Rechtbank Rotterdam Team straf 2 Parketnummer: 10-965036-19 Datum uitspraak: 24 juli 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres 1] , [postcode] te [plaats 1] , raadsman mr. J.B. van Faassen, advocaat te Amsterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. G. Sannes heeft gevorderd: vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde; bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 509 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. 4Ontvankelijkheid officier van justitie (feit 3) De verdediging heeft verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren voor het witwassen van een contant geldbedrag van € 32.500,00 en de Mercedes A45 AMG met [kenteken 1] . Het contant geldbedrag is gebruikt voor de aanschaf van de Mercedes. Uit de door de verdediging overgelegde stukken blijkt dat deze Mercedes eerder ook in december 2017 in beslag is genomen in verband met een verdenking witwassen (parketnummer 10/751123-17). Deze zaak is vanwege gebrek aan bewijs geseponeerd. De officier van justitie heeft op basis van de ter zitting overgelegde stukken eveneens geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het genoemde geldbedrag en de Mercedes. De rechtbank volgt het pleidooi van de verdediging tot partiële niet-ontvankelijkheid. Er zijn na de seponering van de zaak in 2017 geen concrete nieuwe feiten of omstandigheden gebleken die ten aanzien van het genoemde geldbedrag en de Mercedes alsnog, c.q. opnieuw een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. De officier van justitie is met betrekking tot feit 3 op de tenlastelegging niet-ontvankelijk in de vervolging wegens het witwassen van een contant geldbedrag van € 32.500,00 (gedachtestreepje 10) en de Mercedes A45 AMG met [kenteken 1] (gedachtestreepje 11). 5Waardering van het bewijs 5.1. Vrijspraak feit 1 zonder nadere motivering Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken. 5.2. Bewijswaardering feit 2 5.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van de onder feit 2 ten laste voorbereidingshandelingen. De verdachte erkent dat hij de Peugeot Partner voorhanden heeft gehad, maar dit was voor het uitvoeren van schilderwerkzaamheden en had een legaal doel. Hij heeft geen opdracht gegeven om een verborgen ruimte te laten inbouwen en heeft ook geen bemoeienis gehad met het zwaailicht op de bus. Hij ontkent dat hij kleding, gelijkend op bedrijfskleding van [bedrijf] , voorhanden heeft gehad. Voor zover de stem van de verdachte te horen is in de OVC- en tapgesprekken, ontkent de verdachte dat deze gesprekken betrekking hadden op de voorbereiding van drugsdelicten. Voor zover de rechtbank bewezen acht dat verbouwingen aan de Peugeot Partner (mede) bestemd waren om opiumdelicten mee te plegen, wist de verdachte daar niets van. Het medeplegen kan niet worden bewezen. De bijdrage van de verdachte is van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. 5.2.2. Beoordeling De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast. Bij het opsporingsonderzoek is gedurende enige tijd het telefoonverkeer van de verdachte afgetapt en is afluisterapparatuur in zijn auto geïnstalleerd. In de afgeluisterde gesprekken worden aanwijzingen gevonden voor mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij drugsgerelateerde strafbare feiten. Zo wordt gesproken over ‘poeder’, over een ‘klus van 180 kilo’ en over een ‘marktwaarde van 31k’, waarmee volgens de politie vermoedelijk de prijs wordt bedoeld van een kilo cocaïne. Hoewel de verdachte stellig ontkent betrokken te zijn geweest bij drugsdelicten, heeft hij ter zitting wel verklaard dat in de auto soms drugsgerelateerde zaken werden besproken. Op 9 oktober 2019 werd voor het [garagebedrijf] in [plaats 1] een Peugeot Partner (hierna: de Peugeot) aangetroffen met kenteken [kenteken 2] . De auto bleek te zijn voorzien van een zwaailamp, sterk gelijkend op een zwaailamp van voertuigen van hetzelfde type die in de Rotterdamse haven door [bedrijf] worden gebruikt. In de Peugeot werd een camera en een baken geplaatst. Aan de hand daarvan is gebleken dat de verdachte met de Peugeot op 9 januari 2020 naar een garagebox aan de [adres 2] in [plaats 1] is gereden. De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij de auto heeft verplaatst. In een afgeluisterd gesprek enkele weken eerder is te horen hoe de verdachte met de [medeverdachte 1] spreekt over een klus waarmee ze