vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/694763 / KG ZA 25-161 Vonnis in kort geding van 26 maart 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te Spijkenisse, eiser, advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg, tegen [gedaagde] , wonende te Spijkenisse, gedaagde, verschenen in persoon. Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd. De zaak in het kort Partijen zijn gehuwd geweest. In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden heeft de rechtbank bepaald dat partijen allebei de helft van een schuld moeten betalen. Omdat de man het grootste gedeelte van de schuld heeft afgelost en de schuldeiser inmiddels aandringt op betaling van het restant daarvan, heeft de man voorgesteld dat het restant wordt voldaan met het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning. Dit bedrag staat in depot bij de notaris. De vrouw heeft niet gereageerd op het voorstel van de man. In dit kort geding vordert de man dat de vrouw de notaris opdracht geeft om het depotbedrag vrij te geven zodat de schuldeiser daarmee kan worden betaald. De voorzieningenrechter wijst de vordering van de man toe. 1De procedure 1.
- Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 28 februari 2025 met zes producties. 1.
- De mondelinge behandeling vond plaats op 12 maart
- 2De feiten 2.
- Partijen zijn op [datum] met elkaar gehuwd. 2.
- Bij beschikking van 17 december 2024 (hierna: de beschikking) spreekt de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uit. Ook wordt daarin bepaald dat partijen overgaan tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden conform 3.4.
- tot en met 3.4.28 en wordt de beschikking op dit punt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. 2.
- In 3.4.
- tot en met 3.4.
- van de beschikking staat het volgende: “Voormalige echtelijke woning met waterkavel 3.4.
- Partijen zijn het er over eens dat de voormalige echtelijke woning gelegen aan de [adres 1] en de waterkavel aan de [locatie] tot de eenvoudige gemeenschap behoort. De woning en de waterkavel zijn inmiddels verkocht. Iedere partij heeft recht op de helft van de overwaarde. De man stelt dat hij met privévermogen heeft geïnvesteerd in de woning. Hij heeft niet gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft. De rechtbank is van oordeel dat de man geen recht heeft op meer dan de helft van de overwaarde. Leningen bij [naam] 3.4.
- De man heeft gesteld dat partijen allebei draagplichtig zijn voor de leningen die zij op 11 februari 2022 bij [naam] zijn aangegaan ten bedrage van € 150.000,- en € 200.000,-, voor de aankoop van het appartement aan de [adres 2] . 3.4.
- De vrouw betwist dat zij voor deze leningen heeft getekend. 3.4.
- Onderaan de twee overeenkomsten van geldlening staat: “In het kader van artikel 1:88 BW verklaart de echtgenote van [eiser] zich met de inhoud van deze overeenkomst bekend en akkoord. Getekend te Spijkenisse op 11 februari 2022." Hierna volgt de naam van de vrouw en haar handtekening, De rechtbank ziet geen reden om de echtheid van de handtekeningen van de vrouw in twijfel te trekken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld dat zij haar handtekening herkent op de laatste pagina van de overeenkomsten. Zij stelt echter dat deze is gekopieerd uit een ander document dat zij heeft ondertekend en dus niet heeft getekend voor deze lening. De vrouw heeft niet kunnen verduidelijken uit welk document haar handtekening afkomstig is. De rechtbank heeft aan de vrouw voorgehouden kleine verschillen te zien in de twee op 11 februari 2022 getekende overeenkomsten, wat erop duidt dat dit geen gekopieerde pagina is. Hierop heeft de vrouw slechts volhard in haar standpunt. Dat de man en niet de vrouw alle pagina's heeft geparafeerd van de overeenkomsten, doet evenmin af aan de geldigheid daarvan. Partijen zijn derhalve deze leningen samen aangegaan en ieder is voor de helft daarvan draagplichtig.” 2.
- Bij e-mail van 3 januari 2025 schrijft mr. Mink aan de vrouw dat de schuld aan [naam] in totaal € 350.000,00 bedraagt en dat de helft daarvan voor rekening van de vrouw komt. Verder laat zij weten dat de man de schuld voor het grootste gedeelte heeft afgelost en dat hij nog € 45.000,00 nodig heeft. De man stelt voor om dit bedrag te betalen met de aan de vrouw toekomende helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning, waarna partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. 2.
- Op verzoek van de man betekent de deurwaarder de beschikking op 7 februari 2025 aan de vrouw. Daarnaast betekent de deurwaarder een brief van mr. Mink van 5 februari 2025 aan de vrouw, waarin mr. Mink de vrouw sommeert om de notaris opdracht te geven tot uitbetaling van het aan de vrouw toekomende deel van de overwaarde op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden Vader & Mink Advocaten. 2.
