Rechtbank Rotterdam Team straf 1 Parketnummer: 10/996767-18 Datum uitspraak: 17 juni 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, niet ingeschreven in de basisregistratie personen, verblijvende op het adres: [verblijfadres] [verblijfplaats] , [land] , raadslieden mrs. L. Huigsloot en R. Boonstra, beiden advocaat te Rotterdam. 1Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 juni 2025. 2Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de nader omschreven tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3Eis officier van justitie De officier van justitie mr. P. van de Kerkhof heeft gevorderd: bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, alsmede oplegging van een geldboete van € 10.000,-. 4Waardering van het bewijs 4.1. Vaststelling feiten De rechtbank stelt op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast. De tien containers Tien containers met daarin dozen sigaretten zijn in de periode van 15 mei tot en met 25 oktober 2018 in de haven van Rotterdam aangekomen. Het betreft de containers met de volgende containernummers (die hierna voor de leesbaarheid worden aangeduid met het volgnummer): [containernummer 1] (na overlading [containernummer 1A] ) [containernummer 2] [containernummer 3] [containernummer 4] [containernummer 5] [containernummer 6] [containernummer 7] [containernummer 8] [containernummer 9] [containernummer 10] De containers zouden vervolgens via de haven van Antwerpen verder worden verscheept naar hun eindbestemming in Ghana of Singapore. In Antwerpen heeft de Belgische douane de inhoud van negen van de tien containers gecontroleerd. De containers 2 tot en met 4 (onder 1 b op de tenlastelegging) zijn op 31 augustus 2018 gecontroleerd en de containers 5 tot en met 10 (onder 1 c op de tenlastelegging) op 5 november 2018. Bij deze controle bleek dat enkel de dozen op de eerste rijen sigaretten bevatten. Verder waren de containers gevuld met dozen met betonnen klinkers of oude kleren en big bags met zand. Container 1 (onder 1 a op de tenlastelegging) is, na verscheping vanuit Antwerpen, in Ghana door de Ghanese douane geopend en gecontroleerd. Ook in deze container werden slechts enkele tientallen dozen met sigaretten aangetroffen en verder dozen met oude kleding die waren verzwaard met stenen. De verdachte en zijn medeverdachten Het bedrijf van de verdachte, [medeverdachte rechtspersoon 1] . (hierna: [medeverdachte rechtspersoon 1] ), was de koper van de partijen sigaretten in de containers. Het bedrijf [medeverdachte rechtspersoon 4] . (hierna: [medeverdachte rechtspersoon 4] ), met als [naam functie] medeverdachte [medeverdachte 1] en als (indirect) grootaandeelhouder medeverdachte [medeverdachte 2] , nam de containers met sigaretten in Rotterdam voor [medeverdachte rechtspersoon 1] in ontvangst en regelde het transport en de tijdelijke opslag van de containers op het bedrijfsterrein van [medeverdachte rechtspersoon 4] in ’s-Gravendeel voordat deze verder vervoerd werden naar Antwerpen. Bij aankomst van de laatste zes containers met sigaretten in de haven van Rotterdam heeft de FIOD peilbakens op de containers geplaatst. Uit de gegevens afkomstig van de peilbakens is gebleken dat deze zes containers, voordat zij naar Antwerpen werden vervoerd, vanaf het terrein van [medeverdachte rechtspersoon 4] – uit observaties bleek met een trekker en oplegger – naar een loods aan de Minervaweg in Schiedam dan wel een loods aan de Mercuriusweg in Schiedam zijn gebracht. Uit observaties bij de loodsen komt naar voren dat er met containers in en uit werd gereden, big bags en bruine dozen tussen de loodsen heen en weer werden gebracht, twee containers leeg in de loods stonden, meerdere keren vrachtwagens aankwamen en vertrokken bij de loods aan de Minervaweg en de verdachte in nabijheid van de loodsen is gezien en een keer in zijn auto samen met medeverdachte [medeverdachte 