëindigd. 2.
- [eiser] wil terugkeren in zijn baan als havenmeester. Dit is volgens hem medisch gezien ook mogelijk. Vanuit de zijde van [gedaagde] gebeurt er echter niets. [eiser] vordert daarom in dit kort geding dat [gedaagde] wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het vonnis [eiser] toe te laten tot het starten van zijn re-integratie in zijn eigen bedongen functie van havenmeester conform het door de Arboarts op 19 november 2024 opgestelde opbouwschema, op verbeurte van een dwangsom. Er is een spoedeisend belang 2.
- Gelet op de aard van de vordering (het starten met re-integratie) heeft [eiser] een spoedeisend belang. Dit is overigens door [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] hoeft [eiser] niet toe te laten tot het werk 2.
- In de gelijktijdig met de onderhavige procedure behandelde verzoekschriftprocedure (zaaknummer 11664790 VZ VERZ 25-2947) tussen [gedaagde] en [eiser] is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 1 augustus 2025 vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. Omdat de arbeidsovereenkomst binnenkort zal eindigen vanwege een verstoorde arbeidsrelatie, is de kantonrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] om [eiser] niet toe te laten tot zijn werkzaamheden zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om weer te worden toegelaten tot zijn werkzaamheden. De reden van de verstoring is namelijk gelegen in het gedrag en de houding van [eiser] richting zijn collega’s. Het is voldoende aannemelijk dat (tijdelijke) terugkeer van [eiser] de werksfeer niet ten goede zal komen. Gelet daarop wordt de vordering van [eiser] afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd 2.
- De kantonrechter ziet in de aard van het geschil aanleiding om de proceskosten tussen partijen te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. 3De beslissing De kantonrechter: 3.
- wijst de vordering van [eiser] af; 3.
- compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Halk en in het openbaar uitgesproken. 31688