- Bij brief van 12 februari 2025 deelt [naam] aan partijen mee dat zij eind december 2024 en eind januari 2025 niet aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan en dat de vordering daarmee volledig opeisbaar is geworden. [naam] verzoekt partijen om het openstaande bedrag van € 55.205,00 binnen twee dagen te betalen. 3De vordering 3.
- De man vordert dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vrouw veroordeelt om binnen 48 uur na het vonnis aan de notaris opdracht te geven om het op naam van de vrouw aangehouden depotbedrag van € 51.773,56 op de rekening van de man of op de derdengeldenrekening van zijn advocaat te voldoen, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag of dagdeel tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt en met veroordeling van de vrouw in de proceskosten. 4De beoordeling 4.
- De vordering van de man strekt in wezen tot betaling van een geldsom. Voor een geldvordering in kort geding geldt dat terughoudendheid bij toewijzing op zijn plaats is. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening is vereist en of er een restitutierisico is. 4.
- In de beschikking staat dat de voormalige echtelijke woning inmiddels is verkocht en dat zowel de man als de vrouw recht heeft op de helft van de overwaarde. Tussen partijen is niet in geschil dat de overwaarde in totaal € 103.547,12 bedraagt, dat de man zijn deel van € 51.773,56 heeft gebruikt om een deel van de lening aan [naam] af te lossen en dat het deel van de vrouw van € 51.773,56 nog in depot bij de notaris staat. 4.
- Verder volgt uit de beschikking dat partijen ieder de helft van de schuld van € 350.000,00 aan [naam] moeten betalen. Uit de brief van [naam] van 12 januari 2025 blijkt dat nog een bedrag van € 55.205,00 openstaat. De vrouw heeft niet weersproken dat de man € 294.795,00 heeft afgelost. Gelet daarop is aannemelijk dat de man een regresvordering heeft op de vrouw van ten minste € 51.773,
- 4.
- De man heeft aan de vrouw voorgesteld om haar deel van de overwaarde te gebruiken voor de aflossing van de restantschuld aan [naam] . Daarbij heeft hij opgemerkt dat hij na betaling in principe bereid is om de vrouw finale kwijting te verlenen. Hoewel de vrouw op dit voorstel niet heeft gereageerd, heeft zij tijdens de mondelinge behandeling laten doorschemeren dat zij daarmee kan instemmen, mits het geld gebruikt wordt voor de aflossing van de schuld aan [naam] . Onder die voorwaarde acht de voorzieningenrechter het voorstel van de man eveneens redelijk. Aannemelijk is immers dat de man een regresvordering op de vrouw heeft en daarnaast blijkt uit de brief van 12 januari 2025 dat [naam] aandringt op betaling. 4.
- Om te bewerkstelligen dat het depotbedrag wordt gebruikt om de schuld aan [naam] af te lossen, wijst de voorzieningenrechter de vordering toe, in die zin dat de vrouw wordt veroordeeld om de notaris opdracht te geven om het depotbedrag naar de derdengeldenrekening van de advocaat van de man over te maken, zodat dit bedrag vervolgens kan worden aangewend om [naam] te betalen. Hiermee wordt voorkomen dat het geld in handen van de man komt. Dat is van belang omdat in dat geval niet gegarandeerd is dat het geld daadwerkelijk wordt gebruikt om [naam] te betalen. Verder wordt aan de vrouw een termijn gegund van 48 uur na betekening van het vonnis. 4.
- Om te bereiken dat de vrouw de notaris daadwerkelijk opdracht geeft, wordt aan de veroordeling een dwangsom gekoppeld. Deze wordt gesteld op € 100,00 per dag of dagdeel met een maximum van € 2.500,
- 4.
- In een geschil tussen ex-gehuwden is het gebruikelijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zijn dat iedere partij de eigen kosten draagt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarvan af te wijken. 5De beslissing De voorzieningenrechter 5.
- veroordeelt de vrouw om binnen 48 uur na betekening van het vonnis aan [naam notaris], gevestigd aan de [adres 3] , opdracht te geven om het op naam van de vrouw aangehouden depotbedrag van € 51.773,56 op de rekening van Stichting Beheer Derdengelden Vader & Mink Advocaten met nummer [rekeningnummer] te voldoen, 5.
- veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de in 5.
- uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt, 5.
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, 5.
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.
- wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 26 maart
- [2971/1980]