Rechtbank Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: ROT 25/3396 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen [eiseres] , uit [plaats] , eiseres, gemachtigde: [gemachtigde] , en Dienst Toeslagen, verweerder. Procesverloop Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Overwegingen De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is. Verweerder geeft in zijn verweerschrift het volgende aan:‘Ouder heeft geen gelijk. Ouder stelt weliswaar in haar beroepschrift hat het voorlopig bezwaarschrift van 18 januari 2024 tegen de definitieve compensatiebeschikking van 26 oktober 2023 dient te worden aangemerkt als een verzoek om aanvullende schadevergoeding, omdat zij daarin heeft verzocht om de kwestie voor te leggen aan de Commissie Werkelijke Schade. Daarmee heeft zij echter niet aannemelijk gemaakt dat zij zich op 18 januari 2024 daadwerkelijk zelf heeft gemeld bij de Commissie Werkelijke Schade. Aanmelding geschiedt immers door een direct aan de Commissie Werkelijke Schade gericht verzoekformulier in te vullen en te verzenden naar het juiste adres. Volledigheidshalve verwijs ik naar de website: [URL].’ De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek is gedaan tot vergoeding van de werkelijke schade. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat eiseres in haar beroepschrift naar voren brengt dat in het voorlopig bezwaarschrift van 18 januari 2024 is verzocht de kwestie voor te leggen aan de Commissie Werkelijke Schade. Het voorlopig bezwaarschrift kan niet aangemerkt worden als verzoek om vergoeding van de werkelijke schade. Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. De rechtbank merkt het volgende op. De gemachtigde van eiseres heeft in de afgelopen periode meermaals beroepen ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade. Deze beroepen zijn allemaal niet-ontvankelijk verklaard, nu niet aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb was voldaan. Immers, in die beroepen was geen aanvraag gedaan bij de Commissie Werkelijke Schade. De rechtbank verwijst hierbij naar onder andere zaaknummers ROT 24/6706, ROT 25/
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.