beschikking RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rekestnummer: C/10/697557 / HA RK 25-341 Beschikking van 24 juli 2025 in de zaak van [naam vrouw] , wonende te [woonplaats 1] ( [land] ), verzoekster, advocaat mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp te Den Haag, tegen [naam man] , wonende te [woonplaats 2] , verweerder, advocaat mr. L. Vieira te Rotterdam. Partijen worden de vrouw en de man genoemd. 1De kern van het geschil De vrouw verzoekt om tenuitvoerlegging van een door haar tegen de man verkregen uitspraak van een Kazachse rechter waarin de man bij verstek is veroordeeld om kinderalimentatie ten behoeve van hun minderjarige zoon [voornaam minderjarige] te betalen. Het verzoek van de vrouw wordt afgewezen wegens strijd van de Kazachse uitspraak met de Nederlandse openbare orde. De rechtbank legt die beslissing hierna uit. 2De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van 4 april 2025, met producties 1 en 2; de brieven van de rechtbank van 7 mei 2025, waarin mondelinge behandeling is bepaald; het verweerschrift van 19 juni 2025, met producties 1 tot en met 6; de brief van de vrouw van 23 juni 2025, met producties 3 tot en met 11; de brief van de man van 24 juni 2025, met producties 7 tot en met 10; de brief van de vrouw van 24 juni 2025, met producties 12 tot en met 14; de brief van de vrouw van 25 juni 2025; de mondelinge behandeling van 26 juni 2025; de spreekaantekeningen van mrs. Hasselaar-Veltkamp en Vieira. 3. De feiten 3.1. De vrouw en de man zijn met elkaar gehuwd geweest. 3.2. Op 11 juli 2024 heeft de vrouw de Bijzondere Regionale Rechtbank voor Minderjarigen te Atyrau (Kazachstan) verzocht om de man te veroordelen tot het betalen van kinderalimentatie ten aanzien van [naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 (hierna: het kind). 3.3. Op 28 augustus 2024 heeft de in 3.2 genoemde rechtbank de man bij verstek veroordeeld om een vierde deel van zijn maandelijkse salaris en/of ander inkomen aan kinderalimentatie aan de vrouw te betalen, met ingang van 11 juli 2024 totdat het kind meerderjarig is. 4Het verzoek 4.1. De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van de Bijzondere Regionale Rechtbank voor Minderjarigen te Atyrau (Kazachstan) van 28 augustus 2024 in Nederland uitvoerbaar te verklaren. 4.2. De man voert verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. De man verzoekt bij toewijzing van het verzoek de beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ten slotte verzoekt de man om de vrouw in de proceskosten te veroordelen, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad. 5De beoordeling De rechtbank Rotterdam is bevoegd 5.1. Dit betreft een internationaal geschil. De rechtbank beoordeelt daarom ambtshalve of zij (internationaal) bevoegd is en welk recht van toepassing is. 5.2. De rechtbank Rotterdam is bevoegd kennis te nemen van het geschil, omdat de man in het werkgebied van deze rechtbank woont (artikel 4 lid 1 Brussel I-bis en artikel 262 sub a dan wel 985 Rv). Het Haags Alimentatieverdrag 2007 is in beginsel van toepassing; voor het overige en anders is Nederlands recht van toepassing 5.3. Het Haags Alimentatieverdrag 2007 is in beginsel van toepassing op het verzoek van de vrouw. Daarin is bepaald wanneer een – in dit geval – Kazachse beslissing over onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar in – in dit geval – Nederland moet worden erkend en ten uitvoer gelegd (artikel 2 lid 1 sub a en 20 lid 1, aanhef Haags Alimentatieverdrag 2007). Sinds 14 juni 2019 is het Haags Alimentatieverdrag 2007 in werking getreden in Kazachstan en Nederland, en het verzoek is gedaan op 4 april 2025 (artikel 56 Haags Alimentatieverdrag 2007). 5.4. Op grond van artikel 23 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 is, onder voorbehoud van de bepalingen in dat verdrag, Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot tenuitvoerlegging van deze Kazachse beslissing in Nederland. 5.5. Ingeval niet aan één van de voorwaarden van artikel 20 lid 1 Haags Alimentatieverdrag 2007 is voldaan, moet voor beoordeling van het toepasselijk recht worden teruggevallen op het Nederlands commune recht. Op grond van artikel 10:3 BW is Nederlands recht van toepassing op de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen van buitenlandse rechters, en dus op dit verzoek. Juridisch kader: Haags Alimentatieverdrag 2007 5.6. Het Haags Alimentatieverdrag 2007 bepaalt dat de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing kan worden geweigerd als dat kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde van, in dit geval, de Nederlandse staat (artikel 22 aanhef en sub a). Juridisch kader: artikel 431 lid 2 Rv en het Gazprombank-arrest 5.7. In het geval voor beoordeling van dit verzoek moet worden teruggevallen op het Nederlandse recht is het volgende juridisch kader van belang. 5.8. Uit artikel 431 lid 1 in samenhang met artikel 985 Rv volgt dat beslissingen van rechters van een vreemde Staat alleen in Nederland ten uitvoer kunnen worden gelegd als daarvoor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.