3] een loods is binnengereden. [medeverdachte 3] was ook steeds de bestuurder van de trekker. Daarnaast is waargenomen dat de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 tot en met 7 november 2018 bijna dagelijks en soms meerdere keren op een dag, in wisselende samenstelling bij elkaar kwamen in een bedrijfspand van [medeverdachte 2] in Rotterdam. Aantreffen niet in de accijnsheffing betrokken sigaretten [medeverdachte 3] is op 1 november 2018 met een witte bakwagen de loods aan de Minervaweg binnengereden en vervolgens naar Bleiswijk gereden, waar hij de sleutels van de bakwagen overdroeg aan de medeverdachte [medeverdachte 4] . De douane heeft in die bakwagen, in een door [medeverdachte 4] gehuurde loods in Krimpen aan den IJssel en in de loodsen aan de Minervaweg en Mercuriusweg in Schiedam in totaal bijna 50 miljoen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Voor de drie loodsen in Schiedam en Krimpen aan den IJssel was geen vergunning afgegeven om als douane-entrepot of accijnsgoederenplaats te fungeren. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande en de verklaring van [medeverdachte 4] vast dat de aangetroffen sigaretten, in de bakwagen en de drie loodsen, onderdeel uitmaakten van de partijen sigaretten die uit de containers waren verdwenen. De loodsen aan de Minervaweg en Mercuriusweg in Schiedam werden gebruikt om de sigaretten uit de containers te halen en te verhandelen zonder daarvoor accijns af te dragen. 4.2. Standpunt verdediging De verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de onveraccijnsde sigaretten in de containers 1 t/m 4. Container 1 zou vermoedelijk zijn overgeladen in container [containernummer 1A] . De inhoud van de container is echter niet gecontroleerd in Rotterdam, waardoor niet is vastgesteld of de inhoud van de container overeenkwam met wat op de ladingsdocumenten stond vermeld. Het vermoeden ten aanzien van de inhoud van deze container is dus geheel gebaseerd op wat er in andere containers is aangetroffen en betreft dus niets meer dan een aanname. Ten aanzien van de containers 2 t/m 4 is niet vast komen te staan waar de sigaretten uit de container zijn gehaald, zodat niet duidelijk is of hier daadwerkelijk op enig moment sprake is geweest van het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Daarnaast dient de verdachte geheel te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Op het moment van aankomst van de sigaretten in de loods van [medeverdachte rechtspersoon 4] was [medeverdachte rechtspersoon 4] , dan wel medeverdachte [medeverdachte 1] , verantwoordelijk voor de accijnsverplichtingen. Het eigendomsrecht was overgedragen van [medeverdachte rechtspersoon 1] aan [medeverdachte rechtspersoon 4] . Daarnaast biedt het dossier geen direct bewijs voor enige wetenschap van de verdachte van het ompakken van de sigaretten en het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten. Op grond van voorgaande kan tevens niet worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op de deelname aan een criminele organisatie, waardoor de verdachte ook van het onder 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. De verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] zijn onbetrouwbaar, omdat zij onderling tegenstrijdig zijn en de FIOD bij het verhoor gebruik heeft gemaakt van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Zij zijn daarom niet bruikbaar voor het bewijs. Ook zou het gebruik van deze verklaringen in strijd zijn met artikel 6 EVRM, nu de verdediging onvoldoende gebruik heeft kunnen maken van het ondervragingsrecht. Indien de rechtbank ook dit standpunt niet volgt, wordt een voorwaardelijk verzoek gedaan om tien getuigen te horen. 