kunnen verdienen en zegt dat ze wel een auto gaan vinden en daarin een verborgen ruimte (stash) zullen laten inbouwen. Op 10 januari 2020 is de garagebox aan de [adres 2] doorzocht. Naast de reeds genoemde zwaailamp, bleek de Peugeot te zijn voorzien van een verborgen ruimte, die beide ten tijde van de aankoop nog niet in de auto zaten. Ook is veiligheidskleding en zijn witte helmen aangetroffen, die volgens de [getuige 1] afkomstig waren uit de Peugeot. Gebleken is dat dit soort kleding wordt gebruikt door medewerkers van de technische dienst van [bedrijf] . In een tas, die volgens [getuige 1] eveneens in de auto lag, werden daarnaast werkhandschoenen, nieuwe slijpschijven en een slijptol aangetroffen. [getuige 1] was bezig met timmerwerkzaamheden in de Peugeot en verklaarde dat hij verbaasd was toen een dag eerder bleek dat zijn opdrachtgevers ramen in de auto hadden laten zetten en van de werkbus een soort personenauto hadden gemaakt. Uit onderzoek van de telefoon van de verdachte blijkt dat hij in de ten laste gelegde periode veelvuldig heeft gezocht naar adressen voor de aankoop van onderdelen voor een Peugeot Partner. Daarnaast is 158 keer gezocht op de zoekterm ‘Maasvlakte’ en zijn meerdere zoekslagen gemaakt die betrekking hebben op (hard)drugs. De verdachte heeft ter zitting erkend dat hij eerder een aantal malen met een Peugeot Partner het [bedrijf] -terrein op is gereden. Ook heeft hij verklaard dat hij een ruimte in de aangetroffen Peugeot heeft laten inbouwen en heeft geïnformeerd naar het installeren van een zwaailamp. Volgens de verdachte heeft hij dit alles gedaan voor het uitvoeren van schilderwerkzaamheden. De rechtbank acht op basis van voorgenoemde feiten en omstandigheden bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Verbouwingen aan de Peugeot Partner, kennelijk met als doel deze geschikt te maken voor onopgemerkt transport op het haventerrein, en hierin aangetroffen kleding en voorwerpen kunnen naar het oordeel van de rechtbank in onderling verband en ook in het licht van de afgeluisterde gesprekken niet anders dan als drugsgerelateerd worden beschouwd. Het is een feit van algemene bekendheid dat via het haventerrein met grote regelmaat containers met drugs het land worden binnengesmokkeld, die door uithalers uit de containers worden gehaald. Daarbij wordt gereedschap gebruikt om de containers open te maken. Door de verdachte gegeven alternatieve lezingen bij individuele bevindingen uit het opsporingsonderzoek, moeten naar het oordeel van de rechtbank vanwege de evident drugsgerelateerde samenhang als niet geloofwaardig terzijde worden geschoven. Uit de bewijsmiddelen volgt voorts dat de verdachte zodanig intensief heeft samengewerkt met anderen dat hij als medepleger moet worden aangemerkt. 5.2.3. Conclusie Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met anderen heeft schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. 5.3. Vrijspraak feit 3 (witwassen) 5.3.1. Standpunt officier van justitie De officier van justitie acht de ten laste gelegde witwashandelingen onder gedachtestreepje 1 tot en met 6 en 9 wettig en overtuigend bewezen. De verdachte en zijn partner, de [medeverdachte 2] , hadden in de ten laste gelegde periode geen inkomsten die de contante stortingen en uitgaven kunnen verklaren. Tegen de verdachte bestaat daarnaast de verdenking dat hij zich begeeft in de verdovende middelen-economie. Onder die omstandigheden mag van de verdachte en/of zijn medeverdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring worden verlangd. Voor de contante storting van € 9.500,00 heeft de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand onaannemelijke verklaring gegeven. Aan de verklaring van zijn broer, dat deze broer de gebruiker zou zijn van de ING-rekening, dient geen waarde te worden gehecht. Over het aantreffen van het contante geldbedrag van € 2 .770,00 in de woning heeft de medeverdachte geen verklaring willen geven bij de politie. De verdachte heeft verklaard, dat hij dit geld had gepind en vervolgens in een café heeft gewisseld; deze verklaring is ongeloofwaardig. Dat geldt ook voor de verklaring van de verdachte dat hij forse geldbedragen contant heeft geleend van de [getuige 2] (€ 50.000,00) en [getuige 3] (€ 40.000,00) om ‘goed van te kunnen leven’ en op vakantie te kunnen gaan. De verklaring van de verdachte dat hij ongeveer € 30.000,00 aan contanten heeft gekregen als cadeau voor het huwelijksfeest is niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Voorafgaand aan de bruiloft is echter door de verdachte en de medeverdachte een bedrag betaald van € 10.000,00. Van het bedrag van € 38.288,75 (gedachtestreepje 6) op de tenlastelegging acht de officier van justitie daarom bewezen dat € 10.000,00 van misdrijf afkomstig is. De officier van justitie verzoekt de verdachte voor de gedachtestreepjes 7, 8, 12 en 13 partieel vrij te spreken, aangezien de hierbij door de verdachte en/of de medeverdachte gegeven verklaringen niet op voorhand onaannemelijk moeten worden geacht. 