Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 14 april 2025 in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats], verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 25 november 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser]), die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. [schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden. Ter zitting van 2 april 2025 zijn verschenen en gehoord: verzoeker; J.M. van Vuure, werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening); Z. Rahimi, werkzaam bij Verder Bewind Midden B.V. (hierna: beschermingsbewindvoerder). [schuldeiser] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, met bericht niet verschenen. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift zes concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 54.740,21 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 18 maart 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 1,95% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling van 18 maart 2024 is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Participatiewet-uitkering. Verzoeker heeft een sollicitatieplicht. Verzoeker is dan ook met zijn werkconsulent in gesprek om de stap richting werk te gaan maken. Vooralsnog lijkt het verrichten van (betaalde) arbeid niet haalbaar. Verzoeker heeft oogklachten waaraan hij meermaals (en meest recent in juli 2024) is geopereerd (verzoeker heeft slechts 20% (en na zijn laatste operatie 40%) zicht aan zijn ene oog en 60% zicht aan zijn andere oog), met als gevolg veel (controle)afspraken in het ziekenhuis. Daarnaast heeft hij een verre afstand tot de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft voor het laatst in 2013 fulltime en in 2017/2018 parttime gewerkt. Verzoeker zal daarom eerst werkfit moeten worden. Daarvoor zal hij een traject gaan volgen. Gelet hierop zal verzoeker op korte termijn geen inkomen uit arbeid kunnen genereren dat zal leiden tot een hogere afloscapaciteit dan het aangeboden saneringskrediet (zie hierna). Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds maart 2016 geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan. Daarnaast worden zijn vaste laten al sinds 27 februari 2019 door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan. Vijf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 44.781,95 op verzoeker, welke 81,81% van de totale schuldenlast beloopt. 3Het verweer [schuldeiser] heeft in haar verweerschrift gesteld dat zij niet alleen belang heeft bij, maar ook recht heeft op volledige nakoming. Bij volledige nakoming zou zij een bedrag van € 44.781,95 ontvangen tegenover slechts € 874,53 bij de aangeboden schuldregeling. Daarnaast heeft verzoeker zich in het verleden bij de verkoop van de woning niet coöperatief opgesteld waardoor de vordering hoog is opgelopen. Van verzoeker wordt daarom ook meer inspanning verlangd. Ook ten aanzien van de inspanningsverplichting wordt van verzoeker meer inspanning verlangd. Verzoeker heeft zich niet aan de sollicitatieplicht gehouden. De aangeboden schuldregeling is dan ook niet het maximaal haalbare. Indien verzoeker meer inspanning levert en meer duidelijkheid verschaft over het inkomen, is [schuldeiser] bereid om met verzoeker tot een voorstel te komen. Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten. 4De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een aanzienlijk aandeel vormt in de totale schuldenlast van 81,81%. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat een meerderheid van de schuldeisers, namelijk vijf van de zes schuldeisers, met de aangeboden regeling akkoord is gegaan. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel dat op 18 maart 2024 is gedaan het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker niet beschikt over betaald werk. Verzoeker heeft serieuze oogklachten waaraan hij weliswaar onlangs nog is geopereerd met tot gevolg een verhoging van zijn zicht aan een oog van 20% naar 40%, maar nog altijd klachten van ondervindt. Daarnaast heeft verzoeker een verre afstand tot de arbeidsmarkt. Verzoeker heeft voor het laatst in 2013 fulltime en in 2017/2018 parttime gewerkt. Verzoeker zal een traject gaan volgen. Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat hij graag aan het werk zou willen gaan, maar dat hij door zijn gezondheidsproblemen ernstige belemmering ondervindt. Schuldhulpverlening heeft de juistheid daarvan bevestigd. Hiermee is voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker binnen zes maanden (de resterende periode van het minnelijk traject), ook al vindt hij betaald werk, geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen (met inachtneming van de toeslagen van de Belastingdienst) en dat hij dus geen inkomen zal verwerven dat zal leiden tot een hogere aflossing aan de schuldeisers dan het reeds aangeboden saneringskrediet. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het op voorhand niet onaannemelijk is dat verzoeker tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten. Daarbij merkt de rechtbank op dat de vordering van [schuldeiser] buiten de driejaarstermijn van artikel 288 Fw valt. De uitwerking van dit voorstel zal verder naar verwachting een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en dit al ruime tijd probeert te doen en van de overige vijf schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen. Bovendien kent de wet niet een bijzondere positie toe aan schuldeisers die een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen. [schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil. De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: - beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling; - veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil; - bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming; - wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 april 2025. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.