4.3. Beoordeling 4.3.1. Verklaringen van [medeverdachte 1] De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 1] bij de FIOD heeft afgelegd. Hoewel [medeverdachte 1] in eerste instantie heeft verklaard de verdachte niet te kennen, heeft hij de verdachte later herkend op een foto en verklaard dat het de verdachte is geweest die de opdrachten gaf. Ook getuige [naam getuige] heeft bevestigd dat het de verdachte is geweest die meerdere malen bij [medeverdachte rechtspersoon 4] op het terrein en op kantoor is geweest. De door [medeverdachte 1] belastende verklaring staat bovendien niet op zichzelf maar vindt steun in andere, hierna te bespreken, objectieve bewijsmiddelen. De rechtbank acht die onderdelen van de verklaringen van [medeverdachte 1] die gebruikt zullen worden voor het bewijs dan ook betrouwbaar. Het verweer op dit punt wordt verworpen. Van een schending van artikel 6 EVRM is eveneens niet gebleken. Weliswaar heeft de verdediging [medeverdachte 1] niet meer kunnen ondervragen omdat hij een beroep deed op zijn verschoningsrecht, maar zoals hiervoor overwogen vormen de verklaringen van [medeverdachte 1] niet het enige of doorslaggevende bewijs. De door [medeverdachte 1] geschetste wijze waarop het ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden en de rol die de verdachte daarbij zou hebben gehad vinden steun in andere objectieve bewijsmiddelen. 4.3.2. Verklaringen van [medeverdachte 4] De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die [medeverdachte 4] heeft afgelegd. [medeverdachte 4] heeft consistent verklaard en herkende de verdachte bij een fotoconfrontatie. Dat het ging om een enkelvoudige fotoconfrontatie doet niets aan de betrouwbaarheid af. Het ging hier immers om een fotoconfrontatie met een bekende en niet om de herkenning van een mogelijke dader die de getuige niet eerder had gezien. Daarbij vindt de door [medeverdachte 4] geschetste wijze waarop het ten laste gelegde zou hebben plaatsgevonden en de rol die de verdachte daarbij zou hebben gehad steun in andere objectieve bewijsmiddelen. Het verweer omtrent de betrouwbaarheid wordt verworpen en van een schending van artikel 6 EVRM is ook niet gebleken. 4.3.3. Feit 1 De verdachte was aandeelhouder van en betrokken bij het bedrijf [medeverdachte rechtspersoon 1] , de koper van de sigaretten. Over de koop van de sigaretten heeft er tussen 6 april 2018 en 20 april 2018 e-mailverkeer plaats gevonden tussen [medeverdachte rechtspersoon 2] , de Turkse fabriek van de sigaretten, en [medeverdachte rechtspersoon 1] . Gelet op het tijdsbestek gaat de rechtbank ervan uit dat het hier om de sigaretten in container 1 gaat. Hierbij is het de verdachte geweest die – in elk geval op dat moment – namens [medeverdachte rechtspersoon 1] heeft deelgenomen aan het berichtenverkeer. Ook is het telefoonnummer van de verdachte aangetroffen op twee Bills of Lading van de containers. Op de telefoon van de verdachte zijn verder verschillende foto’s en sms-berichten aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met de hiervoor beschreven illegale sigarettenhandel. Zo is een foto aangetroffen van een gedeelte van een Bill of Lading voor het vervoer van container 10 vanaf Turkije naar de haven van Rotterdam. Ook staat er een foto van een factuur van " [medeverdachte rechtspersoon 3] " op de telefoon betreffende de kosten voor de verscheping van container 4 en is een foto aangetroffen van de achterkant van container 4 met daarop zichtbaar een rederijverzegeling. Tevens komt uit de sms-berichten naar voren dat de verdachte contact heeft met derden over ‘laden’ aan de Fortunaweg in Schiedam (een van de loodsen waarin het ompakken plaatsvond). In de woning van de verdachte zijn stukken aangetroffen die ook sterk wijzen op betrokkenheid. Er werden facturen van deze sigarettenbestellingen aangetroffen en een spiraalblok waarin contante betalingen worden beschreven en waarin een voorraadlijst van de sigaretten en een kasopstelling zijn opgenomen. Hierbij is een deel van de aantekeningen te relateren aan overboekingen van facturen met