← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:8967

Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummers: 10-292014-24 en 10-034932-24 (gevoegd) Parketnummer vordering TUL VV: 10-082215-21 Datum uitspraak: 4 maart 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2004, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [plaats] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het [detentiecentrum] , raadsvrouw mr. S. Epema, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari

  1. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen, voor wat betreft de dagvaarding met parketnummer 10-292014-24 zoals deze op de terechtzitting van 10 december 2024 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De rechtbank heeft de feiten die in de dagvaardingen zijn opgenomen voorzien van een doorlopende nummering en zal die nummering in dit vonnis aanhouden. De tekst van de (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. N. Linnenbank heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest; tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10-082215-21, te weten jeugddetentie voor de duur van zeventien dagen. 4Waardering van het bewijs Feit 1 (medeplegen voorbereiding teweegbrengen ontploffing) Uit het onderzoek op de terechtzitting en de inhoud van wettige bewijsmiddelen is gebleken dat een persoon op 9 september 2024 bij een benzinestation in Rotterdam een blauwe plastic tas kreeg van de bestuurder van een Toyota Aygo, daarna vijf literflessen heeft gevuld met benzine en die vervolgens in die plastic tas heeft gedaan. Kort hierop werd deze persoon aangehouden door de politie. Deze persoon gaf op te zijn: [persoon A] . Tegelijkertijd werd de verdachte in de buurt aangetroffen op een scooter. Na controle van zijn identiteit mocht hij zijn weg vervolgen. Vervolgens heeft de politie onderzoek gedaan in de telefoon van [persoon A] . In de telefoon werden aanwijzingen gevonden dat de verdachte en [persoon A] elkaar kenden. Gezien werd dat [persoon A] via Snapchat contact had met de gebruiker “ [gebruikersnaam 1] ” met accountnaam “ [gebruikersnaam 2] ”. Uit die berichten kan worden afgeleid dat [persoon A] door " [gebruikersnaam 1] " werd gevraagd om een bom te gooien bij een ijssalon in West. Ook werd gevraagd om een cobra te zetten op een adres in Noord. In de chat stemde [persoon A] ermee in om het werk uit te voeren. Hij zou daar € 1.000,- voor krijgen. In de telefoon van [persoon A] werden schermafbeeldingen aangetroffen van de genoemde locaties. Uit onderzoek is gebleken dat de verdachte een Instagram-account had met als gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 2] ”. Hierop werd de verdachte aangehouden. Het telefoonnummer van de verdachte was gekoppeld aan een Snapchataccount met als gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 2] ”. Op TikTok was het telefoonnummer gekoppeld aan een afgeschermd account met als gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 2] ”. Door de politie is vervolgens onderzoek gedaan naar de identiteit van de gebruiker van het Snapchataccount met gebruikersnaam “ [gebruikersnaam 2] ”. Dit onderzoek leverde geen identiteit op. De verdachte heeft verklaard dat het Snapchataccount “ [gebruikersnaam 2] ” een gedeeld account van hem betreft. Hij heeft verklaard dat hij dit account op enig moment heeft aangemaakt en dat het ook nog in zijn telefoon te vinden is, maar dat hij er al langere tijd geen gebruik van heeft gemaakt. Hij heeft ontkend degene te zijn geweest die op 9 september 2024 als “ [gebruikersnaam 1] ” met [persoon A] contact heeft gehad over het teweegbrengen van een ontploffing bij de genoemde locaties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het onderzoek op de zitting en de inhoud van het dossier onvoldoende uitsluitsel gegeven over de vraag wie in september 2024 het account “ [gebruikersnaam 2] ” gebruikte. Het is niet komen vast te staan dat de verdachte op de ten laste gelegde datum de gebruiker is geweest van het account “ [gebruikersnaam 2] ” en dus ook niet dat de verdachte de gesprekken heeft gevoerd met [persoon A] over de ontploffingen bij de genoemde locaties. Dat leidt ertoe dat de verdachte wordt vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Feit 2 (medeplegen poging om een ander te bewegen tot het plegen van een moord) Volgens de officier van justitie is de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit gebleken uit Snapchatgesprekken die bij onderzoek in de telefoon van de verdachte zijn aangetroffen. Hieruit lijkt afgeleid te kunnen worden dat een ander de opdracht uitzet om iemand te liquideren. Vervolgens zou de verdachte op 10 september 2024 - vanuit het Snapchataccount “ [gebruikersnaam 2] ” - gesprekken hebben gevoerd met anderen met de mededeling dat hij een ‘soldaat’ zoekt die iemand kan ‘shoetoe’ en ‘laten slapen’ voor € 60.000,- en een vooruitbetaling van € 3.500,-. De verdachte heeft ontkend dat hij deze gesprekken heeft gevoerd. Ook ten aanzien van dit feit is de rechtbank van