vonnis RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rolnummer: C/10/699650 / KG ZA 25-435 Vonnis in kort geding van 2 juli 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [plaats] , eiser, advocaat mr. D.N. van Wensen te Lage Zwaluwe, tegen [gedaagde] , wonende te [plaats] , gedaagde, advocaat mr. R.D.Z. Asmus te Brielle. Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd. 1Waar gaat de zaak over? 1.1. In dit executiegeschil vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen tot het opschorten van de door haar genomen executiemaatregelen ten aanzien van de inning van partneralimentatie totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek van [eiser] om die alimentatie te wijzigen. De voorzieningenrechter wijst deze vordering af en licht deze beslissing als volgt toe. 2De procedure 2.1. Het procesdossier bestaat uit: de dagvaarding van 7 juni 2025 met producties 1 tot en met 10 en een aantal stukken over de medische toestand van [eiser] ; de conclusie van antwoord met een productie. 2.2. De mondelinge behandeling vond op 20 juni 2025 plaats. Partijen verschenen daar in persoon, ieder vergezeld van hun advocaat. 3De feiten 3.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum] 2017 is, voor zover nu relevant, tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en bepaald dat het aangehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant – dat door partijen op 20 en 22 november 2017 is ondertekend – deel uitmaakt van die beschikking. De echtscheidingsbeschikking is op 22 februari 2018 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand. 3.2. Partijen zijn in artikel 2 van het echtscheidingsconvenant – kort samengevat – overeengekomen dat [eiser] met ingang van de datum van de echtscheiding (22 februari 2018) zal bijdragen in het levensonderhoud van [gedaagde] met een bedrag van € 2.800,00 bruto per maand. Daarna zijn partijen nog een nu niet belangrijke wijziging overeengekomen. De huidige partneralimentatie, inclusief jaarlijkse indexering, bedraagt € 3.647,16 bruto per maand. 3.3. [eiser] heeft de voldoening van de partneralimentatie aan [gedaagde] eind 2024 stopgezet. Hij heeft op 7 februari 2025 een verzoekschrift tot wijziging partneralimentatie ingediend bij de rechtbank Rotterdam, gebaseerd op de stelling dat aan zijn zijde sprake is van een (financiële) wijziging van omstandigheden. Partijen hebben vernomen dat de zaak wordt behandeld door de inloopkamer en zijn in afwachting van de planning van een zitting. Die zitting zal vermoedelijk op enig moment na de zomer plaatsvinden. 3.4. [gedaagde] heeft het landelijk bureau inning onderhoudsbijdragen (het LBIO) gevraagd de achterstallige partneralimentatie te incasseren. Het LBIO berekent de betalingsachterstand over de periode vanaf september 2024 tot 12 mei 2025 op € 14.877,25, te verhogen met een opslag van € 2.231,57. Het LBIO heeft aan [eiser] incassomaatregelen aangekondigd. 4Het geschil 4.1. [eiser] vordert – kort gezegd – [gedaagde] te veroordelen tot opschorting van alle executiemaatregelen totdat op zijn wijzigingsverzoek is beslist, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten. 4.2. [eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] misbruik van recht maakt als zij overgaat tot executiemaatregelen ten aanzien van de inning van partneralimentatie. [eiser] verkeert in een noodsituatie, omdat hij niet langer over de financiële middelen beschikt om de partneralimentatie aan [gedaagde] te voldoen. 4.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering. 5De beoordeling 5.1. In een executiegeschil kan de tenuitvoerlegging van een beslissing slechts worden geschorst wanneer de executant, gelet op de belangen van de geëxecuteerde, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn executiebevoegdheid. Dat kan het geval zijn wanneer de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag en/of als de executie op grond van na de beslissing voorgevallen of aan het licht gekomen feiten aan de zijde van de geëxecuteerde klaarblijkelijk een noodtoestand zal doen ontstaan. 5.2. [eiser] beroept zich er niet op dat de te executeren beslissing berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag. Hij stelt zich uitsluitend op het standpunt dat hij in een financiële noodtoestand verkeert. [eiser] heeft toegelicht dat hij als ZZP-er in de petrochemie werkt. Eind 2024 heeft zijn grootste en op dat moment enige opdrachtgever de opdracht aan hem beëindigd. [eiser] heeft geen aansluitende nieuwe opdracht kunnen vinden en daardoor heeft hij sinds begin 2025 (op een klein klusje
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.