betrekking tot de containers 2, 3 en 4. De facturen van deze containers worden verantwoord in de kasopstelling in het spiraalblok. Hierboven is al weergegeven dat uit observaties is gebleken dat de verdachte in nabijheid van de loodsen is gezien en een keer in zijn auto samen met [medeverdachte 3] een loods is binnengereden. Op 26 oktober 2018 wordt de verdachte daarnaast gezien op het bedrijventerrein van [medeverdachte rechtspersoon 4] , waarbij hij bij container 7 aan de rederijverzegeling voelt. Op 2 november 2018 is de verdachte gezien op het loodsenterrein aan de Mercuriusweg te Schiedam en op 7 november 2018 is hij waargenomen terwijl een Poolse trailer en trekker-combinatie achter hem aan reed. In die combinatie werden de volgende dag ruim 7,5 miljoen onveraccijnsde sigaretten aangetroffen. Door [medeverdachte 4] is verklaard dat hij de sigaretten aangeleverd kreeg door [medeverdachte 3] , en dat dat gebeurde op verzoek van de verdachte. [medeverdachte 4] haalde de sigaretten uit de originele dozen met opschrift en verpakte deze opnieuw in bruine dozen zonder opschrift (‘neutrale’ dozen). Hij kreeg hiervoor betaald. [medeverdachte 1] verklaarde met de verdachte te hebben gesproken over het vervangen van de goederen, waarop door de verdachte kenbaar werd gemaakt dat hij dit zou regelen met andere mensen met wie hij samenwerkte. De modus operandi ten aanzien van die tien containers is steeds hetzelfde geweest. [medeverdachte rechtspersoon 1] trad op als koper van de sigaretten. [medeverdachte rechtspersoon 4] trad vanaf mei 2018, voordat de eerste container met sigaretten in Rotterdam arriveerde, als notify party op voor [medeverdachte rechtspersoon 1] c.q. de verdachte, de containers zijn met een vrachtwagen van [medeverdachte rechtspersoon 4] vanuit Rotterdam vervoerd naar het bedrijfsterrein van [medeverdachte rechtspersoon 4] in ’s-Gravendeel en vervolgens is het merendeel van de sigaretten uit de containers gehaald en vervangen door dozen kleding, zware stenen en big bags met zand. Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte, vanaf het moment dat [medeverdachte rechtspersoon 1] met [medeverdachte rechtspersoon 4] zaken ging doen, feitelijke betrokkenheid had bij de organisatie van het ompakken van de sigaretten en het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten en hier steeds aan is blijven meewerken. Daarmee stelt de rechtbank de wetenschap van de verdachte van het ompakken van de sigaretten vast. De verklaring van de verdachte dat medeaandeelhouder [persoon A] zich namens [medeverdachte rechtspersoon 1] bezig hield met de illegale sigarettenhandel en dat hij slechts voor hem optrad, is niet aannemelijk, gelet op de hiervoor beschreven feitelijke bemoeienissen van de verdachte. Daarbij komt uit het dossier geen enkel aanknopingspunt voor enig aandeel van medeaandeelhouder [persoon A] naar voren, afgezien van een door de verdediging overgelegde summiere verklaring van een andere aandeelhouder van [medeverdachte rechtspersoon 1] . Zowel de verklaringen van de getuigen als de chat- en tapgesprekken geven geen blijk van een dergelijke rol van [persoon A] . Daarnaast blijkt nergens uit dat [persoon A] ook in de woning zou hebben verbleven waar onder meer het spiraalblok is aangetroffen, zoals door de verdachte is aangevoerd. De dochter van de verdachte heeft ook verklaard dat zij daar met haar vader woonde, en heeft niets gezegd over eventuele andere bewoners. Dat [medeverdachte rechtspersoon 1] bij dit alles onwetend was van het ompakken van de sigaretten en de verdere smokkel vanaf [medeverdachte rechtspersoon 4] , wordt tevens niet geloofwaardig geacht. De sigaretten waren immers voor [medeverdachte rechtspersoon 1] bestemd, nu zij optrad als koper. Toen het grootste deel van de lading sigaretten vervolgens verdween, zou het in de rede hebben gelegen dat [medeverdachte rechtspersoon 