oordeel dat het onderzoek op de zitting en de inhoud van het dossier onvoldoende uitsluitsel hebben gegeven over de eventuele betrokkenheid van de verdachte, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte in september 2024 gebruik maakte van het Snapchataccount “ [gebruikersnaam 2] ”. Het is daarmee niet komen vast te staan dat de verdachte degene is geweest die op 10 september 2024 voormelde gesprekken heeft gevoerd. Dit leidt ertoe dat de verdachte ook wordt vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde. Bewezenverklaring Het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat: 3 (10-292014-24) hij op 24 augustus 2024 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een kogelgeweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester, voorhanden heeft gehad; 4 (10-034932-24) hij op 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijf] in de Rotterdamse haven; 5 (10-034932-24) hij op 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijf] in de Rotterdamse haven, door middel van braak en inklimming. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken. 5Strafbaarheid feiten De bewezen feiten leveren op: 3 handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III; 4en
  2. voortgezette handeling van: wederrechtelijk verblijven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag van goederen, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en zich de toegang verschaffen tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag of overslag door middel van braak en inklimming, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7Motivering straf Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft een vuurwapen voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. Illegaal wapenbezit dient, gelet op de uitwerking bij dreigend gebruik daarvan, dan ook te worden bestreden. Het aantal slachtoffers van vuurwapengeweld in de samenleving benadrukt de noodzaak hiervan. Daarnaast heeft de verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het wederrechtelijk verblijven op een haventerrein als bedoeld in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte en zijn mededaders hebben zich de toegang tot dat terrein verschaft door middel van braak en inklimming. Dit is een strafbaar feit dat veel hinder en schade veroorzaakt bij havenbedrijven. Zo komen bijvoorbeeld werkzaamheden vaak tijdelijk stil te liggen als indringers zijn gesignaleerd en moeten de douane en de havenbedrijven veel investeringen doen om het terrein te controleren en te beveiligen. Ook is het een schending van de openbare orde. Het zich ophouden op een haventerrein gebeurt veelal met het doel om voorwerpen van waarde of drugs uit containers te halen en is daarmee een onmisbare schakel in de keten rond de invoer en verdere verspreiding van drugs of het verhandelen van die voorwerpen en heeft daarmee een ontwrichtende invloed op de samenleving. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 januari 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor verboden wapenbezit en andere aan geweld gerelateerde feiten. Rapportages Reclassering Nederland heeft rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 19 november 2024 en 23 januari
  3. Deze rapporten houden onder meer het volgende in. De reclassering heeft zorgen over het sociaal netwerk van de verdachte en zijn houding. De kans op recidive wordt als hoog ingeschat. De reclassering ziet meerwaarde in een strak plan van aanpak. Van belang is dat de verdachte een zinvolle dagbesteding krijgt en behoudt en dat hij zal meewerken aan een behandeling waarbij hij leert de juiste keuzes te maken. Geadviseerd wordt bij een veroordeling een aantal bijzondere voorwaarden op te leggen. De verdachte heeft zich op de zitting bereid verklaard alle door de rechtbank te stellen voorwaarden te zullen naleven. Conclusies van de rechtbank Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies. Gezien de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in de regel in soortgelijke zaken worden opgelegd. Deze straf zal fors lager zijn dan de door de officier van justitie geëiste straf, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van twee ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank, in navolging van het advies van de reclassering, begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk worden opgelegd, met daaraan verbonden de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan is geadviseerd en rekening houdend met de vrijspraak van een deel van de tenlastelegging, vindt de rechtbank het niet passend een locatiegebod, een contact- en locatieverbod of elektronische monitoring op te leggen. Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden. 8Vordering tenuitvoerlegging Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 februari 2023 is de verdachte ter zake van diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer verenigde personen en op de openbare weg veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van vijfenzeventig dagen, waarvan zeventien dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 18 februari
