Rechtbank Rotterdam Team insolventie rekestnummer: [nummer] uitspraakdatum: 10 april 2025 in de zaak van: [verzoeker] , wonende te [adres] [postcode] [woonplaats], verzoeker. 1De procedure Verzoeker heeft op 14 november 2024, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten: - [naam 1], in behandeling bij Gerechtsdeurwaarderskantoor [naam 2] (hierna: [naam 1]); die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling. Ter zitting van 27 maart 2025 zijn verschenen en gehoord: de heer J.A. van Es, werkzaam bij Geldplein Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening); [naam 1]. Verzoeker is op 6 januari 2025 opgeroepen om op de zitting van 20 februari 2025 te verschijnen. Op 12 februari 2025 heeft schulphulpverlening per e-mail bericht dat verzoeker wegens medische omstandigheden niet in persoon op de zitting aanwezig kon zijn. Schulphulpverlening heeft verzocht om de zitting te verplaatsen. De rechtbank heeft een nieuwe zittingsdatum bepaald op 27 maart
- Op 19 maart 2025 heeft schuldhulpverlening per e-mail bericht dat verzoeker nog steeds niet in staat is om in persoon op de zitting aanwezig te zijn. Verzoeker is ter zitting van 27 maart 2025 telefonisch gehoord. De uitspraak is bepaald op heden. 2Het verzoek Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift twee concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 39.959,62 van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 27 augustus 2024 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 3,44% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. Verzoeker heeft de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn AOW-uitkering en maandelijks pensioen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat er beslag ligt op het inkomen van verzoeker, waarschijnlijk door beide schuldeisers. Wanneer het dwangakkoord wordt toegewezen, zal schuldhulpverlening dienen uit te rekenen welk bedrag door de beslaglegger reeds onder het beslag is ontvangen, zodat dit bedrag verrekend kan worden met het te verstrekken saneringskrediet. Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van een door schuldhulpverlening ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. Eén schuldeiser stemt met de aangeboden schuldregeling in. [naam 1] stemt hier niet mee in. Hij heeft een vordering van € 13.985,51 op verzoeker, welke 35,5% van de totale schuldenlast beloopt. 3Het verweer [naam 1] stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Ter zitting heeft [naam 1] verklaard dat er al vrij snel na het ondertekenen van de huurovereenkomst een huurachterstand ontstond welke verzoeker weigerde te betalen. [naam 1] heeft destijds een procedure opgestart bij de rechtbank om de huurachterstand te kunnen innen. In deze procedure is [naam 1] in het gelijk gesteld. Desondanks is er door verzoeker niet aan [naam 1] betaald. [naam 1] neemt het verzoeker kwalijk dat hij tijdens deze procedure heeft toegegeven dat [naam 1] gelijk heeft, maar dat hij niet bereid is om te betalen. Door hetgeen in het verleden zich heeft afgespeeld stelt [naam 1] zich op het standpunt niet akkoord te kunnen gaan met het aangeboden voorstel. Daarnaast stelt [naam 1] zich op het standpunt dat verzoeker bewust een huurovereenkomst is aangegaan waar verplichtingen bij horen. Verder heeft [naam 1] gesteld dat het voorstel niet in verhouding staat met de openstaande vordering. Ten slotte heeft [naam 1] bevestigd dat er beslag is gelegd op het inkomen van verzoeker om zijn vordering te innen. 4De beoordeling Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [naam 1] bij zijn weigering vast. De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [naam 1] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de andere schuldeiser die door de weigering worden geschaad. De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [naam 1] een aandeel vormt in de totale schuldenlast van 35,5%. De helft van de schuldeisers, namelijk één van de twee schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan. De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Geldplein Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Op hem rust geen sollicitatieverplichting. Voldoende aannemelijk is geworden dat hij in de komende jaren geen inkomen zal kunnen verwerven dat hoger is dan zijn huidige inkomen. Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden. Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld. Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de andere schuldeiser die heeft ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [naam 1], die geweigerd heeft in te stemmen. Het verzoek om [naam 1] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen. Ter zitting is gebleken dat er namens beide schuldeisers beslag is gelegd op het inkomen van schuldenaar. De minnelijke regeling is gestart op 27 augustus
- Schuldhulpverlening zal dienen te onderzoeken op welk bedrag schuldeisers recht hebben uit hoofde van het aangeboden akkoord en welk bedrag na 27 augustus 2024 reeds onder het beslag door de schuldeisers is ontvangen. Het bedrag dat de schuldeisers uit hoofde van het beslag hebben ontvangen dat het bedrag van het saneringskrediet overstijgt, dient door de schuldeisers terugbetaald te worden in het kader van de paritas creditorum. Alle schuldeisers die onder de minnelijke regeling vallen dienen, rekening houdend met hun preferentie, gelijkelijk te worden behandeld. [naam 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil. De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen. 5De beslissing De rechtbank: - beveelt [naam 1] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling; - veroordeelt [naam 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil; - bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming; - wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af; - verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 april
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.