1] , die dan als koper werd opgelicht, hiervan melding had gemaakt, wat niet is gebeurd. Of [medeverdachte rechtspersoon 1] het eigendomsrecht inmiddels had overgedragen aan [medeverdachte rechtspersoon 4] , is overigens niet relevant, nu de tenlastelegging ziet op het voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten, onafhankelijk van de vraag wie daarvan de eigenaar is. Dit verweer kan dan ook niet slagen. De rechtbank acht het ten laste gelegde medeplegen van het opzettelijk voorhanden hebben van onveraccijnsde sigaretten dan ook wettig en overtuigend bewezen. De verweren worden verworpen. 4.3.4. Feit 2 Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kan slechts dan sprake zijn, indien de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. De verdachte heeft gedurende een half jaar samen met anderen accijnsfraude gepleegd. In die periode zijn tien containers met sigaretten naar Nederland verscheept, waar het merendeel van de sigaretten uit de containers is omgepakt om te worden verhandeld en aan de accijnsheffing is onttrokken. Binnen deze opgezette fraudeconstructie vervulden de deelnemers ieder een eigen rol, zoals aankoper van de sigaretten, chauffeur, uithaler, ompakker en verhandelaar. Er werd een administratie bijhouden, zoals aangetroffen in het spiraalblok, waarin de contante betalingen, een voorraadlijst van de sigaretten en een kasopstelling werd bijgehouden. De verdachten hadden via berichtenverkeer contact, ontmoetten elkaar fysiek en zijn in wisselende samenstelling in een bedrijfspand in Rotterdam gezien of bij een van de loodsen. Gezien het vorenstaande was er sprake van een duurzaam en gestructureerd, op het handelen in onveraccijnsde sigaretten gericht samenwerkingsverband. De verdachte heeft binnen de criminele organisatie een actieve rol vervuld en vormde onder andere een belangrijke schakel in het geheel, aan de voorkant van de keten. Hij liet het bedrijf waar hij aandeelhouder van was de sigaretten kopen, waarna deze naar Nederland werden verscheept en zo verder in de handelsketen terecht kwamen. Ook in het verdere proces van de illegale sigarettenhandel was de verdachte betrokken, gelet op de hiervoor beschreven aanwezigheid op het terrein bij [medeverdachte rechtspersoon 4] , bij de loodsen en de bij de vrachtwagen waarin de sigaretten verder werden vervoerd. Daarom is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr. Het verweer wordt verworpen. 4.3.5. ( (Voorwaardelijk) verzoek horen getuigen De verzoeken tot het horen van de tien getuigen zijn eerder ook gedaan bij zowel de rechter-commissaris als de meervoudige kamer en zijn in beide gevallen afgewezen. Het betreft dus herhaalde verzoeken tot het horen van getuigen. Vooropgesteld wordt dat geen van de verzochte getuigen belastend heeft verklaard over de verdachte. Het bewijs tegen de verdachte wordt ook niet gebaseerd op hun verklaringen, voor zover die al onderdeel uitmaken van het dossier. Uiteraard mag de verdediging ook verzoeken ontlastende getuigen te horen. In dit stadium van het proces is het noodzakelijkheidscriterium van toepassing op dergelijke verzoeken. Uit de motivering die de verdediging nu, in essentie als herhaling, heeft aangevoerd, blijkt die noodzaak niet. De rechtbank ziet, gelet op de motivering van de verdediging in het licht van de bewezenverklaring en het daaraan ten grondslag liggende bewijs, geen noodzaak voor het horen van de genoemde getuigen en wijst dit verzoek af. 4.4. Bewezenverklaring In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat: 1. hij, op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 mei 2018 tot en met 8 november 2018, te Rotterdam en/of Schiedam en/of Krimpen aan den IJssel en/of Bleiswijk en/of ‘s-Gravendeel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk één (of meer) accijnsgoed(eren), te weten: a.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.