  4. Standpunt verdediging De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering tenuitvoerlegging. Beoordeling De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. Daarom zal de tenuitvoerlegging worden gelast van het voorwaardelijk gedeelte van de bij dat vonnis aan de verdachte opgelegde straf. De verdachte is inmiddels ouder dan achttien jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat de tenuitvoerlegging toch dient te geschieden in de vorm van jeugddetentie. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de jeugddetentie als gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 56, 57 en 138aa van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10-292014-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart bewezen, dat de verdachte de onder parketnummer 10-292014-24 onder 3 en onder parketnummer 10-034932-24 onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij; stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden; bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde: - de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken; stelt als bijzondere voorwaarden:
  5. de veroordeelde meldt zich op afspraken met Reclassering Nederland, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  6. de veroordeelde laat zich behandelen door De Waag, Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien blijkt dat een persoonlijkheidsonderzoek geïndiceerd is, dient hij daaraan mee te werken;
  7. de veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding in vorm van werk, school of stage, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag; verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht; geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de dag waarop de totale duur van de tot dan toe ondergane verzekering en voorlopige hechtenis gelijk zal zijn aan die van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf; gelast de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk gedeelte, groot 17 (zeventien) dagen, van de bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 3 februari 2023 aan de veroordeelde opgelegde jeugddetentie (parketnummer 10-082215-21), met bepaling dat deze straf als gevangenisstraf wordt ten uitvoer gelegd. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.H. Geerars, voorzitter, en mrs. A. Hello en A.L. Pöll, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
  8. parketnummer 10-292014-24) hij op of omstreeks 9 september 2024 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het opzettelijk, meermalen, althans eenmaal (telkens), een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten is (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 157 Wetboek van Strafrecht oplevert) opzettelijk, voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten - vijf literflessen gevuld met benzine, althans een brandbare stof en/of - een plastic tas en/of - één of meerdere mobiele telefoons en/of - een scooter (kennelijk) bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad; 2 ( parketnummer 10-292014-24) hij op of omstreeks 10 september 2024 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen heeft gepoogd om één of meer (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)n(en) door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van inlichtingen te bewegen tot het plegen van het navolgende strafbare feit, te weten: het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van een (tot op heden) onbekend gebleven persoon (strafbaar gesteld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht), immers heeft verdachte met dat opzet: - één of meer (tot op heden) onbekend gebleven personen (via/middels de applicatie Snapchat) benaderd om dit strafbare feit te plegen en/of te laten plegen en/of - ( daarbij) een geldbedrag van 60.000,00 euro, in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon en/of - ( daarbij) een geldbedrag van 3.500,00 als vooruitbetaling in het vooruitzicht gesteld voor het plegen van de moord op die onbekend gebleven persoon; 3 ( parketnummer 10-292014-24) hij op of omstreeks 24 augustus 2024 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III, onder 1 van de de Wet wapens en munitie, te weten een (kogel)geweer van het merk Ruger, model: Precision, kaliber: .308 Winchester, voorhanden heeft gehad; 4 ( parketnummer 10-034932-24) hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, wederrechtelijk heeft verbleven op een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijf] in de Rotterdamse haven; 5 ( parketnummer 10-034932-24) hij op of omstreeks 29 januari 2024 te Botlek Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, zich de toegang heeft verschaft tot een in een haven gelegen besloten plaats voor distributie, opslag en/of overslag van goederen, te weten het door hekken omgeven terrein van [bedrijf] in de Rotterdamse haven, door middel van braak en/of inklimming.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.