← Nederland

ECLI:NL:RBROT:2025:9487

Rechtbank Rotterdam Team insolventie Insolventienummer: [nummer] Uitspraak: 25 februari 2025 VONNIS op het op 14 januari 2025 ingekomen verzoekschrift, met bijlage(n), van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster 1] , gevestigd te [vestigingsplaats 1] , en, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster 2] , gevestigd te [vestigingsplaats 2] , verzoeksters, advocaat mr. A. Robustella, strekkende tot faillietverklaring van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verweerster] , statutair gevestigd te [vestigingsplaats 2] , kantoorhoudende te [adres] [postcode] [woonplaats] , aldaar tevens handelend onder de naam: [handelsnaam] , verweerster. 1De procedure De rechtbank heeft de behandeling van het ingekomen verzoekschrift bepaald op 4 februari

  1. De rechtbank heeft op 3 februari 2025 aanvullende stukken van verzoeksters ontvangen. Op de zitting van 4 februari 2025 zijn verschenen en gehoord: mr. W. Korbecka, advocaat van verzoeksters; [persoon A] , (middellijk) bestuurder van verweerster. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden. 2Standpunt van partijen Standpunt verzoeksters Verzoeksters hebben in hun verzoekschrift en ter zitting (samengevat) gesteld dat zij uit hoofde van geleverde zaken een opeisbare vordering op verweerster hebben van € 18.894,54, in hoofdsom respectievelijk € 28.117,78, in hoofdsom. Daarnaast heeft verzoekster sub 2 uit hoofde van een overeenkomst vooruitbetaalde korting nog een opeisbare vordering op verweerster van € 25.000,
  2. Verweerster heeft een betalingsregeling van € 2.000,00 per maand voorgesteld, maar verzoeksters zijn daar niet mee akkoord gegaan. Ook ter zitting hebben verzoeksters te kennen gegeven te persisteren in hun verzoek. Zij hebben er geen vertrouwen in dat verweerster met een betaalvoorstel komt waarmee zij 30% tot 40% van de vordering van verzoeksters (ineens) kan voldoen. Standpunt verweerster Verweerster heeft ter zitting het bestaan van het vorderingsrecht van verzoeksters niet betwist. Verder heeft verweerster ter toelichting op de voorgestelde betalingsregeling en de toezeggingen die zij (ook ter zitting) heeft gedaan nog het navolgende gesteld. Verweerster heeft verklaard dat zij bezig is met het overdragen van de huurovereenkomst waar haar onderneming thans nog in gevestigd is en dat zij reeds met een partij in onderhandeling is. Hieruit verwacht zij op korte termijn gelden te ontvangen waarmee zij 30% tot 40% van de vordering van verzoeksters (ineens) kan voldoen. Verweerster wil daarom ook graag nog een laatste kans. Bovendien heeft verweerster nog een (hoge) schuld aan de Belastingdienst waardoor verzoeksters in faillissement minder op hun vordering vergoed zullen krijgen. 3De beoordeling Bevoegdheid De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt. Beoordelingskader Ingevolge artikel 6 van de Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen, indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers, terwijl tenminste één vordering opeisbaar is. Bestaan vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers De rechtbank stelt vast dat verweerster het bestaan van de opeisbare vorderingsrechten van verzoeksters niet heeft betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat van de zelfstandige vorderingsrechten van verzoeksters en daarmee ook van pluraliteit van schuldeisers summierlijk is gebleken. De vorderingsrechten zijn bovendien opeisbaar. Daarnaast is er, volgens de verklaring van verweerster, sprake van een opeisbare vordering van de Belastingdienst van enkele tonnen. Faillissementstoestand Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank voorts vast dat voldoende aannemelijk is geworden dat verweerster de vordering(en) van verzoeksters onbetaald laat. Verweerster heeft ter zitting verklaard dat zij niet in staat is om de vordering van verzoekster (volledig) te voldoen, maar dat zij wel op korte termijn verwacht een betaling van tussen de 30% tot 40% te kunnen voldoen. De rechtbank heeft verweerster tot 24 februari 2025 de tijd gegeven om verzoeksters te overtuigen om met haar een betalingsregeling af te spreken. Dit is verweerster niet gelukt. Daarnaast heeft verweerster haar stelling dat zij op korte termijn een betaling van tussen de 30% tot 40% kan doen, niet nader geconcretiseerd met stukken. Dat de vordering volledig betaald zou kunnen worden (al dan niet op termijn) is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat verweerster in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen. Een en ander leidt er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen. 3De beslissing De rechtbank: - verklaart [verweerster] voornoemd in staat van faillissement; - benoemt tot rechter-commissaris mr. C.G.E. Prenger, lid van deze rechtbank; - stelt aan tot curator mr. B.T.M. van Honk, advocaat te Rotterdam; - geeft last aan de curator tot het openen van brieven en telegrammen aan de gefailleerde gericht. Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2025 te 10:00 uur. Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.