5.3.2. Beoordeling Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de genoemde feiten en omstandigheden (onverklaarbare uitgaven en stortingen, verdenking van drugsgerelateerde delicten van de verdachte) een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. In dat geval mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de in beslag genomen voorwerpen. Deze verklaring dient voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand volstrekt onwaarschijnlijk te worden geacht. De vraag of de verdachte daarin is geslaagd, zal de rechtbank hierna voor de verschillende onderdelen van de tenlastelegging bespreken. Wat betreft de contante storting van € 14.210,00 (gedachtestreepje 2 ) vindt naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van de verdachte voldoende steun in de verklaring van zijn broer. De rechtbank betrekt daarbij de omstandigheid dat bij opheffing van deze rekening, het restbedrag door ING-bank is teruggeboekt aan deze broer – en niet aan de verdachte. Hieruit kan worden afgeleid dat kennelijk de broer de feitelijke gebruiker was van deze rekening. De verdachte wordt van dit onderdeel vrijgesproken. Dat de verdachte en de medeverdachte een substantieel bedrag in contanten hebben ontvangen als cadeau bij hun huwelijk acht de rechtbank, met de officier van justitie en de verdediging niet onwaarschijnlijk. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank echter onvoldoende bewijs dat een deel van het geldbedrag onder de gedachtestreepjes 5 en 6 op de tenlastelegging wèl van misdrijf afkomstig zou zijn. Hetzelfde geldt voor de beide aanbetalingen voor een bruidsjurk, genoemd onder 7 en 8. De verdachte wordt van deze onderdelen van de tenlastelegging eveneens vrijgesproken. De resterende stortingen en uitgaven op de tenlastelegging belopen in totaal een bedrag van ongeveer € 50.000,00. De verdachte en de medeverdachte hebben hierover een aantal verklaringen afgelegd. De verdachte heeft verklaard dat hij twee geldleningen heeft afgesloten met [getuige 2] en [getuige 3] en heeft hiervan stukken overgelegd. Beide getuigen bevestigen deze lening. De medeverdachte heeft verklaard dat zij over veel contant geld beschikte, omdat zij soms forse giften van haar familie ontving. Een zus, de moeder en een tante van de medeverdachte hebben hierover (deels onder ede) bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd die haar verklaring ondersteunt. De zus heeft verklaard dat zij onder andere een gift van € 7.5000,00 heeft gedaan en dat zij vaker luxe goederen aan de medeverdachte gaf, en de tante heeft verklaard dat zij 20.000,00 pond aan de medeverdachte heeft gegeven. De rechtbank is van oordeel dat de uitleg van de verdachte en zijn medeverdachte over hun vermogenspositie, afgezet tegen de omvang van het in totaal ten laste gelegde witwasbedrag, als voldoende concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk moet worden aangemerkt. Hoewel de rechtbank de hierbij geplaatste kanttekeningen en vragen van de officier van justitie begrijpt – ook in het licht van het onder 2 bewezen verklaarde feit –, had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om dit eventueel nader te onderzoeken. Dat is niet gebeurd, hoewel daarvoor voldoende tijd beschikbaar was. Aldus is niet aannemelijk geworden dat de stortingen en uitgaven zijn gedaan met middelen die een criminele herkomst hebben, zodat voor dit feit vrijspraak dient te volgen. 5.3.3. Conclusie Het onder 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken. 5.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: Feit 2 hij in de periode van 1 september 2019 tot en met 10 januari 2020, te Rotterdam , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van één of meer hoeveelhe(i)d(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.