Rechtbank Rotterdam Team straf 3 Parketnummer: 10-223449-24 Datum uitspraak: 27 januari 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] , ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in [naam PI] , raadsvrouw mr. E.P.N. Pieterse, advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari
(2)door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het ten laste gelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige - waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog - tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld. Als sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking. De hoogte van de geleden schokschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De rechtbank zal hierna de vorderingen van de benadeelde partijen afzonderlijk beoordelen. [benadeelde 1] Affectieschade De advocaten van deze benadeelde partij hebben gesteld en onderbouwd dat sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij als naaste aangemerkt dient te worden. De vader van de benadeelde woont in Afghanistan en zijn moeder verblijft het merendeel van de tijd ook in Afghanistan. Benadeelde en het slachtoffer woonden sinds eind januari 2017 samen in een woning in Rotterdam. Zij hadden een gezamenlijke huishouding en hadden de zorg voor elkaar. Ze kookten samen of voor elkaar, ze wasten elkaars kleding, maakten samen de woning schoon, deden samen boodschappen, trokken samen op en deelden lief en leed samen. Het slachtoffer had zich in afwezigheid van zijn ouders als oudere broer ontfermd over zijn jongere broer [benadeelde 1] . Bovendien werkten de broers met elkaar samen en hadden zij een hechte band. De rechtbank is van oordeel dat de specifieke omstandigheden van de benadeelde partij [benadeelde 1] dusdanig uitzonderlijk zijn dat deze een beroep op de hardheidsclausule in de zin van artikel 6:108 lid 4 onder g BW, zoals de wetgever deze heeft bedoeld, rechtvaardigen. De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de affectieschade dan ook toewijzen. Schokschade Bij de vordering van [benadeelde 1] is als onderbouwing een psychologisch behandelplan van 6 december 2024 overgelegd waaruit volgt dat hij wordt behandeld aan een andere gespecificeerde trauma- of stressorgerelateerde stoornis. De benadeelde partij is in de nacht van 9 juli 2024 door de politie opgeroepen om te verschijnen in het ziekenhuis. Bij aankomst in het ziekenhuis heeft de benadeelde zijn broer in een verwonde toestand in coma in het ziekenhuis aangetroffen. In zijn aanwezigheid is het slachtoffer in dezelfde nacht overleden. Deze confrontatie heeft een hevige emotionele schok teweeggebracht. Uit de overgelegde gegevens blijkt dat de benadeelde partij lijdt aan genoemde stoornis en dat hiervoor behandeling is gestart. De rechtbank leidt uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting af dat deze psychische schade is ontstaan als gevolg van de confrontatie met de gevolgen van de strafbare feiten. Gelet op het voorgaande komt de schokschade voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal evenwel, mede gelet op de gevoerde betwisting, het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding op een lager bedrag schatten dan gevorderd. Het immateriële deel van de schokschade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 5.000,-. De benadeelde partij zal in de vordering van het overige deel niet-ontvankelijk worden verklaard. Materiële schade De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft met betrekking tot de materiële schade de volgende kosten opgevoerd: Kosten lijkbezorging € 1.532,27 Verlies aan arbeidsvermogen € 7.326,- Kosten huishoudelijke hulp € 4.608,-. De benadeelde heeft aangevoerd dat het lichaam van het slachtoffer naar Afghanistan is gevlogen om aldaar begraven te worden. De benadeelde en zijn ouders zijn naar Afghanistan gevlogen om de begrafenis van het slachtoffer bij te wonen. De benadeelde heeft de kosten van de vliegtickets voor hemzelf en voor zijn ouders betaald. De rechtbank heeft de stukken die zijn ingediend ter onderbouwing van deze kosten bestudeerd en heeft ter zitting vragen gesteld ter verduidelijking daarvan. Desondanks, komt de rechtbank tot de conclusie dat de overgelegde bescheiden onduidelijk blijven en dat de vluchtdata en vluchtroutes niet overeenkomen met de datum waarop de begrafenis in Afghanistan heeft plaatsgevonden. De benadeelde partij zal daarom voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot het verlies aan arbeidsvermogen heeft de benadeelde aangevoerd dat hij als gevolg van de gebeurtenissen psychische klachten heeft ontwikkeld en daardoor arbeidsongeschikt is geworden. De benadeelde exploiteert een eenmanszaak als elektrotechnicus. Hij heeft onder meer gesteld dat het bestaan en de omvang van schade door verminderd arbeidsvermogen dient te worden vastgesteld door een vergelijking te maken tussen het inkomen van de benadeelde in de feitelijke situatie na het voorval en het inkomen dat de benadeelde in de hypothetische situatie zonder dat voorval zou hebben verworven. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten valt. De door de benadeelde partij overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig duidelijk dat daaruit het bedrag van het verlies aan arbeidsvermogen kan worden afgeleid. De behandeling van dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard en zou dit gedeelte van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter kunnen indienen. Ten aanzien van de kosten huishoudelijke hulp heeft de benadeelde gesteld dat hij en het slachtoffer de taken binnen de huishouding hadden verdeeld. Door het wegvallen van het slachtoffer zal de benadeelde hulp van de andere broers moeten krijgen, dan wel zelf meer uren in het huishouden moeten steken. Het bedrag van de kosten huishoudelijke hulp is niet eenvoudig af te leiden aan de hand van de overgelegde bescheiden ter onderbouwing van deze kostenpost. Ook dit deel van de vordering van de benadeelde partij levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 22.500,-. [benadeelde 4] Affectieschade De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de vader van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen. Schokschade De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam in het ziekenhuis en tijdens de rituele wassing bij hem tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor hij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. Materiële schade De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft met betrekking tot de materiële schade, te weten kosten lijkbezorging, de volgende kosten opgevoerd: Uitvaart € 4.900,- Rituele wassing lichaam slachtoffer € 300,- Begrafenis + receptie € 9.623,-. De kosten van de uitvaart zijn voldoende onderbouwd, onder meer door overlegging van een factuur van de Islamitische Uitvaartzorg An-Nour, gedateerd 10 juli
- Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen. De overige opgevoerde kosten zijn niet of niet voldoende onderbouwd, wat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 22.400,-. [benadeelde 5] Affectieschade De rechtbank stelt vast dat door de bewezen verklaarde feiten affectieschade is toegebracht aan de benadeelde, de moeder van het slachtoffer. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft de benadeelde aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 17.500,-. Dit deel van de vordering zal dan ook worden toegewezen. Schokschade De benadeelde heeft gesteld dat de confrontatie met het slachtoffer en het zien van zijn levenloze lichaam via een telefonische verbinding en tijdens de rituele wassing bij haar tot een emotionele schok heeft geleid, waardoor zij een post traumatische stress stoornis heeft ontwikkeld. Ter onderbouwing heeft de benadeelde een Engelstalige verklaring van een psychiater in Afghanistan overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring onvoldoende ondersteuning biedt voor de stelling dat bij de benadeelde door een erkend arts een stoornis is vastgesteld die in rechtstreeks verband staat met de bewezen verklaarde feiten. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-. [benadeelde 2] en [benadeelde 3] Deze benadeelde partijen hebben, als broers van het slachtoffer, een vergoeding van affectieschade gevorderd. Zij hebben gesteld dat ten tijde van het voorval, ten gevolge waarvan hun broer is overleden, sprake was van een zodanige nauwe persoonlijke relatie tussen hen en het slachtoffer, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat zij voor de toepassing van de hardheidsclausule als naaste aangemerkt dienen te worden. Het slachtoffer trad binnen de relatie met zijn broers op als een vaderfiguur en zorgde ervoor dat de benadeelden aan een baan kwamen, hij voorzag ze van werk, raad en overige hulp. De broers hebben tot en met oktober 2023 samengewoond in een woning in Rotterdam. De rechtbank is van oordeel dat de door de benadeelden aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om in aanmerking te komen voor toepassing van de hardheidsclausule. Hierbij wordt de volwassen leeftijd van de benadeelden en de omstandigheid dat zij ten tijde van het voorval niet meer onder hetzelfde dak woonden, in belangrijke mate meegewogen. De benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Wettelijke rente De benadeelde partijen hebben gevorderd de te vergoeden bedragen te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag telkens vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 8 juli
- Kosten Nu de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 4] en [benadeelde 5] (in overwegende mate) zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door deze benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. Nu de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen deze benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil. Conclusie De verdachte dient de volgende bedragen te betalen: - aan [benadeelde 1] : € 22.500,- - aan [benadeelde 4] : € 22.400,- - aan [benadeelde 5] : € 17.500,-. Schadevergoedingsmaatregel Tevens wordt telkens oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) passend en geboden geacht. Gijzeling De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om, kort gezegd, aan de Staat ten behoeve van de hiervoor genoemde benadeelden de toegewezen bedragen te betalen. Indien de betaling en verhaal achterwege blijft, te vervangen door gijzeling. Op grond van artikel 36f lid 5 Sr bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 Sv. gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714). De rechtbank zal de duur van de gijzeling bepalen op grond van een verdeling van de hoogte van de vorderingen op grond van 360 dagen. 9Toepasselijke wettelijke voorschriften Gelet is op de artikelen 36f, 55, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. 10Bijlagen De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis. 11Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; (benadeelde partij [benadeelde 1] ) veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 1] te betalen een bedrag van € 22.500,- (zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 1] te betalen € 22.500,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; ( [benadeelde 4] ) veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 4] te betalen een bedrag van € 22.400,- (zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), bestaande uit € 4.900,- als vergoeding materiële schade en € 17.500,- als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 4] te betalen € 22.400,- (hoofdsom, zegge: tweeëntwintig duizend vierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 22.400,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 130 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; ( [benadeelde 5] ) veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde 5] te betalen een bedrag van € 17.500,- (zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening; verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken; legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde 5] te betalen € 17.500,- (hoofdsom, zegge: zeventienduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 17.500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op; ( [benadeelde 2] ) verklaart de benadeelde partij [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil; ( [benadeelde 3] ) verklaart de benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A. Hello, voorzitter, en mrs. A.P. Hameete en N.M. Ketelaar, rechters, in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld. De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst gewijzigde tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
- hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een fractuur van het slaapbeen en een perforatie van de hersenen, heeft toegebracht, doordat hij, verdachte en/of zijn mededader, die [slachtoffer] met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd heeft/hebben gestoken terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad; 2 hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam openlijk, te weten op of aan de [plaats delict] te Rotterdam, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door: - met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het hoofd van die [slachtoffer] te steken en/of - ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te trappen en/of - ( meermaals) tegen het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen terwijl dit door hem en/of zijn mededader gepleegde geweld de dood ten gevolge heeft gehad.